Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:2447

Het beroep is ongegrond. Het college mocht de omgevingsvergunning voor het realiseren van drie padelbanen verlenen, omdat de aanvraag van vergunninghoudster binnen het omgevingsplan past.

Rechtbank Noord-Holland 12 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:2447 text/xml public 2026-03-12T09:52:08 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-27 HAA 24/6741 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2447 text/html public 2026-03-12T09:34:16 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2447 Rechtbank Noord-Holland , 27-02-2026 / HAA 24/6741
Het beroep is ongegrond. Het college mocht de omgevingsvergunning voor het realiseren van drie padelbanen verlenen, omdat de aanvraag van vergunninghoudster binnen het omgevingsplan past.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/6741
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres 1] , [eiseres 2] en [eiseres 3] ,
allen uit [plaats] , eiseressen

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder
(gemachtigde: mr. D.A.E. van der Gragt).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] . uit [plaats] (vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseressen tegen het verlenen van de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het realiseren van drie padelbanen. Eiseressen zijn het niet eens met het besluit om deze omgevingsvergunning te verlenen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning aan vergunningshoudster mocht verlenen, omdat de aanvraag van vergunninghoudster past binnen het omgevingsplan. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4. wordt het bestreden besluit kort samengevat. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Heeft vergunninghoudster een aanvraag gedaan in strijd met de participatieverplichting op grond van artikel 7.4 van de Omgevingsregeling? Is de besluitvorming van het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb))? Is het bestreden besluit genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 van de Awb)? Is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb, omdat de wethouder vooringenomen was? Had het college de vraag of wordt voldaan aan de regels die gelden voor flora en fauna bij zijn besluitvorming moeten betrekken? Had het college bij de besluitvorming moet betrekken dat er een alternatieve locatie voor de padelbanen mogelijk was? Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Vergunninghoudster heeft op 24 januari 2024 een omgevingsvergunning gevraagd om drie padelbanen te realiseren. Het college heeft met het besluit van 14 mei 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen/plaatsen van een bouwwerk’.
2.1.
Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 3 september 2024 op het bezwaar van eiseressen heeft het college het besluit van 14 mei 2024, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.
2.2.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen, de gemachtigde van het college en vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. [naam 1] en [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden

3. Vergunninghoudster drijft de Padel & Racketclub op het perceel [adres] in [plaats] . Op dit perceel bevonden zich vier tennisbanen en drie beachvolleybalvelden. De aanvraag van 24 januari 2024 is erop gericht om twee van de tennisbanen te vervangen door drie padelbanen. Eiseressen betwisten niet dat het bouwplan past binnen de in het omgevingsplan aan de locatie toegekende bestemming ‘Sport’. Gronden met de bestemming ‘Sport’ zijn onder andere bestemd voor sport- en speelvoorzieningen met de bijbehorende gebouwen, bouwwerken en andere voorzieningen.

Het bestreden besluit

4. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning gekregen voor het realiseren van drie padelbanen op het terrein aan het [adres] in [plaats] . De vergunning heeft betrekking op een omgevingsplanactiviteit in de zin van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (hierna: Ow), te weten: het bouwen/plaatsen van een bouwwerk.
4.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning verleend, omdat de aanvraag past binnen de bepalingen van het omgevingsplan ‘gemeente Den Helder ’ (hierna: het omgevingsplan), de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt aangetast en geen sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand. Het college is binnenplans afgeweken van artikel 31.5.3, onder a, van het bestemmingsplan ‘Huisduinen en de Stelling 2015’. Het college heeft naar aanleiding van een positief advies van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) toepassing gegeven aan artikel 31.5.4 van het bestemmingsplan ‘Huisduinen en de Stelling 2015’. Het college is ook binnenplans afgeweken van artikel 4.1 van het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2021. Het college stelt dat in de omgeving voldoende capaciteit is om in de parkeerbehoefte te voorzien en heeft daarom artikel 4.2 van het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2021 toegepast.

Heeft vergunninghoudster een aanvraag gedaan in strijd met de participatieverplichting op grond van artikel 7.4 van de Omgevingsregeling?

5. Eiseressen voeren aan dat niet is voldaan aan de participatieverplichting die volgt uit artikel 7.4 van de Omgevingsregeling in samenhang met het beleid van het college dat deze verplichting invult. De uitnodiging voor de informatiebijeenkomst die door vergunninghoudster is georganiseerd bevatte verkeerde informatie. Volgens de uitnodiging zou het gaan om de aanleg van twee padelbanen, terwijl uit de stukken is gebleken dat het altijd de intentie is geweest om drie banen te realiseren. Dit is een relevant verschil gelet op de geluidshinder die padelbanen veroorzaken. Verder heeft de bijeenkomst slechts 30 minuten geduurd en waren er maar zes bewoners uitgenodigd.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 7.4 van de Omgevingsregeling een verplichting voor de aanvrager bevat om aan te geven of, en zo ja hoe, hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten daarvan zijn. Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling bevat niet een verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. De invulling van de participatie is dan ook aan de aanvrager. Bij de beoordeling van de aanvraag is niet relevant hoe de aanvrager de participatie heeft ingevuld. Tot slot stelt het college dat de aanvraag op 9 februari 2024 is gepubliceerd en dat is aangegeven dat het ging om de aanleg van twee of drie padelbanen. Uit de brief van eiseressen van 14 december 2023 blijkt dat op de informatiebijeenkomst is gesproken over twee padelbanen met de mogelijkheid om uit te breiden tot vier.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op voorgaand standpunt gesteld. Eventuele beleidsregels gelden voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Vergunninghoudster heeft een aanvraag gedaan voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de besluitvorming van het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb))?

6. Eiseressen voeren aan dat het college het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid omdat het onvoldoende kennis heeft genomen van de zorgen van eiseressen. Eiseressen hebben herhaalde pogingen gedaan om in contact te komen met de betrokken wethouder, maar het is nooit van een gesprek gekomen. Eiseressen wijzen in dit kader ook op het verslag van de hoorzitting in bezwaar, waar de vertegenwoordiger van het college heeft aangegeven dat het feit dat geen reactie is gegeven op de brieven van eiseressen niet is zoals het hoort. De vertegenwoordiger van het college heeft toen tevens aangegeven dat de informatie en contactbehoefte van de bewoners verder gebracht zou worden binnen de organisatie. Door niet in gesprek te gaan met eiseressen en ook niet schriftelijk op de brieven van eiseressen te reageren, is geen sprake geweest van een zorgvuldige voorbereiding in de zin van artikel 3:2 van de Awb.
6.1.
Het college wijst erop de aanvraag te hebben getoetst aan het relevante toetsingskader. Daarnaast was bekend dat er zorgen waren vanuit omwonenden met betrekking tot het geluid. Vergunninghoudster heeft daarom onverplicht een akoestisch onderzoek laten uitvoeren. Uit dit onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de geluidsnormen in het omgevingsplan. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het feit dat de communicatie richting eiseressen niet naar hun wens is gelopen spijtig is en dat dit in de bezwaarfase ook is erkend. Dit leidt echter niet tot strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Voor zover dat wel het geval zou zijn, hebben eiseressen in de bezwaarfase voldoende mogelijkheid gehad om hun zorgen kenbaar te maken.
6.2.
Artikel 3:2 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Het geluid waar eiseressen zich zorgen over maken, is geen onderdeel van het toetsingskader voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Mogelijke geluidshinder voor omwonenden is dan ook niet een relevant belang dat door het college meegewogen moet worden op grond van artikel 3:2 Awb. De rechtbank volgt daarom het standpunt van het college dat het voldoende beeld had van de relevante feiten en af te wegen belangen en dat het besluit niet in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Is het bestreden besluit genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 van de Awb)?

7. Eiseressen voeren aan dat het college in de belangenafweging te weinig rekening heeft gehouden met de belangen van eiseressen en daarmee ook in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel in de zin van artikel 3:4 Awb. De nadelige gevolgen die de aanleg van padelbanen zouden hebben op de directe woonomgeving van eiseressen zijn te weinig meegewogen door het college. Eiseressen geven aan zich zorgen te maken dat de padelbanen de rust in hun directe leefomgeving zullen verstoren. Er is door 187 mensen een initiatief ondertekend waaruit blijkt dat deze zorgen onder veel omwonenden leven. Het college had dit signaal niet naast zich neer mogen leggen. Eiseressen voeren in dit kader ook aan dat er vanuit de directe omgeving geen vraag is naar padelbanen. Daarnaast is het geluid van een padelbaan niet te vergelijken met het geluid van een tennisbaan.
7.1.
Het college herhaalt het standpunt dat het bouwplan binnen het omgevingsplan past en dat de vergunning daarom in principe moet worden verleend. Er is door vergunninghoudster onderzoek uitgevoerd naar het geluid, hoewel dit niet noodzakelijk was voor de beoordeling van de vergunning. Dit is gedaan naar aanleiding van zorgen van omwonenden. Er is niet gebleken dat de aanleg van de padelbanen nadelige gevolgen zou hebben voor eiseressen die niet in verhouding staan tot de met het besluit te dienen doelen.
7.2.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl volgt dat als een activiteit niet in strijd is met de regels in het omgevingsplan, de vergunning moet worden verleend. Er is dan sprake van een gebonden beschikking. De regels voor een (binnenplanse) omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen zijn opgenomen in artikel 22.29 van het Omgevingsplan. Uit dit artikel volgt dat de omgevingsvergunning wordt verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die het omgevingsplan stelt voor de activiteit bouwen en als het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Er is geen sprake van een bodemgevoelige locatie. Eiseressen betwisten niet dat het bouwplan voldoet aan artikel 22.29 van het Omgevingsplan. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het standpunt van het college dat er bij de beoordeling geen ruimte is voor een verdere belangenafweging. Voor zover de beroepsgronden van eiseressen zien op het mogelijk overtreden van de geluidsnormen, de inhoud van het akoestisch rapport en de opmerkingen van de Omgevingsdienst in dit verband, geldt dat deze buiten de omvang van dit geding vallen. De beroepsgrond slaagt niet.

Is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb, omdat de wethouder vooringenomen was?

8. Eiseressen voeren aan dat de betrokken wethouder vooringenomen is geweest bij het nemen van het besluit. De wethouder is zelf een liefhebber van (racket)sport en heeft dit bewust of onbewust mee laten wegen bij haar overwegingen omtrent de padelbanen. Eiseressen verwijzen in dit verband ook naar een opmerking tijdens de hoorzitting dat ‘de wethouder ook graag een multi-sportparkje wilde’.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het verlenen van een omgevingsvergunning niet de bevoegdheid is van één enkele wethouder. Of die wethouder een liefhebber is van racketsport is dan ook niet relevant. Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning is getoetst aan het geldende toetsingskader en dat het college van mening is dat de aanvraag past binnen dit toetsingskader. De vergunning moest daarom worden verleend. De persoonlijke voorkeuren van leden van het college maken geen onderdeel uit van de overwegingen die in dit kader zijn gemaakt.
8.2
De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 2:4 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid moet uitvoeren. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat het college bij het nemen van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning vooringenomen was. Binnen het geldende toetsingskader is ook geen ruimte voor persoonlijke voorkeuren van een wethouder.

Had het college de vraag of wordt voldaan aan de regels op grond van de flora- en faunawet bij zijn besluitvorming moeten betrekken?

9. Eiseressen voeren aan dat voor het gebruik van padelbanen moet worden voldaan aan de flora en faunawet (de rechtbank begrijpt: Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (het Bal)). Het college stelt dat hieraan wordt voldaan, maar eiseressen hebben geen toetsbare informatie in dit verband gezien. Het gedeelte van de dijk waar de padelbanen zijn voorzien is een rustig stukje natuur. Deze natuur dreigt te worden verstoord door het geluid van de padelbanen. Eiseressen hebben het college al in een vroeg stadium gewezen op de mogelijke gevolgen van het geluid voor de natuur.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat een omgevingsvergunning alleen geweigerd kan worden op grond van de weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 22.29 van het omgevingsplan. Daarnaast geldt dat de omgevingsvergunning alleen gebruikt mag worden als vergunninghoudster voldoet aan de regels die gelden ten aanzien van een flora- en fauna-activiteit. Het college wijst in dit verband op de zorgplicht die is neergelegd in artikel 11.27 van het Bal. In dit kader is in de bezwaarfase advies gevraagd aan de Omgevingsdienst. Naar aanleiding van dit advies heeft vergunninghoudster maatregelen getroffen, waardoor is voldaan aan die zorgplicht. Verder stelt het college zich op het standpunt dat de provincie Noord-Holland het bevoegd gezag is als het gaat om de vraag of voor de padelbanen een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is vereist. Het college beschikt niet over informatie waaruit blijkt of eiseressen voldoen aan de regels met betrekking tot flora en fauna en kan deze informatie dan ook niet aan eiseressen verstrekken. Nu het college in deze niet het bevoegd gezag is, zou een gesprek met eiseressen over dit onderwerp ook geen verschil maken in het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning voor het aanleggen van de padelbanen.
9.2.
De rechtbank overweegt dat met inwerkingtreding van de Omgevingswet de aanhaakverplichting en onlosmakelijke samenhang tussen een bouwactiviteit en een flora- en fauna-activiteit is komen te vervallen. Dat betekent dat de vraag of voor het gebruik van de padelbanen een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten is vereist en of deze kan worden verleend, buiten de omvang van dit geding valt. Dit laat onverlet dat vergunningen in het kader van flora en fauna en geluid mogelijk wel vereist zijn om de padelbanen te kunnen gebruiken. Dit heeft de commissie ook opgemerkt in haar advies. Dit advies heeft het college overgenomen in het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.

Had het college bij de besluitvorming moeten betrekken dat er een alternatieve locatie voor de padelbanen mogelijk was?

10. Eiseressen voeren ten slotte aan dat onduidelijk is waarom ervoor is gekozen om de padelbanen aan te leggen op de plek van de tennisbanen die het dichtst bij de woningen zijn gelegen. Het alternatief om de padelbanen aan te leggen op de plek van de tennisbanen die dertig meter verder van de woningen zijn gelegen zou in verband met het geluid de voorkeur hebben gehad.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat het de aanvraag moet beoordelen zoals deze is ingediend. Op grond van het geldende bestemmingsplan “Huisduinen en de Stelling 2015” rust op het betreffende perceel de bestemming ‘Sport’. De padelbanen zijn op grond van het bestemmingsplan toegestaan op de aangevraagde locatie.
10.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht

Artikel 2:4, eerste lid

Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:4, tweede lid

De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

De omgevingswet

artikel 5.1, eerste lid, onder a

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit;

De omgevingsregeling

Artikel 7.4, eerste lid

Bij de aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken.

Artikel 7.4, tweede lid

Als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.0a, eerste lid

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

Het omgevingsplan ‘gemeente Den Helder ’

Artikel 22.29, eerste lid

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;

het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Vgl. de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 april 2024, r.o. 10.4, ECLI:NL:RBGEL:2025:2979

Vgl. de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 juli 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:4593.

Artikel delen