Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:1369

Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die aan eisers 2 is opgelegd. De last ziet op het verwijderen en het verwijderd houden van een aanbouw (het atelier), inclusief dakterras, schutting en buitentrap en een damwand die ten behoeve van de aanbouw direct achter de woning is gerealiseerd op de erfgrens met het naastgelegen perceel. Zowel eiser 1 als eisers 2 zijn het niet eens met deze ...

Rechtbank Noord-Holland 17 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:1369 text/xml public 2026-02-17T11:35:17 2026-02-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-05 25/341 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1369 text/html public 2026-02-17T11:31:48 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:1369 Rechtbank Noord-Holland , 05-02-2026 / 25/341
Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die aan eisers 2 is opgelegd. De last ziet op het verwijderen en het verwijderd houden van een aanbouw (het atelier), inclusief dakterras, schutting en buitentrap en een damwand die ten behoeve van de aanbouw direct achter de woning is gerealiseerd op de erfgrens met het naastgelegen perceel. Zowel eiser 1 als eisers 2 zijn het niet eens met deze last. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom niet voldoende duidelijk is geformuleerd. Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond."
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 25/341 en 25/347
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaken tussen (in zaak 25/341) [eiser 1] , uit [plaats] , eiser 1
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,
(gemachtigde: V. van Toledo).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [plaats]

(gemachtigde: mr. Z.P. Kruiver-Millenaar)

en

(in zaak 25/347)

[derde-partij] , uit [plaats] , eisers 2

(gemachtigde: mr. Z.P. Kruiver-Millenaar),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,
(gemachtigde: V. van Toledo).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [eiser 1] , uit [plaats]
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die aan eisers 2 is opgelegd. De last ziet op het verwijderen en het verwijderd houden van een aanbouw (het atelier), inclusief dakterras, schutting en buitentrap en een damwand die ten behoeve van de aanbouw direct achter de woning is gerealiseerd op de erfgrens met het perceel aan de [adres 1] . Zowel eiser 1 als eisers 2 zijn het niet eens met deze last. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank beide beroepen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom niet voldoende duidelijk is geformuleerd. Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 24 oktober 2023 heeft eiser 1 een verzoek om handhaving ingediend bij het college ten aanzien van de aanbouw (het atelier) met dakterras, de schutting, de buitentrap en de damwand op het perceel van eisers 2 aan de [adres 2] in [plaats] .
2.1.
Op 4 juni 2024 heeft het college aan eisers 2 een last onder dwangsom opgelegd (het primaire besluit).
2.2.
Zowel eiser 1 als eisers 2 hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
Naar aanleiding van de bezwaren heeft het college op 8 augustus 2024 een hercontrole op de percelen van eisers laten plaatsvinden.
2.4.
Met het bestreden besluit van 13 december 2024 op de bezwaren van eiser 1 en eisers 2 is het college bij het primaire besluit gebleven.
2.5.
Eiser 1 en eisers 2 hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Het college heeft op 7 februari 2025 op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
Op 26 februari 2025 (HAA 25/382) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak op de beroepen van eisers. De voorzieningenrechter heeft hieraan de voorwaarde verbonden dat eisers 2 geen gebruik maken van het terras voor zover gelegen boven het atelier.
2.8.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1 en [naam] , alsmede de gemachtigde van eiser 1, de gemachtigde van het college, eisers 2 en de gemachtigde van eisers 2.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht

3. De rechtbank stelt voorop dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) van toepassing is op het bestreden besluit. De Wabo is in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 vervallen maar omdat het handhavingsverzoek vóór 1 januari 2024 is ingediend, zijn op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet de regels uit de Wabo nog wel op het bestreden besluit van toepassing, mits onder het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding.

Situatieschets

4. Eisers 2 wonen op de [adres 2] in [plaats] . Eiser 1 woont op het naastgelegen perceel op de [adres 1] . De woning van eisers 2 is in 2015 gebouwd. De woning is op een dijk gebouwd waarbij de tuin achter de woning lager ligt dan de woning zelf. Bij de vergunning voor de bouw van de woning is ook een aanbouw van 26 m2 aan de achterkant van de woning vergund. Verder zijn tegelijk met de bouw van de woning een aangebouwde garage van 16 m² en een losstaande schuur van 26,3 m² achterin de tuin gerealiseerd. Tijdens de bouw in 2015 is (onvergund) ook een damwand geplaatst. De damwand is geplaatst om de dijk waarop de woning en de aanbouw staan, op zijn plaats te houden. In 2023 hebben eisers 2 een atelier laten bouwen in hun tuin met daarop een dakterras met schutting en trap. Ten behoeve van het atelier is het talud (deels) afgegraven. Bij de bouw van het atelier is het terras achter de woning vervangen voor één betonnen plaat die op het talud achter de woning begint en doorloopt over het dak van het atelier. Hierdoor sluit het terras achter de woning aan op het dak van het atelier waardoor één groot terras is ontstaan dat dus ten dele bovenop het atelier is gelegen. Voor de realisatie van de damwand, het atelier en het terras is geen omgevingsvergunning aangevraagd.

De last onder dwangsom/het primaire besluit

5. Deze last houdt in dat eisers 2 de aanbouw op het souterrainniveau, inclusief dakterras, de schutting en de buitentrap die daarvan deel uitmaken, aan de achterzijde van de woning aan de [adres 2] en de damwand die is gerealiseerd op de erfgrens met het perceel aan de [adres 1] dienen te verwijderen en verwijderd te houden. Als eisers 2 dit niet voor het einde van de begunstigingstermijn doen, verbeuren zij een dwangsom van € 8000,- ineens voor het niet verwijderen van de aanbouw en € 1700,- ineens voor het niet verwijderen van de damwand.

Het bestreden besluit

6. Het college handhaaft in het bestreden besluit deze last onder dwangsom, onder overneming van de overwegingen van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften (verder: adviescommissie) van 4 december 2024. Het primaire besluit wordt, onder verbetering van de maatvoering en de juridische grondslag, in stand gehouden.

7. De adviescommissie overweegt dat het college mag uitgaan van de juistheid van het constateringsrapport van 8 augustus 2024 dat is opgesteld na een hercontrole op de percelen van eisers. Uit het rapport van 8 augustus 2024 volgt dat sprake is van een overtreding omdat de maximaal te bebouwen oppervlakte als bedoeld in artikel 2, aanhef en derde lid, onder f van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) met 30,7 m² is overschreden. De trap wordt door de adviescommissie ook meegerekend als bouwwerk, waardoor de maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken met 45,72 m2 wordt overschreden. Deze aanwezige bebouwing is daarom volgens de adviescommissie niet vergunningvrij. De damwand is volgens de adviescommissie zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning gebouwd omdat deze in strijd is met het bestemmingsplan en gelet op artikel 2, dertiende lid, van bijlage II van het Bor kan deze niet vergunningvrij worden gerealiseerd. Voor het bouwen van de aanbouw (atelier) met dakterras is eveneens een omgevingsvergunning nodig op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Op grond hiervan is het college bevoegd en in beginsel ook verplicht om handhavend op te treden. Volgens de adviescommissie is er geen concreet zicht op legalisatie omdat er geen aanvraag om een omgevingsvergunning voorligt. Verder zijn er geen andere bijzondere omstandigheden aangedragen op grond waarvan het college aanleiding zou moeten zien om af te zien van haar bevoegdheid om handhavend op te treden. De adviescommissie adviseert het college om aan eisers 2 de keuze te laten op welke wijze de bouwwerken worden teruggebracht tot de maximale vergunningvrije oppervlakte. Verder behoeft de maatvoering en de juridische grondslag aanpassing, zoals in het advies is aangegeven.

Is de last voldoende duidelijk?

8. Eisers 2 voeren aan dat last onder dwangsom te verstrekkend geformuleerd is. Dit omdat wordt gelast dat zij het atelier inclusief dakterras, de schutting en de buitentrap verwijderen terwijl het volgens hen mogelijk is om de overtreding te beëindigen op een minder ingrijpende manier. Zo kunnen zij er bijvoorbeeld ook voor kiezen om een deel van de overige bouwwerken op hun perceel te verwijderen waarmee de bebouwde oppervlakte wordt teruggebracht tot een vergunningvrije situatie. Ook is het eisers 2 niet duidelijk welke damwand precies wordt bedoeld in de last. Eiser 1 stelt zich ook op het standpunt dat de last niet voldoende duidelijk geformuleerd is. Eiser 1 wil dat eisers 2 in ieder geval het atelier met daarop het dakterras verwijderen en stelt dat het niet mogelijk mag zijn dat eisers 2 op een andere manier aan de last voldoen.
8.1.
Deze beroepsgronden slagen voor zover wordt aangevoerd dat de last onder dwangsom in het bestreden besluit niet voldoende concreet en duidelijk is geformuleerd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vereisen artikel 5:32a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het rechtszekerheidsbeginsel dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit, door slechts in zijn algemeenheid te verwijzen naar het advies van de adviescommissie, niet duidelijk genoeg uitgelegd op welke punten sprake is van een overtreding en wat eisers 2 moeten doen om de overtredingen te beëindigen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
8.2.
Het college laat na in het bestreden besluit de last te herformuleren met vermelding van de relevante bepalingen uit de Wabo. Het college laat verder na in het bestreden besluit de maatvoering te verbeteren en deze verbetering concreet in de last onder dwangsom te verwerken. Voorts laat het college in het bestreden besluit na de last onder de dwangsom zodanig te wijzigen dat eisers 2 de keuze wordt gelaten op welke wijze de bouwwerken kunnen worden teruggebracht tot de maximale vergunningvrije oppervlakte en ten aanzien van welke bouwwerken de keuzemogelijkheid geldt. Verder blijkt uit het advies van de adviescommissie dat in ieder geval een omgevingsvergunning is vereist voor de bouw van het dakterras en voor bouw van de damwand. Eiser 1 stelt dus terecht dat niet duidelijk is welke bouwwerken vergunningsplichtig zijn vanwege een overschrijding van de maximale vergunningvrije oppervlakte en voor welke bouwwerken hoe dan ook een omgevingsvergunning vereist is, waardoor ten aanzien van deze bouwwerken geen keuzemogelijkheid geldt. Onduidelijk is ook of het college het standpunt uit het primaire besluit wil handhaven dat het atelier niet op de grond gelegen is maar deels in het talud van de dijk ligt en daarom in strijd is met artikel 22.27, onder a, van het Omgevingsplan. In het advies van de adviescommissie is deze overtreding niet benoemd waardoor niet duidelijk is of deze conclusie gehandhaafd wordt en zo ja, op welke juridische grond, nu niet de Omgevingswet maar de Wabo van toepassing is. Gelet op al het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank de last onder dwangsom zoals in het bestreden besluit gehandhaafd om meerdere redenen onduidelijk en genomen in strijd met de rechtszekerheid en artikel 5:32a van de Awb.
8.3.
Beide beroepen zijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gegrond. In beginsel is er daarom geen aanleiding om de overige beroepsgronden nog inhoudelijk te behandelen. Het is immers eerst aan het college om inzichtelijk te maken op welke punten sprake is van een overtreding en aan te geven wat eisers 2 moeten of kunnen doen om de overtredingen te beëindigen. Pas daarna kan de rechtbank beoordelen of de overtredingen juist zijn geconstateerd, of de handhaving evenredig is en of de hoogte van de dwangsom juist is.

Proceseconomie

9. Uit oogpunt van proceseconomie ziet de rechtbank wel aanleiding om een aantal van de overige aangevoerde beroepsgronden te bespreken. Ten eerste ten aanzien van de juridische kwalificatie van het atelier en het daarop gelegen terras. Eisers 2 voeren aan dat het terras direct achter hun woning en voor zover het niet bovenop het atelier gelegen is, niet kan worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk waardoor de oppervlakte van dit deel van het terras niet kan worden meegenomen bij de berekening van het maximaal te bebouwen oppervlakte als bedoeld in artikel 2, aanhef en derde lid, onder f van Bijlage II van het Bor.
9.1.
De rechtbank wijst erop dat bouwwerken samen als één bouwwerk worden aangemerkt als ze functioneel en fysiek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In het onderhavige geval bestaat het terras achter de woning uit een betonnen plaat die voor een deel op een fundering op het talud van de dijk ligt en voor een deel op het atelier ligt. Dit terras is, voor zover niet direct op het atelier gelegen, wel functioneel en fysiek onlosmakelijk verbonden met het deel van het terras dat wél op het atelier gelegen is. Eisers 2 hebben ook niet betwist dat zij beide delen van het terras gebruikten als één groot terras. Omdat het dakterras op het atelier geen afzonderlijk bouwwerk is maar wordt aangemerkt als onderdeel van het gebouw eronder, en het terras direct achter de woning functioneel en fysiek onlosmakelijk verbonden is met het dakterras op het atelier, moet het geheel van atelier en terras naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als één bijbehorend bouwwerk. Dit betekent dat de gehele oppervlakte van het terras moet worden meegenomen bij de berekening van de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in de zin van artikel 2, aanhef en derde lid, onder f van Bijlage II van het Bor.

10. Eveneens uit oogpunt van proceseconomie bespreekt de rechtbank de volgende beroepsgrond van eiser 1. Eiser 1 stelt dat het college de oppervlakte van de aanbouw direct achter de woning ten onrechte niet meerekent bij de maximaal te bebouwen oppervlakte. Volgens eiser 1 maakt deze aanbouw geen onderdeel uit van het oorspronkelijke hoofdgebouw omdat het buiten het bouwvlak is gebouwd. Dit volgt volgens eiser 1 uit de systematiek van het bestemmingsplan.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college terecht, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie, dat de aanbouw direct achter de woning onderdeel uitmaakt van het oorspronkelijke hoofdgebouw. Dit omdat het oorspronkelijke hoofdgebouw het hoofdgebouw is zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd. De omstandigheid dat de aanbouw buiten het bouwvlak is gebouwd, maakt dit niet anders.
Conclusie en gevolgen
11. Beide beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met de rechtszekerheid en artikel 5:32a van de Awb.
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen op de bezwaren met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
11.2.
De rechtbank ziet voorts aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, ambtshalve de voorlopige voorziening te treffen zoals eerder is getroffen in de zaak onder nummer HAA 25/382. Deze voorlopige voorzienig geldt totdat het college opnieuw een besluit heeft genomen op de bezwaren van eisers en dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.
11.3.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eiser 1 en eisers 2 vergoeden.
11.4.
Eisers 2 krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers 2 als beroepsmatige rechtsbijstandverlener een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn geen kosten opgegeven die vergoed kunnen worden.
11.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een beslissing over vergoeding van proceskosten van eiser 1 te nemen omdat niet is gesteld of gebleken dat hij proceskosten heeft gemaakt.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 december 2024;

- bepaalt dat het college binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren van eiser 1 en eisers 2 neemt, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

- schorst het primaire besluit van 4 juni 2024 tot een nieuw besluit op de bezwaren van eiser 1 en eisers 2 is genomen en dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt en verbindt hieraan de voorwaarde dat eisers 2 geen gebruik maken van het terras voor zover gelegen boven het atelier;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser 1 en eisers 2 moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers 2.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, waarvan de getroffen voorlopige voorziening deel uitmaakt, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie rechtsoverweging 9.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:169.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:241.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2934.

Artikel delen