Omgevingswet. OPA. Weigering omgevingsvergunning voor het realiseren van een tweede in-/uitrit. Weigeringsgrond Verordening Fysieke Leefomgeving Laren van toepassing. Beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Beroep ongegrond.
Rechtbank Midden-Nederland 18 May 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:1954
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-04-2026
Datum publicatie
18-05-2026
Zaaknummer
UTR 25/3781
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1954text/xmlpublic2026-05-18T10:44:482026-04-28Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-04-23UTR 25/3781UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1954text/htmlpublic2026-05-18T10:44:222026-05-18Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:1954 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / UTR 25/3781 Omgevingswet. OPA. Weigering omgevingsvergunning voor het realiseren van een tweede in-/uitrit. Weigeringsgrond Verordening Fysieke Leefomgeving Laren van toepassing. Beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Beroep ongegrond.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/3781
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: mr. G.J.A.M. Bogaers), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren, het college (gemachtigde: S. Paffen). Inleiding 1. Eisers zijn eigenaar van het perceel [adres] in [plaats] (het perceel). Op dit perceel hebben eisers twee uitritten. Zij hebben op 11 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het verbreden van de bestaande uitrit en het aanleggen van een extra uitrit (het bouwplan) op het perceel. Op 22 november 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor het verbreden van de bestaande uitrit. Voor zover de aanvraag ziet op het aanleggen van de tweede uitrit is de omgevingsvergunning geweigerd (het primaire besluit). Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit (deel van het) besluit. 1.1. Met het besluit van 16 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. 1.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft de zaak op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank 2. Eisers zijn het niet eens met het besluit van het college om de omgevingsvergunning voor de tweede uitweg te weigeren en hebben daartoe een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. 3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Vooraf
4. Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het geschil tussen partijen, bespreekt zij hieronder eerst twee door eisers aangedragen punten, die buiten de omvang van het geding vallen.
5. Eisers hebben in hun beroepschrift vraagtekens gezet bij de gang van zaken bij de advies commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Laren. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers toegelicht dat de geschetste gang van zaken alleen als context diende. De rechtbank toetst het bestreden besluit. Daaronder valt niet de geschetste gang van zaken bij de advies commissie in de bezwaarprocedure.
6. Eisers hebben aangevoerd dat zij als eigenaren van het perceel er recht op hebben om een tweede uitrit aan te leggen. In het bestemmingsplan is namelijk aangegeven dat de gronden van hun perceel onder andere bestemd zijn voor in- en uitritten; dus meer dan één. Dat in het bestemmingsplan wordt gesproken over ‘uitritten’, doet er niet aan af dat het college in een verordening regels kan stellen over de vergunningplicht bij het aanleggen van een tweede uitweg. De rechtbank toetst het bestreden besluit onder andere aan die regels. Toetsingskader
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van eisers geldt het ‘Omgevingsplan gemeente Laren’ (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel: de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en de omgevingsplanregels van rechtswege (de bruidsschat). Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Laren – West’ (het bestemmingsplan), heeft het perceel onder meer de enkelbestemming ‘Tuin’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor in- en uitritten met de daarbij behorende parkeervoorzieningen. 8. Op grond van de Verordening Fysieke Leefomgeving Laren (VFL) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg. Dit verbod is overgenomen in het Omgevingsplan van de gemeente Laren (het omgevingsplan) en geldt op grond van de Omgevingswet als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
9. Een uitwegvergunning wordt volgens artikel 3.40, tweede lid, van de VFL geweigerd:
a. om gevaar op de weg te voorkomen;
b. als een openbare parkeerplaats door de uitweg verdwijnt, zonder dat dat nodig is;
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
d. als de uitweg is bedoeld om een perceel te ontsluiten dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van de tweede uitweg een openbare parkeerplaats of openbaar groen verdwijnt; of
e. als de uitweg niet voldoet aan de door het college op grond van het derde lid gestelde nadere regels met betrekking tot de afmetingen, de ligging en het materiaalgebruik van uitwegen. 10. De weigeringsgronden van artikel 3.40, tweede lid, van de VFL zijn imperatief en limitatief. Dat betekent dat de omgevingsvergunning móet worden geweigerd als er een weigeringsgrond van toepassing is. Dat betekent ook dat de omgevingsvergunning móet worden verleend als geen van de in artikel 3.40, tweede lid, van de VFL genoemde weigeringsgronden van toepassing is. Er is geen ruimte voor een nadere belangenafweging of het hanteren van een ruimer toetsingskader op dit punt. Is sprake van een weigeringsgrond? 11. Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat door de aanleg van de tweede uitweg er (zonder noodzaak) een openbare parkeerplaats is verdwenen en ook openbaar groen is aangetast, zodat er meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn. Ter zitting heeft het college erop gewezen dat in elk geval de weigeringsgrond onder d. van artikel 3.40, lid 2, van de VFL van toepassing is. Op het perceel is al een andere uitweg aanwezig. De geweigerde uitweg gaat ten koste van een openbare parkeerplaats. Het college kon daarom de gevraagde uitritvergunning niet verlenen.
11. Eisers hebben aangevoerd dat er geen openbare parkeerplaats is verdwenen. In de berm waren geen parkeerplaatsen aanwezig die aan de maten van de CROW norm voldoen. De situatie ter plaatse is dusdanig dat er niet kan en mag worden geparkeerd. Er was alleen sprake van een smalle berm waarop auto’s niet konden parkeren, zonder deels ook op de weg te staan. Het [straat] is een weg ingericht voor bewegend autoverkeer en in de omgeving zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig. Ook hebben eisers aangevoerd dat er geen openbaar groen aanwezig was, en dus geen openbaar groen verloren is gegaan.
11. De rechtbank stelt voorop dat als de aanleg van de tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen, het college de aanleg van de uitweg niet mag toestaan. Voor de beantwoording van de vraag of het college de weigeringsgrond dat ‘de aanleg van de tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats’ juist heeft toegepast, moet worden vastgesteld of de (parkeer)strook voor de woning als een openbare parkeerplaats kan worden aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat de VFL geen definitie bevat van een ‘openbare parkeerplaats’. Uit rechtspraak en wetgeving volgt dat onder een ‘openbare’ parkeerplaats moet worden verstaan ‘een voor een ieder (feitelijk) toegankelijke’ parkeerplaats. Dit brengt met zich mee dat als er op straat mag worden geparkeerd, deze plekken als openbare parkeerplaats zijn aan te merken. Ook volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling dat gelet op het ontbreken van een definitiebepaling in de VFL over het begrip ‘openbare parkeerplaats’ het niet ter zake doet of er al dan niet belijning is aangebracht en/of wat de afmeting is van een parkeerplaats (volgens de CROW-norm of anderszins) voor een auto. In dit geval kon en mocht er feitelijk geparkeerd worden langs de weg vóór het perceel, op de plek waar nu de tweede uitweg is. Het college heeft dat ook aangetoond met foto’s. Door de aanleg van de tweede uitweg vervalt een deel van deze ruimte en daarmee een openbare parkeerplaats.
14. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door de aanleg van de tweede uitweg een openbare parkeerplaats is verdwenen. Het college heeft terecht de omgevingsvergunning geweigerd op grond van artikel 3.40, tweede lid en onder d. Omdat deze weigeringsgrond van toepassing is, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van andere weigeringsgronden en ook niet aan de vraag of er wel of geen openbaar groen aanwezig was. De verwijzing ter zitting door eisers naar de uitspraak van de Afdeling met als vindplaats ECLI:NL:RVS:2022:389 laat de rechtbank onbesproken, omdat hetgeen de gemachtigde van eisers op zitting citeerde niet in die uitspraak staat en de overwegingen van de Afdeling in die uitspraak ook geen ander licht werpen op deze zaak. Strijd met het gelijkheidsbeginsel 15. Eisers hebben aangevoerd dat op diverse percelen in hun omgeving meerdere in- en uitritten per perceel zijn toegestaan. Eisers hebben daarbij in de bezwaarprocedure diverse adressen aangedragen en foto’s overgelegd.
15. Op grond van vaste rechtspraak is het aan eisers om hun beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete gevallen die volgens eisers op relevante punten vergelijkbaar zijn met hun situatie. De rechtbank stelt vast dat eisers zelf geen vergelijkbare gevallen hebben aangedragen. Volgens het college is op maar één van de aangeleverde adressen een omgevingsvergunning voor een tweede uitweg verleend. In dat geval ging er geen openbare parkeerplaats verloren en heeft de afdeling Groen van het college, onder voorwaarden, ingestemd met de omgevingsvergunning. Daarom is geen sprake van een vergelijkbaar geval. Voor de andere door eisers aangedragen percelen is geen omgevingsvergunning verleend. De tweede uitritten op die percelen zijn illegaal. Daarom kunnen daar voor eisers geen rechten aan worden ontleend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet. Conclusie en gevolgen 17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 22.1 en 22.2 van de Ow. artikel 15.1, aanhef en onder b en c van de planregels van het bestemmingsplan. Artikel 3.40, lid 1 van de VFL. Artikel 5.1, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 22.8 van de Ow. zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:721, r.o. 8.1 en van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1239. De uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4213 en de artikelen 4 en 7 van de Wegenwet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2640.