Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:3064

De uitspraak gaat over de afwijzing om handhavend op te treden tegen twee plantenbakken op een perceel van de gemeente, naast dat van eiseres. Eiseres wil het perceel met de plantenbakken gebruiken als in-en uitrit vanaf haar eigen perceel. De plantenbakken belemmeren dat. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Er is geen sprake van een overtreding. Het college hoeft daarom niet han...

Rechtbank Noord-Holland 30 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:3064 text/xml public 2026-03-30T13:00:02 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-24 HAA 25/2018 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3064 text/html public 2026-03-26T11:28:05 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3064 Rechtbank Noord-Holland , 24-03-2026 / HAA 25/2018
De uitspraak gaat over de afwijzing om handhavend op te treden tegen twee plantenbakken op een perceel van de gemeente, naast dat van eiseres. Eiseres wil het perceel met de plantenbakken gebruiken als in-en uitrit vanaf haar eigen perceel. De plantenbakken belemmeren dat. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Er is geen sprake van een overtreding. Het college hoeft daarom niet handhavend op te treden. Er kleeft wel een beperkt gebrek aan het advies van de bezwarencommissie omdat de voorzitter dit niet heeft ondertekend. De rechtbank heeft dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb gepasseerd.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/2018
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit Bergen (NH), eiseres
gemachtigde: Nedralux B.V.,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen
gemachtigde: mr. R.A. van Dijk, in dienst van BUCH.
Samenvatting 1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing om handhavend op te treden tegen twee plantenbakken op een perceel naast een perceel van eiseres. Eiseres is het niet eens met de weigering op te treden. De plantenbakken belemmeren het door haar gewenste gebruik van het perceel waar de bloembakken op staan, als in-/uitrit vanaf haar perceel.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen sprake is van een overtreding en dat het college daarom terecht het verzoek van eiseres om handhaving heeft afgewezen. Er kleeft wel een beperkt gebrek aan het advies van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Bergen (hierna: de commissie) omdat de voorzitter het advies niet heeft ondertekend. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2.1
Eiseres heeft bij het college op 22 augustus 2024 een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen twee door de gemeente geplaatste plantenbakken.
2.2
Op 28 augustus 2024 heeft het Team Toezicht, Handhaving en Veiligheid een inspectie ter plaatse uitgevoerd en de bevindingen daarvan neergelegd in het verslag van waarneming van 2 september 2024.
2.3
Het college heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 28 oktober 2024 afgewezen.
2.4
Hiertegen heeft eiseres op 7 december 2024 bezwaar gemaakt. De commissie heeft advies uitgebracht, gedateerd 25 maart 2025. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.5
Eiseres heeft op 14 april 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en bij brief van gelijke datum de gronden van haar beroep aangevuld.
2.6
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, Nedralux B.V., vertegenwoordigd door haar indirect bestuurder [naam 1] en de gemachtigde van het college.
2.7
De gemachtigde van eiseres heeft na de zitting, zoals daar besproken, per mail van 10 februari 2026 de rechtbank twee op haar betrekking hebbende uittreksels uit de Kamer van Koophandel toegestuurd. Daaruit blijkt dat [naam 1] enig aandeelhouder en enig bestuurder is.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding en vaststaande feiten
3.1
Eiseres is op 25 juni 2021 eigenaar geworden van het pand [adres] (hierna: het pand). Zij verhuurt het pand sinds 21 september 2022 aan Auto & Bergingscentrale [naam 2] (hierna: de huurder), die het pand als autogarage gebruikt.
3.2
Het pand hoorde voor de verkoop bij het perceel [perceel 1] en had via dat perceel een uitrit naar een openbare weg, te weten de Karel de Grotelaan. Bij het pand hoort geen publiekrechtelijk vergunde in- en uitweg voor auto’s. De huurder wil voor zijn bedrijfsvoering vanuit het pand de openbare weg, het Plein, met de auto kunnen bereiken, en vice versa. Hiervoor maakt hij gebruik van een belendend perceel, kadastraal bekend als gemeente Bergen (NH) [perceel 2] , dat in eigendom is van de gemeente Bergen en is gelegen achter en rondom onder meer de Bergense Harmonie en onder meer gebruikt wordt voor parkeren en groenvoorzieningen (hierna gemakshalve aangeduid met: het parkeerperceel). Om het parkeerperceel met de auto te kunnen bereiken heeft eiseres, althans haar huurder, een daar aanwezige schutting op of nabij de perceelsgrens tussen haar pand en het parkeerperceel deels gesloopt.
3.3
De gemeente heeft eiseres eerder te kennen gegeven dat zij niet instemt met het gebruik van haar parkeerperceel om met de auto te gaan naar en van het pand. Bij besluit van 12 juli 2023 had het college eiseres een last onder dwangsom opgelegd die ertoe strekte dat eiseres dan wel haar huurder het gebruik van het parkeerperceel als in- en uitweg staakte en gestaakt hield. Na advies van een commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Bergen van 16 oktober 2023 heeft het college dit besluit herroepen.
3.4
In augustus 2024 heeft de gemeente twee plantenbakken geplaatst aan de westelijke kant van het parkeerperceel nabij de plek waar eiseres de schutting heeft weggesloopt om het pand met de auto te kunnen bereiken. De plantenbakken zijn één meter bij één meter groot en 0,8 meter hoog en gevuld met (niet meer dan) aarde. De strook grond, onderdeel van het parkeerperceel, dat direct grenst aan het pand, heeft op grond van het omgevingsplan Bergen, waarvan het bestemmingsplan ‘Harmonielocatie’ onderdeel uitmaakt, de bestemming ‘Groen’ (hierna kortweg aan te duiden als: het bestemmingsplan). De plantenbakken bevonden zich op enkele meters van de gevel van het pand en waren zodanig gesitueerd dat vanuit het pand niet met een auto over het parkeerperceel kon worden gereden, en vice versa.
3.5
Hangende het bezwaar heeft de gemeente de plantenbakken iets verplaatst, zodat een auto het pand via het parkeerperceel kan bereiken. De gemeente wil de bakken echter weer terugplaatsen, als onderhavige uitspraak daar niet aan in de weg staat.

Het bestreden besluit

4. In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres onder verwijzing naar het advies van de commissie ongegrond verklaard en de weigering tot handhaving over te gaan in stand gelaten. Het college stelt zich op het standpunt dat de plantenbak geen bouwwerken zijn, zodat voor het bouwen daarvan geen omgevingsvergunning is vereist, maar als de bakken wel bouwwerken zouden zijn, zijn zij tuinmeubilair. Ook dan kunnen de plantenbakken, aldus het college, op grond van de artikelen 2.26 en 2:29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) vergunningsvrij worden geplaatst.

Volgorde behandeling geschilpunten

5. De rechtbank stelt voorop dat het instrument handhaving en dus het gelasten de plantenbakken weg te halen, alleen in beeld kan komen, als de (gestelde) overtreder, de gemeente, een publiekrechtelijke regel heeft overtreden en dus een overtreding heeft begaan of nog begaat. Gelet op het handhavingsverzoek en het bezwaarschrift zijn dat in dit geval het gestelde verbod zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten (“een bouwwerk bouwen”) uit artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) en het gestelde verbod zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten (bouwen in strijd met het van het bestemmingsplan) uit artikel 5.2, eerste lid, aanhef en onder a, Ow. In beroep, anders dan in bezwaar, heeft eiser ook een beroep gedaan op de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen 2024 waarin het verbod om zonder vergunning een weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie door daar iets op te plaatsen en het zonder vergunning veranderen van een uitweg is neergelegd.

Is sprake van een overtreding van een bepaling uit de Omgevingswet?
6.1
Eiseres stelt dat de plantenbakken bouwwerken zijn en dat geen sprake is van vergunningsvrije bouwwerken. De plantenbakken kunnen niet worden aangemerkt als tuinmeubilair of erfafscheiding. Bovendien mag op de bestemming ‘Groen’ in het geheel niet gebouwd worden, ook niet vergunningsvrij, aldus steeds eiseres.
6.2
Deze beroepsgronden slagen niet. Om de mogelijkheid voor het college om handhavend op te treden te doen ontstaan, moet sprake zijn van een overtreding van enig wettelijk voorschrift. In deze zaak zal de rechtbank eerst beoordelen of de gemeente door het plaatsen van de twee plantenbakken de wettelijke voorschriften opgenomen in artikel 5.1, eerste en tweede lid, telkens aanhef en onder a, Ow heeft overtreden. De rechtbank beziet eerst de verbodsbepaling uit het tweede lid.

Verbod zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit verrichten
7.1
In artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a. Ow is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. In de Bijlage bij artikel 1.1 Ow (begripsbepalingen) is bepaald wat wordt verstaan onder:

bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk;

bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten;

bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren (…)

Deze definities brengen mee dat overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow alleen aan de orde kan zijn als de gestelde overtreding ziet op een bouwwerk.
7.2
De plantenbakken kunnen, anders dan eiseres aanvoert, niet worden aangemerkt als ‘bouwwerk’ in voormelde zin. De plantenbakken zijn kennelijk wel van metaal en gevuld met aarde, maar zijn van relatief geringe omvang, te weten 1 x 1 x 0,8m. De plantenbakken kunnen worden verplaatst en dat is ook gebeurd. Dat wijst er op dat de bakken niet met de grond zijn verbonden: van bijvoorbeeld een fundering of hechting in de grond is geen sprake. Ten tijde van het bestreden besluit waren de twee plantenbakken immers ook al even verderop neergezet. Dat dit, zoals eiseres stelt, mogelijk alleen met machinale hulp kan, maakt dit mede gelet op het feit dat de bakken niet heel erg omvangrijk zijn, niet anders. Datzelfde geldt voor de mogelijkheid dat de bakken weer kunnen worden teruggeplaatst. Uit het feit dat de onderhavige bakken kunnen worden en daadwerkelijk worden verplaatst, kan ook worden afgeleid dat de plantenbakken niet bedoeld zijn om (voortdurend) ter plaatse te functioneren in de zin van de definitiebepaling. Ter zitting heeft het college nog onbestreden gesteld dat het ook uitdrukkelijk de bedoeling is om de plantenbakken slechts tijdelijk te plaatsen, zulks met het oog op de komende ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse. Ook dat wijst er op dat geen sprake is van een bouwwerk in voormelde zin.
7.3
Omdat de plantenbakken geen bouwwerk zijn als bedoeld in de Bijlage bij artikel 1.1 van de Ow, is dus geen sprake van een overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow.
7.4
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het plaatsen van de plantenbakken, als het wel bouwwerken waren, ook niet vergunningplichtig op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow zou zijn vanwege artikel 2.26 Bbl.
7.5
Op grond van artikel 2.26, eerste lid, aanhef en onder a, Bbl geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover hier van belang, slechts voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak en dat bouwwerk hoger is dan 5 m. De plantenbakken zijn 0,8 m hoog en daarmee is daarvoor de vergunningsplicht in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow in artikel 2.26, eerste lid, aanhef en onder a, Bbl daarop niet van toepassing. Als de bakken wel bouwwerk zouden zijn, dan gold deze vergunningplicht dus nog niet.

Verbod zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit verrichten
8.1
Daarnaast moet de vraag worden beantwoord of op het plaatsen en/of hebben van de plantenbakken op het parkeerperceel de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow van toepassing is. Daarvoor is natuurlijk van belang of het bestemmingsplan een relevante regeling bevat die ziet op plantenbakken aldaar. In het bestemmingsplan is aan de gronden waarop de plantenbakken staan de bestemming Groen toegekend, welke gronden onder meer bestemd zijn voor plantsoenen, groenvoorzieningen en beplantingen waarbinnen de plantenbakken op het eerste gezicht lijken te passen. Op deze gronden mag, zo volgt uit artikel 4.2, onder a, van dat plan echter niet worden gebouwd. In het bestemmingsplan staan over bouwen dezelfde definitiebepalingen als hiervoor onder 7.1 aangehaald. Omdat, zoals reeds is vastgesteld, de plantenbakken geen bouwwerken zijn, geldt daarvoor het bouwverbod uit het bestemmingsplan dus niet. Reeds daarom valt niet in te zien dat het hebben van de plantenbakken op die plek vergunningplichtig zou zijn. Het hebben van de plantenbakken daar betreft immers geen omgevingsplanactiviteit, althans geen gebruik in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank merkt daar nog bij op dat een binnenplanse vergunningplicht voor plantenbakken ter plaatse ook niet in het bestemmingsplan is opgenomen.
8.2
Daar komt nog bij, in wezen dus ten overvloede, dat, zou wel sprake zijn van bouwwerken, op grond van artikel 2.29, aanhef en onder h, Bbl het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet geldt voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op tuinmeubilair, als dat niet hoger is dan 2,5 m.
8.3
In het Bbl is niet nader gedefinieerd wat moet worden verstaan onder tuinmeubilair, net zomin als dat het geval was in daaraan voorafgaande regelgeving, respectievelijk het Besluit omgevingsrecht en het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat planten- en/of bloembakken als tuinmeubilair kunnen worden aangemerkt. Het parkeerperceel en daarbinnen het gebied met de bestemming Groen, dat aan het pand grenst, is weliswaar op het eerste gezicht geen tuin volgens de omschrijving die daaraan volgens het "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" in het normaal spraakgebruik wordt gegeven. In dit specifieke geval ziet de rechtbank echter overeenkomsten en daarmee aanknopingspunten om, zoals verweerder op de zitting heeft betoogd, het perceel met een tuin gelijk te stellen. Het perceel is (nog) niet expliciet opengesteld voor publiek gebruik, noch is het als zodanig ingericht. De eigenaar van het perceel, de gemeente Bergen, heeft door middel van hekwerken en andere afscheidingsvoorzieningen juist beoogd te voorkomen dat derden zonder haar toestemming het terrein betreden. En op de strook grond tieren uitsluitend planten welig. Dat eiseres, althans haar huurder, het hekwerk langs de strook grond deels heeft weggezaagd en het perceel zonder toestemming van de eigenaar als in- en uitrit is gaan gebruiken, maakt nog niet dat het niet meer als tuin functioneert en een openbaar stuk grond is geworden met een ander toegestaan gebruik. Het gegeven dat het perceel de bestemming ‘Groen’ heeft, is overigens een reden te meer om het feitelijk gebruik als gemeentelijke tuin te zien. Het perceel verliest wellicht de functie tuin (deels) wanneer de gemeente dat als openbaar toegankelijk pad voor eenieder open zal stellen dan wel in woord en daad akkoord gaat met openbaar gebruik anders dan als tuin. Maar dat is hier (nog) niet aan de orde.
8.4
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ook de vergunningsplicht als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow niet geldt voor het hebben van de plantenbakken op die plaats, zodat ook het daarop gebaseerde standpunt van eiseres dat sprake zou zijn van een overtreding, faalt.

Is sprake van een overtreding van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen 2024?
9.1
Eiseres stelt - in beroep - dat het plaatsen van de plantenbakken in strijd is met artikel 2.10 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen 2023 (hierna: Apv) omdat het hebben van de plantenbakken op deze plaats niet in overeenstemming zou zijn met de publieke functie van de groenstrook op het parkeerperceel als openbare plaats. Eiseres stelt voorts dat het plaatsen van plantenbakken in strijd is met artikel 2:12 Apv omdat hiermee een verandering wordt aangebracht in een bestaande uitweg of het gebruik daarvan.
9.2
Deze beroepsgronden slagen ook niet. Ten tijde van het bestreden besluit waren van kracht niet de door eiseres bedoelde bepalingen uit de Apv, die inmiddels zijn vervallen, maar bepalingen uit de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen 2024 (VFL) die de (vergelijkbare) onderwerpen regelen. Artikel 2.3, eerste lid, van de VFL vervangt artikel 2.10 Apv en daarin is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
9.3
In artikel 1.1, aanhef en onder qq, VFL is het begrip ‘weg’ gedefinieerd als hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). In artikel 1, eerste lid, onder b, Wvw 1994 is bepaald dat onder wegen wordt verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
9.4
De rechtbank constateert dat de groenstrook als onderdeel van het parkeerperceel, waarop de plantenbakken staan – althans stonden - niet is opgenomen in de door de Rijksoverheid opgestelde wegbeheerderskaart waarin alle wegen van Nederland zijn opgenomen. Ook overigens geven de feiten geen aanleiding voor het oordeel dat daar sprake is van een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Het perceel is daarom, anders dan eiseres stelt, geen weg of weggedeelte in de zin van artikel 2.3, eerste lid, VFL. Van een overtreding van het in dit artikel neergelegde verbod is daarom geen sprake, zodat handhaving op die grond ook niet aan de orde kan zijn.
9.5
Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, VFL vervangt artikel 2.12 APV 2023 (oud). Daarin is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg of het gebruik daarvan te veranderen.
9.6
Er is geen sprake van een officiële uitweg. Eiseres beschikt immers niet over een uitwegvergunning om via de weggebroken schutting van het pand via het parkeerperceel naar de openbare weg Plein te gaan. De eigenmachtig gemaakte toegang tot het pand door het hek naar het parkeerperceel weg te slopen is daarom geen uitweg in de zin van deze bepaling. Daarvoor dient een omgevingsvergunning te zijn verleend en daarvan is geen sprake. Artikel 2.2 VFL ziet immers op een uitwegvergunningenstelsel. Het feit dat eiseres het parkeerperceel feitelijk als een uitweg gebruikt, maakt dat niet anders. Het verbod in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, VFL is daarom niet aan de orde. Van een overtreding van het in dit artikel neergelegde verbod is ook geen sprake. Ook op deze bepaling kan handhaving dus niet worden gebaseerd.

Kleeft er een gebrek aan het bestreden besluit omdat het daaraan ten grondslag liggende advies van de commissie niet is ondertekend?
10.1
Eiseres wijst er op dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van de commissie niet is ondertekend.
10.2
Deze beroepsgrond slaagt. Op grond van artikel 17, zesde lid, van de Verordening commissie bezwaarschriften Bergen 2018 wordt het advies door de voorzitter en de secretaris van de commissie ondertekend.
10.3
Het advies van de commissie van 25 maart 2025 is niet ondertekend. Dit betekent dat het college met het nemen van het besluit op bezwaar op 8 april 2025 in strijd met artikel 17, zesde lid, van de Verordening commissie bezwaarschriften Bergen 2018 heeft gehandeld door niet eerst om een handtekening te vragen.
10.4
De rechtbank ziet echter geen aanleiding om er aan te twijfelen dat het (niet ondertekende) advies wel door de betreffende commissie is vastgesteld. Dat is reden om het gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 Awb, nu eiseres niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, dat en waarom zij door dit gebrek in haar belangen zou zijn geschaad. Overigens zou het het college wel sieren als het het advies alsnog laat ondertekenen, zodat het gebrek dan alsnog wordt geheeld.

Is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd?
11.1
Eiseres stelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd omdat het college niet zou zijn ingegaan op alle punten die zij naar voren heeft gebracht. Daarnaast voert eiseres aan dat het college ongemotiveerd is afgeweken van eerdere advisering van de bezwaarcommissie. Die advisering ging over het eerdere bezwaar van eiseres over de aan haar opgelegde last onder dwangsom om het gebruik van de toegang vanaf haar pand naar het parkeerperceel te staken.
11.2
Deze beroepsgronden slagen niet. De omvang van het geding in handhavingszaken wordt bepaald door de reikwijdte van het verzoek om handhaving dat aan het primaire besluit ten grondslag ligt. Het verzoek van eiseres om handhaving heeft betrekking op de plaatsing van twee plantenbakken door de gemeente op (de groenstrook op) het parkeerperceel. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak alleen in kan gaan op de vraag of deze plaatsing een overtreding oplevert en reden kan zijn voor handhaving. Hiervoor is geoordeeld dat het college op goede gronden heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van een overtreding en dat het verzoek daarom diende te worden afgewezen. De hierop betrekking hebbende bezwaargronden zijn in het bestreden besluit inhoudelijk besproken en voldoende gemotiveerd weerlegd. Het door eiseres gewenste gebruik van het perceel en daarmee samenhangende gronden zijn niet van belang voor beantwoording van de vraag of het plaatsen van de plantenbakken een overtreding oplevert, zodat de gronden die eiseres op het door haar gewenste gebruik baseert en een door haar ingenomen standpunt over de (on)rechtmatigheid daarvan, voor onderhavige beoordeling irrelevant zijn. Op haar standpunt dat zij recht zou hebben op een uitrit ter plaatse van de door haar eigenmachtig gesloopte schutting, kan de rechtbank in deze zaak geen uitspraak doen.

De afweging van belangen van partijen?
12.1
Eiseres stelt dat het college bij het besluit om niet te handhaven ten onrechte het belang van de gemeente - het op termijn kunnen verkopen van het perceel zonder claims van derden - heeft laten prevaleren boven het belang van eiseres om het perceel als in-/uitrit te kunnen gebruiken.
12.2
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Omdat er in deze zaak geen sprake is van een overtreding en het college daarom ook niet handhavend daartegen mag optreden, is voor een afweging van belangen geen ruimte.

Overige beroepsgronden

13. De overige beroepsgronden, te weten dat eiseres zelf wil kunnen bepalen op welke wijze zij het parkeerperceel gebruikt en dat op het parkeerperceel voor haar een erfdienstbaarheid, een noodweg of een buurweg zou zijn ontstaan, kunnen ook niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. Deze beroepsgronden zijn irrelevant voor de beoordeling in dit geding en behoeven om die reden geen bespreking.
Conclusie en gevolgen 14.1.
Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Het college hoeft niet naar aanleiding van het verzoek van eiseres handhavend op te treden tegen de bloembakken.
14.2
De rechtbank acht geen grond aanwezig te bepalen dat eiseres het griffierecht vergoed moet krijgen. Het ondergeschikte en gepasseerde gebrek in de besluitvorming vormt daarvoor geen rechtvaardiging. Zij krijgt om dezelfde reden ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. I.W. Neleman, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

In het verzoek om handhaving had eiseres aan een vergelijkbare verbodsbepaling uit een inmiddels ingetrokken deel van de algemene plaatselijke verordening gerefereerd, maar was daar in bezwaar niet op teruggekomen.

De regels uit deze verordening moeten te zijner tijd worden opgenomen in het Omgevingsplan, maar staan nog in een afzonderlijke regeling.

Vgl. ABRvS 01-05-2019, 201802967/1/A1, ECLI:NL:RVS:2019:1423 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)

Ook in de andere onderdelen van artikel 2.26 Bbl is het verbod op het zonder omgevingsvergunning bouwen van een “bouwwerk” als hier aan de orde niet van toepassing.

ABRvS van 1 mei 2019, 201802967/1/A1, ECLI:NL:RVS:2019:1423 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/); ABRvS 11-02-2015, 201405060/1/A1, ECLI:NL:RVS:2015:380 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).

De wegbeheerderskaart: Wegbeheerders (https://www.rijkswaterstaat.nl/kaarten/wegbeheerders).

ABRvS, 23-02-2022, ECLI:NL:RVS:2022:550

Artikel delen