Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:519

Omgevingswet. VoVo omgevingsvergunning voor kappen 30 bomen in Demkabocht Utrecht. Voordeel van de twijfel mbt feitelijke werkzaamheden stichting. Geen aanhaakverplichting dus ecologische gevolgen niet beoordelen bij activiteit kappen. Belang om beschadigde damwand te herstellen weegt zwaarder. Verzoek afgewezen.

Rechtbank Midden-Nederland 9 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:519 text/xml public 2026-03-09T10:00:42 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-06 UTR 26/539 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:519 text/html public 2026-02-26T08:23:55 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:519 Rechtbank Midden-Nederland , 06-02-2026 / UTR 26/539
Omgevingswet. VoVo omgevingsvergunning voor kappen 30 bomen in Demkabocht Utrecht. Voordeel van de twijfel mbt feitelijke werkzaamheden stichting. Geen aanhaakverplichting dus ecologische gevolgen niet beoordelen bij activiteit kappen. Belang om beschadigde damwand te herstellen weegt zwaarder. Verzoek afgewezen.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/539
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?>Stichting Milieugroep Zuilen, gevestigd in Utrecht, verzoekster
(gemachtigde: L.C. Rang),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college), verweerder

(gemachtigde: mr. S.E. Silbermann).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. (vergunninghouder), gevestigd in [vestigingsplaats]

(gemachtigde: T.A. Oskam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het college van 28 november 2025. Met dit besluit heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 30 bomen op de locatie [locatie] in Utrecht. Het college heeft vergunninghouder ook verplicht binnen drie jaar 30 bomen te herplanten (hierna: de herplantplicht).

2. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit en heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat de bomen worden gekapt.

3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster samen met [A] (aangesloten bij verzoekster), de gemachtigde van het college samen met mr. N.J. van Polanen en de gemachtigde van vergunninghouder samen met [B] (als technisch manager werkzaam bij de hoofdaannemer [bedrijf] ).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Is verzoekster belanghebbende?

5. Voor het antwoord op de vraag of verzoekster – die als rechtspersoon opkomt voor een algemeen belang – belanghebbende is bij dit besluit, zijn de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden bepalend.

6. De website van verzoekster geeft enige informatie over de werkzaamheden die zij de laatste jaren heeft verricht. Tijdens de zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij duidelijk aanwezig is in de wijk en zich ook bezighoudt met stankoverlast van het industrieterrein Lage Weide, plannen over windmolens en het kappen/planten van bomen langs de Amsterdamse Straatweg. Voor de voorzieningenrechter is het nog de vraag of verzoekster bij een diepgaander onderzoek voldoet aan de voorwaarden voor de aard en de omvang van de feitelijke werkzaamheden. Een voorlopige voorziening is echter een spoedmaatregel en die procedure biedt maar beperkt ruimte voor een diepgravende beoordeling. Gelet daarop gunt de voorzieningenrechter verzoekster op dit moment op dit punt het voordeel van de twijfel. Het college moet hier in de beslissing op bezwaar nog wel aandacht aan besteden.

Spoedeisendheid verzoek

7. Verzoekster wil de kap van de bomen voorkomen. Vergunninghouder heeft de kapwerkzaamheden uitgesteld, omdat dit verzoek is ingediend. Hij wil de bomen wel liefst zo snel mogelijk kappen, zodat de reparatiewerkzaamheden aan de beschadigde damwand voor het broedseizoen (vanaf half maart 2026) kunnen worden uitgevoerd. Het college verwacht pas begin april 2026 een beslissing op bezwaar te kunnen nemen.

Toetsingskader voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter beoordeelt of het nodig is om de omgevingsvergunning te schorsen totdat het college een beslissing op het bezwaar van verzoekster heeft genomen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als de omgevingsvergunning zo gebrekkig is dat deze in de heroverweging die het college moet maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom eerst de vraag of de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend of niet. Op basis daarvan beoordeelt zij of de belangen van verzoekster om de omgevingsvergunning te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college en vergunninghouder om de omgevingsvergunning in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij deze belangenafweging is voor de belangen van verzoekster.

Toetsingskader besluit

9. Op grond van artikel 8.4 van het Omgevingsplan gemeente Utrecht kunnen burgemeester en wethouders de omgevingsvergunning weigeren:

1. a. als de Utrechtse hoofdbomenstructuur onevenredig wordt geschaad;

als een van de volgende waarden onevenredig worden geschaad:

1. de ecologische waarde van de houtopstand;

2. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

3. de ruimtelijke waarde van de houtopstand; of

4. de milieuwaarde.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ook in verband met de boomwaarde de omgevingsvergunning weigeren.

Rechtmatigheid van het besluit

10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing om al dan niet een

omgevingsvergunning te verlenen een bevoegdheid van het college is, waarbij het college de omgevingsvergunning kan weigeren op grond van de in artikel 8.4 van het Omgevingsplan gemeente Utrecht genoemde weigeringsgronden. Het college heeft beoordelingsruimte bij de vraag of zich een van de weigeringsgronden voordoet en is ook niet verplicht een vergunning te weigeren zodra één van de in dat artikel genoemde waarden aan de orde is. Bij de beslissing om een omgevingsvergunning te verlenen heeft het college beleidsruimte, waarbij hij alle relevante belangen kan meewegen.

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college heeft mogen vinden en voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een van de weigeringsgronden van artikel 8.4 van het Omgevingsplan gemeente Utrecht. Het besluit om de vergunning te verlenen heeft het college gebaseerd op het ARA-rapport van 23 juli 2025 en het advies van 18 november 2025 van de boomdeskundige van de afdeling Beheer Openbare Ruimte van Stadsbedrijven. Het college mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De voorzieningenrechter stelt vast dat in beide stukken is ingegaan op de waarden die deze bomen hebben. De beoordeling van 18 november 2025 is uitgevoerd door een boomtechnisch adviseur die heeft geconcludeerd dat het kappen van de bomen de in artikel 8.4 opgenomen aspecten niet onevenredig schaadt. De boomtechnisch adviseur heeft uiteengezet waarom de bomen geen bovengemiddelde ecologische waarde, milieuwaarde, cultuurhistorische waarde, geen bijzondere ruimtelijke waarde en geen specifieke boomwaarde bezitten. Ook maken de te kappen bomen geen onderdeel uit van de Utrechtse hoofdbomenstructuur. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet had mogen uitgaan van dit advies. Verzoekster stelt weliswaar dat de bomen deze waarden wel hebben en wijst ook op het belang van biodiversiteit maar zij heeft dit standpunt niet met objectieve en verifieerbare gegevens (van een deskundige) onderbouwd. De voorzieningenrechter hecht daarom meer waarde aan de adviezen die het college ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluitvorming.

12. Het betoog van verzoekster dat het besluit is gebaseerd op onvolledig ecologisch

onderzoek slaagt niet. Onder de Omgevingswet is de zogenoemde onlosmakelijke samenhang zoals die gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen te vervallen. Dit heeft tot gevolg dat de voorzieningenrechter nu alleen de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit “kappen” kan beoordelen en niets kan zeggen over flora en fauna-activiteiten. De argumenten van verzoekster over ecologische gevolgen vallen dus buiten de reikwijdte van deze procedure. De argumenten van verzoekster over de herplantplicht zal de voorzieningenrechter ook niet meenemen in deze spoedprocedure. Het college kan daar in zijn heroverweging op bezwaar aandacht aan besteden.

13. Voor zover verzoekster aanvoert dat de gemeente niet deugdelijk heeft gemotiveerd

waarom het kappen van alle bomen noodzakelijk is voor het damwandherstel, overweegt de voorzieningenrechter dat voor het beoordelen van de aanvraag niet is vereist dat een noodzaak voor de kap bestaat. Ook de weigeringsgronden uit artikel 8.4 van het Omgevingsplan gemeente Utrecht vereisen niet dat moet worden onderzocht of kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen. Wel kan dit een rol spelen bij de belangenafweging en de vraag of het kappen van de bomen onevenredig is met het te behalen doel. Vaststaat dat de damwand in de Demkabocht beschadigd is en hersteld moet worden. Vergunninghouder heeft verklaard dat voor dit herstel moet worden gewerkt met groot materieel waardoor het kappen van minder bomen niet mogelijk is. Als de damwand vanaf het water moet worden hersteld, brengt dit veiligheidsrisico’s met zich mee en moet het scheepvaartverkeer deels worden gestremd wat niet wenselijk is omdat het een drukbevaren route is. En ook in dat geval moeten er bomen worden gekapt tot zo’n vier meter uit de oever. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op basis daarvan heeft mogen concluderen dat het belang van verzoekster bij het behoud van de niet als waardevol aangeduide bomen minder zwaar weegt dan het belang van vergunninghouder bij het herstel van de damwand en dus bij het kappen van de bomen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de beslissing om 30 bomen te kappen in bezwaar in stand zal blijven en het besluit rechtmatig is.

Belangenafweging bij het treffen van een voorlopige voorziening

14. Wat verzoekster heeft aangevoerd, geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om te

verwachten dat het besluit na heroverweging in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster de aanwezigheid van dit groen aan de

overkant van de wijk waardeert. Het college heeft de aanvraag echter beoordeeld aan de hand van artikel 8.4 van het Omgevingsplan gemeente Utrecht en heeft mogen aannemen dat de daar genoemde waarden niet aan de orde zijn. De conclusie van de voorzieningenrechter is dan ook dat, ondanks de onomkeerbaarheid van de kap, het besluit in bezwaar in stand zal blijven en het belang van vergunninghouder bij herstel van de damwand zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij boombehoud.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat vergunninghouder

gebruik mag maken van de verleende omgevingsvergunning en de bomen dus mag kappen.

Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen