Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNNE:2026:1051

Omgevingswet. Specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Afwijzing van het verzoek om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt op diverse percelen. Reikwijdte van het handhavingsverzoek. Is de specifieke zorgplicht van toepassing en de handhavingsbevoegdheid van het college? Wanneer kan gehandhaafd worde...

Rechtbank Noord-Nederland 2 April 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNNE:2026:1051 text/xml public 2026-04-02T10:00:08 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-30 LEE 25/5237 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1051 text/html public 2026-04-01T15:23:42 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1051 Rechtbank Noord-Nederland , 30-03-2026 / LEE 25/5237
Omgevingswet. Specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Afwijzing van het verzoek om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt op diverse percelen. Reikwijdte van het handhavingsverzoek. Is de specifieke zorgplicht van toepassing en de handhavingsbevoegdheid van het college? Wanneer kan gehandhaafd worden op grond van de zorgplicht? Het begrip "onmiskenbaar". Artikel 191 van het VWEU. Onvoldoende onderzoek door het college of sprake is van een overtreding. Bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand gekomen. Geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening aan de uitspraak te verbinden.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: LEE 25/5237

uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 30 maart 2026 in de zaak tussen
<nr>1</nr>a.[eiseres], gevestigd in [plaats], eiseres sub 1.a.;
1.b. [eiseres], gevestigd in [plaats], eiseres sub 1.b.;

1.c. [eiseres], gevestigd in [plaats], eiseres sub 1.c.;

1.d. [eiseres], gevestigd in [plaats], eiseres sub 1.d.;

1.e. [eiseres], gevestigd in [plaats],

eiseres sub 1.e.

hierna gezamenlijk te noemen: eiseressen,

(gemachtigden: mr. M. Haan en ing. G.W. Starre),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld, het college,

(gemachtigden: mr. B.J.W. van Walraven en mr. P.C.T. Bijveld).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:
1. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 1.;

2. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 2.;

3. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 3.;

4. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 4.;

5. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 5.

(gemachtigde: mr. C.S.G. de Lange);

6. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 6.;

7. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 7.;

8. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 8.;

9. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 9.,

(gemachtigde: mr. C.S.G. de Lange);

10. [belanghebbende], in [plaats], derde-partij sub 10,

(gemachtigde: mr. C.S.G. de Lange).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseressen tegen de afwijzing van de verzoeken om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt op diverse percelen in [belanghebbende].
1.1.
Het college heeft bij het primaire besluit van 20 mei 2025 de verzoeken om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 van het Bal met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt op diverse percelen in [belanghebbende], afgewezen. Bij het bestreden besluit van 30 oktober 2025 is het college bij de afwijzing van de verzoeken om handhaving gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op een zitting behandeld.

Eiseressen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en R. Scholtens (beleidsmedewerker).

Derde-partij sub 5., derde-partij sub 9. en derde-partij sub 10. zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de verzoeken om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt op diverse percelen in [belanghebbende]. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Feiten

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1.
Eiseres sub 1.a. heeft bij brief van 9 april 2025 een verzoek om handhaving bij het college ingediend. Zij verzoekt om handhaving op grond van de specifieke zorgplichtbepaling, als bedoeld in artikel 2.11 van het Bal, met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt op vier verschillende percelen in Wapserveen.
4.2.
Eiseressen hebben bij brief van 29 april 2025 een verzoek om handhaving bij het college ingediend. Zij verzoeken om handhaving op grond van de specifieke zorgplichtbepaling, als bedoeld in artikel 2.11 van het Bal, met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt op zestien verschillende percelen, waaronder de vier percelen zoals genoemd onder 4.1., in [belanghebbende].

Het gaat om de navolgende percelen in [belanghebbende]:

Kadastrale aanduiding

omschrijving

afstand tot woonhuizen

afstand tot basisschool/ kinderopvang

HVTO3-N-394

suikerbieten

125 meter

920 meter

HVTO3-N-395

lelies, middenstuk gras

125 meter

975 meter

HVTO3-N-436

tulpen (zuidzijde)

85 meter

890 meter

HVTO3-N-437

tulpen (zuidzijde)

85 meter

805 meter

HVTO3-N-69

lelies (noordzijde)

55 meter

620 meter

HVTO3-N-458

tulpen

60 meter

275 meter

HVTO3-N-1359

tulpen

-

-

HVTO3-N-187

lelies (noordzijde)

55 meter

75 meter

HVTO3-N-1205

pioenrozen (zuidzijde)

65 meter

250 meter

HVTO3-N-1446

lelies (noordzijde)

275 meter

460 meter

HVTO3-N-884

lelies

325 meter

500 meter

HVTO3-N-1448

aardappelen

540 meter

390 meter

HVTO3-N-538

lelies

45 meter

1.900 meter

HVTO3-N-945

tulpen

100 meter

1.700 meter

HVTO3-N-1145

tulpen

290 meter

1.900 meter

HVTO3-N-1144

tulpen

100 meter

1.900 meter
4.3.
Het college heeft bij het primaire besluit de verzoeken om handhaving afgewezen.
4.4.
Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard en het primaire besluit tot afwijzing van de verzoeken om handhaving in stand gelaten.

Overgangsrecht

5. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat na die datum de verzoeken om handhaving zijn ingediend, is in deze zaak de Ow met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.

Het geschil

6. Tussen partijen is in geschil of het college de verzoeken om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal heeft mogen afwijzen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

Wat is de reikwijdte van het handhavingsverzoek van eiseressen?

7. Eiseressen voeren aan dat het verzoek om handhaving niet alleen ziet op artikel 2.11 van het Bal (de specifieke zorgplicht) maar ook op het stellen van maatwerkvoorschriften. Verder bevat paragraaf 4.64 van het Bal volgens eiseressen algemene regels voor de in artikel 3.208, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bal aangewezen milieubelastende activiteit die bestaat uit het telen van gewassen in de openlucht.

8. De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen in de brieven van 9 en 29 april 2025 het college alleen verzocht om handhavend op te treden op grond van de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Zij hebben – onder verwijzing naar artikel 2.11 van het Bal – verzocht om een onmiddellijke stop op het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij teelten op de genoemde kadastrale percelen, bijvoorbeeld door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. Door eiseressen is in de verzoeken niet gevraagd om maatwerkvoorschriften. Daarover is in het bestreden besluit dan ook terecht niet beslist. Dit betekent dat er geen sprake is van een onvolledig besluit op het verzoek om handhaving van eiseressen of dat het bestreden besluit om die reden onzorgvuldig tot stand is gekomen. Deze grond van eiseressen slaagt niet.
8.1.
Verder is de rechtbank ter zitting gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat het verzoek om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht uitsluitend betrekking heeft op percelen van de telers waarbij er sprake is van een vorm van sierteelt met gebruikmaking van gewasbeschermingsmiddelen.

Is de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal van toepassing?

9. De rechtbank stelt vast dat het telen van gewassen in de openlucht met gebruikmaking van gewasbeschermingsmiddelen in artikel 3.208, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bal is aangewezen als milieubelastende activiteit. De rechtbank overweegt dat de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal onder meer van toepassing is op milieubelastende activiteiten. Dat is tussen partijen niet (langer) in geschil. De rechtbank overweegt dat de specifieke zorgplicht geldt naast de overige specifieke regels voor deze activiteit.

10. De rechtbank overweegt dat tussen partijen ook niet langer in geschil is dat het college bevoegd is om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding van deze specifieke zorgplicht. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen. De rechtbank overweegt dat het college op grond van artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien de last strekt tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert. Op grond van artikel 18.2, in samenhang gelezen met artikel 4.9 van de Ow en artikel 2.3 van het Bal, voert het college de regels omtrent een milieubelastende activiteit uit. Artikel 2.11 van het Bal is van toepassing op een milieubelastende activiteit, zodat het college bevoegd is in voorkomend geval handhavend op te treden.

Wanneer kan er gehandhaafd worden op grond van de specifieke zorgplicht?

11. Tussen partijen is in geschil wanneer er door het college gehandhaafd kan worden op grond van artikel 2.11 van het Bal.
11.1.
Eiseressen stellen samengevat dat het enkele gebruik van bestrijdingsmiddelen al een overtreding van de specifieke zorgplicht oplevert. Volgens eiseressen is de bestaande regelgeving met betrekking tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen ontoereikend. Zij stellen voorts dat de specifieke zorgplicht ingevuld moet worden aan de hand van het voorzorgsbeginsel.
11.2.
Het college stelt zich samengevat op het standpunt dat sprake moet zijn van onmiskenbaar handelen in strijd met de zorgplicht. Dit is volgens het college niet het geval als de telers voldoen aan de algemene regels van het Bal en niet blijkt dat zij handelen in strijd met “good housekeeping” maatregelen.

12. De rechtbank overweegt als volgt.
12.1.
Artikel 2.11, eerste lid, van het Bal luidt als volgt:

“Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht:a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; enc) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.(…)”
12.2.
Uit de Nota van Toelichting bij het Bal volgt dat directe handhaving van de specifieke zorgplicht voor de hand ligt bij evidente overtredingen. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Ow en van de Invoeringswet Omgevingswet volgt eveneens dat de specifieke zorgplichten alleen betrekking hebben op evidente situaties, waarbij voor handhavend optreden sprake moet zijn van een onmiskenbaar in strijd handelen met de zorgplicht.
12.3.
De rechtbank is van oordeel dat directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht niet gerechtvaardigd is als diegene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. Bij een evenwichtige toepassing van de specifieke zorgplicht en met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel hoort in ieder geval dat redelijkerwijs te voorzien moet zijn wat de specifieke zorgplicht in een concreet geval inhoudt. De rechtbank sluit hiermee aan bij de invulling die in de rechtspraak is gegeven aan de mogelijkheid tot handhaving van de zorgplicht uit het voor de inwerkingtreding van de Ow en het Bal geldende artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
12.4.
Met betrekking tot de invulling van het begrip onmiskenbaar overweegt de rechtbank dat hierbij van belang is of de telers op grond van de op hen rustende specifieke zorgplicht, onmiskenbaar niet doen wat zij op grond van die zorgplicht wel behoren te doen. Alleen onder die omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van het onmiskenbaar overtreden van de specifieke zorgplicht. De rechtbank ziet, gelet op de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de (Invoeringswet) Ow en het Bal, geen aanknopingspunten om voor de uitleg van de specifieke zorgplicht aan te sluiten bij het voorzorgsbeginsel. Het betoog slaagt niet.
12.5.
Voor zover eiseressen een beroep doen op artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), slaagt dat beroep niet nu dat artikel niet door particulieren kan worden ingeroepen.

Heeft het college zorgvuldig onderzocht of sprake is van een overtreding?

13. Eiseressen betogen dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de betrokken 16 percelen in Wapserveen. Eiseressen voeren in dit verband aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat de sierteelt bijzonder bestrijdingsmiddelenintensief is. Daarnaast wijzen eiseressen erop dat uit wetenschappelijk onderzoek volgt dat gewasbeschermingsmiddelen zich over een zeer grote afstand kunnen verspreiden, namelijk zeven kilometer van de plek waar de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daaruit volgt in de visie van eiseressen dat het college wél daadwerkelijk onderzoek hebben moeten verrichten naar de aard van de gebruikte middelen en de wijze van toepassing. Immers, het ene middel is het ander niet; zij verschillen onder andere in toxiciteit, verspreidingskarakteristieken en gebruiksvoorschriften (waaronder spuitfrequentie en concentratie).
13.1.
Daarnaast voeren eiseressen aan dat op grond van artikel 5, eerste lid, van het Verdrag van Aarhus een overheidsinstantie dient te beschikken over actuele milieu-informatie die nodig is voor de uitoefening van de functie. Omdat het college het bevoegd gezag is met betrekking tot de milieubelastende activiteit telen van gewassen in de openlucht, en derhalve ook voor de toepassing van de algemene regels van artikel 4.64 van het Bal, zou volgens eiseressen mogen worden verwacht dat hij over de actuele gegevens over gewasbeschermingsmiddelengebruik in de gemeente Westerveld beschikt. Het college beschikt volgens eiseressen niet over die informatie. In de visie van eiseressen zou het college dit tekortschieten hebben kunnen compenseren door, naar aanleiding van de verzoeken, dergelijke informatie alsnog te verzamelen. Daartoe zou het volgens eiseressen bijvoorbeeld de spuitregistraties en de gewasbeschermingsmonitors hebben kunnen opvragen. Dat heeft het college evenwel niet gedaan. Naar de mening van eiseressen is het bestreden besluit niet gebaseerd op een deugdelijk onderzoek naar de feiten en is het om die reden in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand gekomen.
13.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat alleen op dat verzoek van eiseressen hoefde te worden beslist, zodat er alleen al daarom geen aanleiding bestond om op andere mogelijke (handhavings)acties in te gaan. Het college heeft de handhavingsverzoeken en informatie van eiseressen zo gelezen dat met een andere (handhavings)actie niet tegemoet wordt gekomen aan de verzoeken en niet het door hen verzochte resultaat kan worden bereikt. In dit verband wijst het college erop dat het verzoek niet afhankelijk is gesteld van het gebruik van bijvoorbeeld specifieke middelen, dosering of frequentie. Op zich is het juist dat gevraagd is om handhaving ten aanzien van 16 specifiek benoemde percelen, maar de redenen die worden aangevoerd waarom het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen daar zou moeten worden verboden, zien niet specifiek op die locaties of andere omstandigheden in Wapserveen, aldus het college. Gelet daarop is het college van mening dat het eiseressen gaat om een generiek verbod. Dit is dan ook waar het college op heeft gereageerd in het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek. Volgens het college kon daarbij worden volstaan met de vaststelling dat er op diverse van de genoemde 16 percelen sierteelt plaatsvindt of plaatsvond ten tijde van de primaire besluitvorming. Uit contact met de telers is volgens het college bij de besluitvorming rondom het primaire besluit al gebleken dat zij gewasbeschermingsmiddelen gebruiken.

Daar komt volgens het college bij dat wel degelijk getracht is om de beschikking te krijgen over informatie als spuitregisters, los van het feit dat het college meent dat deze gegevens niet nodig waren om deugdelijk en zorgvuldig te kunnen beslissen op het handhavingsverzoek. Het college voert aan dat zijn contactpersoon van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft aangegeven dat dergelijke gegevens alleen zouden kunnen worden gedeeld met medetoezichthouders van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb), dat het college geen medetoezichthouder van de Wgb is, en dat de NVWA geen gegevens verstrekt die zijn te herleiden tot een of meer natuurlijke personen om aan de privacyregelgeving te voldoen. De persoonsgegevens zouden met het oog op de eis van doelbinding alleen mogen worden verstrekt voor een doel dat verenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens zijn verstrekt, te weten de handhaving van de Wgb. Omdat het college niet bevoegd is tot handhaving van de Wgb zouden gegevens als spuitregisters van de betrokken percelen niet aan hem kunnen worden verstrekt. Het lukte het college daarom niet om die informatie op tafel te krijgen vóór het nemen van het bestreden besluit binnen de daarvoor afgesproken termijn, maar gelet op wat hiervoor is gesteld, was dat ook niet noodzakelijk.
13.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een overtreding van artikel 2.11 van het Bal. De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit en de onderliggende gedingstukken in de eerste plaats niet blijkt dat het college in beeld heeft gebracht welke gewasbeschermingsmiddelen door telers op de percelen is gebruikt waarop het handhavingsverzoek betrekking heeft. Verder is door het college niet inzichtelijk gemaakt in welke mate en met welke frequentie de telers op de genoemde percelen gewasbeschermingsmiddelen spuiten, met welke spuitsnelheid wordt gespoten en met welke combinatie van gewasbeschermingsmiddelen per perceel wordt gespoten. Ook is niet onderzocht wat de afstand van die percelen tot de dichtstbij gelegen kwetsbare objecten is. Daarnaast is door het college niet inzichtelijk gemaakt of en wat het effect is van de cumulatie van gewasbeschermingsmiddelen van dicht bij elkaar gelegen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt bij sierteelt in de open lucht. Naar het oordeel van de rechtbank had het college deze gegevens in de eerste plaats bij de telers kunnen opvragen. Weliswaar heeft de gemachtigde van het college ter zitting aangegeven dat toezichthouders van de gemeente de spuitmonitoringsgegevens van de telers hebben ingezien tijdens controlebezoeken, maar de bevindingen van de toezichthouders zijn naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt. Verder zijn de bevindingen niet neergelegd in een voor de rechtbank en voor de andere partijen kenbare rapportage. Ook is niet duidelijk wanneer deze controles hebben plaatsgevonden. Gelet hierop kan aan deze verklaring ter zitting niet de waarde worden toegekend die het college eraan gehecht wenst te zien.
13.4.
Door het nalaten van onderzoek, gericht op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per genoemd perceel door de telers, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet kunnen vaststellen of er van een overtreding van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal sprake is. Het college heeft onvoldoende kennis vergaard om dat te kunnen beoordelen. Het standpunt van het college dat onderzoek achterwege kon blijven omdat om een algemeen verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zou zijn gevraagd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt dat voordat toegekomen kan worden aan de vragen of en op welke wijze handhavend opgetreden kan worden, eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een overtreding. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Deze grond van eiseressen slaagt.

Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en arrest gerechtshof Den Bosch

14. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet meer toe aan hetgeen eiseressen hebben gesteld ten aanzien van ZZS en het arrest van het gerechtshof Den Bosch van 22 juli 2025.

Verzoek om voorlopige voorziening

15. Eiseressen verzoeken de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat de gebruikers van de in deze procedure aan de orde zijnde percelen zich zullen onthouden van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, in elk gevat tot zes weken na de uitspraak in deze zaak.
15.1.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, na afweging van de betrokken belangen, in dit geval geen aanleiding om de door eiseressen gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de aard van het gebrek, namelijk een procedureel zorgvuldigheidsgebrek, en de ingrijpende gevolgen voor de (bedrijfsbelangen van de) derde-partijen als een dergelijke verstrekkende voorziening zou worden getroffen.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit gelet op overweging 13.4. niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Ook draagt de rechtbank het college niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De rechtbank ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

17. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.

18. Omdat het beroep gegrond is moet college het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eiseressen een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en is verschenen op zitting (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep van eiseressen gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseressen met inachtneming van deze uitspraak;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te verbinden aan deze uitspraak af;

bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseressen moet vergoeden;

veroordeelt het college tot betaling van de proceskosten van eiseressen van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzitter, mr. M.S. van den Berg en

mr. J.J.W. Lamme, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 1 Onderwerp en doel

1. Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in hun commerciële aanbiedingsvorm en voor het op de markt brengen, het gebruik en de controle ervan binnen de Gemeenschap.

(…).

Artikel 3 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

13. “ milieu”: water (met inbegrip van grond- en oppervlaktewater, overgangs-, kust- en mariene wateren), afzettingsmateriaal, bodem, lucht, land, wilde soorten dieren en planten, alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met andere levende organismen;

14. “ kwetsbare groepen”: mensen die specifieke aandacht behoeven als het gaat om de beoordeling van acute en chronische gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid. Hiertoe behoren zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, ongeboren kinderen, zuigelingen en kinderen en ouderen, alsmede werknemers en bewoners die gedurende langere tijd blootstaan aan hoge doses pesticiden;

(…).

Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de raad tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden

Artikel 1 Onderwerp

Deze richtlijn stelt een kader vast voor de totstandbrenging van een duurzaam gebruik van pesticiden door vermindering van de risico’s en de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu en door bevordering van het gebruik van geïntegreerde plaagbestrijding en alternatieve benaderingswijzen of technieken, zoals niet-chemische alternatieven voor pesticiden.

Artikel 2 Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op pesticiden die gewasbeschermingsmiddelen zijn in de zin van artikel 3, punt 10, onder a).

2. Deze richtlijn laat alle overige relevante communautaire wetgeving onverlet.

3. De bepalingen van deze richtlijn vormen voor de lidstaten geen beletsel om het voorzorgbeginsel toe te passen bij het beperken of verbieden van het gebruik van pesticiden onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gebieden.

Artikel 3 Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. professionele gebruiker”: persoon die, in de landbouwsector of in een andere sector, pesticiden gebruikt in het kader van zijn beroepsactiviteiten, met inbegrip van bedieners van toepassingsapparatuur, technici, werkgevers en zelfstandigen;

(…);

10. “ pesticide”:

a. gewasbeschermingsmiddel als omschreven in Verordening (EG) nr. 1107/2009;

b. biocide als omschreven in Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden.

Artikel 12 Vermindering van het pesticidengebruik of van de risico’s van pesticiden in specifieke gebieden

De lidstaten dragen er zorg voor dat, met inachtneming van de eisen inzake hygiëne, volksgezondheid en biodiversiteit, of van de resultaten van desbetreffende risicobeoordelingen, het gebruik van pesticiden in bepaalde specifieke gebieden wordt geminimaliseerd of verboden. Er worden passende risicobeheersmaatregelen genomen en in eerste instantie worden het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1107/2009, en biologische bestrijdingsmiddelen overwogen. De bedoelde specifieke gebieden zijn:

a. a) gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen, zoals omschreven in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, worden gebruikt, zoals parken, openbare tuinen, sport- en recreatieterreinen, schoolterreinen en speelplaatsen, en gebieden in de nabijheid van zorginstellingen;

b) beschermde gebieden als omschreven in Richtlijn 2000/60/EG en andere gebieden die ten behoeve van de uitvoering van de noodzakelijke natuurbehoudsmaatregelen zijn aangewezen overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG;

c) recentelijk behandelde gebieden die door werknemers in de landbouw worden gebruikt of voor hen toegankelijk zijn.

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 2a Zorgplicht

Een ieder is verplicht op zorgvuldige wijze om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen, biociden, de daarbij behorende werkzame stoffen of daarbij gebruikte toevoegingsstoffen, alsmede restanten daarvan of de aangebroken verpakkingen. Die zorgvuldigheid houdt in ieder geval in, dat een ieder, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten gevaar ontstaat of kan ontstaan voor een mens, voor een dier of voor planten waarvan de instandhouding gewenst is, voor planten die aan anderen toebehoren, voor de bodem of voor het water, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, tenzij zulks in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd, dan wel onverwijld alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde voornoemd gevaar te voorkomen of de nadelige gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 27b Gewasbescherming buiten de landbouw

1. Het is een professionele gebruiker niet toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing in bij ministeriële regeling aan te wijzen gebieden of omstandigheden voor zover het een toepassing van een gewasbeschermingsmiddel betreft:

a. die noodzakelijk is voor een veilige exploitatie van bedrijfsmatige activiteiten of inrichtingen;

b. die noodzakelijk is voor de bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu; of

c. op specifieke terreinen voor recreatieve doeleinden of voor het beoefenen van sport die vanwege hun aard of omvang redelijkerwijze niet op een andere wijze kunnen worden onderhouden.

3. Bij ministeriële regeling kunnen voorwaarden worden gesteld aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de gebieden en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid.

4. Het eerste lid geldt niet voor land- en tuinbouwbedrijven die gewassen telen of kweken.

Gemeentewet

Artikel 125

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

(…).

Omgevingswet

Artikel 5.1 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet

(…)

2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

(…).

b. een milieubelastende activiteit,

(…).

Artikel 4.9 Gemeente bevoegd gezag voor rijksregels

Tenzij op grond van de artikelen 4.10 tot en met 4.13 anders is bepaald, wordt op grond van artikel 4.3 het college van burgemeester en wethouders aangewezen als:

a. het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan,

b. het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen,

c. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

Artikel 18.2 Toedeling handhavingstaak

1. Als sprake is van een activiteit waarvoor op grond van paragraaf 4.1.1 algemene regels zijn gesteld, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 4.1.3 voor die activiteit bevoegde gezag.

2. Als sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 5.1.2 voor die omgevingsvergunning bevoegde gezag.

(…).

Besluit activiteiten leefomgeving

Artikel 2.1 Activiteiten

De hoofdstukken 2 tot en met 5 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0041330/2025-07-01) gaan over milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0041330/2025-07-01) en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk die daarbij worden verricht, of die zijn aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 2.3 Bevoegd gezag gemeente

Tenzij in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 anders is bepaald, is voor een milieubelastende activiteit het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

a. waaraan een melding wordt gedaan;

b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 2.11 Specifieke zorgplicht

1. Degene die een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht:

a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2. Voor milieubelastende activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

c. de beste beschikbare technieken worden toegepast;

d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;

f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;

i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0041330/2025-07-01).

Artikel 3.208 Aanwijzing milieubelastende activiteiten

1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

a. het telen van gewassen in de openlucht; en

b. het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt.

2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen of behandelen functioneel ondersteunen.

(…).

Artikel 3.209 Algemene regels

1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.208, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:

(…),

e. het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden en bij het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.64;

(…).

Artikel 4.1 Toepassingsbereik activiteiten

Een paragraaf in dit hoofdstuk is alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 3 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0041330/2025-07-01) is bepaald.

Artikel 4.723a Toepassingsbereik

1. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden of bij het telen van gewassen in de openlucht.

(…).

Artikel 4.723c Water en gezondheid: driftreducerende technieken bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen

1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid wordt bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht een techniek toegepast die een driftreductie bereikt van ten minste 75% ten opzichte van een referentietechniek als bedoeld in tabel 4.723c.

2. De driftreductie van de techniek wordt getest. Op het testen hiervan is het Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken van toepassing.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op een met de hand gedragen spuit.

Artikel 4.723e Water en gezondheid: geen gewasbeschermingsmiddelen bij wind

1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de windsnelheid meer is dan 5 m/s, gemeten op:

a. 2 m boven de grond bij neerwaarts bespuiten; en

b. 1 m boven boomhoogte bij op- en zijwaarts bespuiten.

2. Het eerste lid is niet van toepassing:

a. als kan worden aangetoond dat niet anders dan door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s een teeltbedreigende situatie kan worden voorkomen; of

b. op een overkapte beddenspuit.

Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Staatsblad 2018, 293, p. 526.

Kamerstukken II 2014-2015, 33 962, nr. 23, p. 77.

Kamerstukken I 2019-2020, 34 986, nr. W, p. 10.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 augustus 2011 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), ECLI:NL:RVS:2011:BR4631 en AbRvS 13 november 2013, ECLI:NL:2013:1896.

Uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1953 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2015, ECLI:EU:C:2015:140.

Als bedoeld in artikel 67 van de Gewasbeschermingsmiddelenverordening (GBMV).

Als bedoeld in artikel 26 van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Bgb).

Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb.

ECLI:NL:GHSHE:2025:2043.

Artikel delen