Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNNE:2026:547

Geweigerde omgevingsvergunning voor de legalisering van een zandscheider. Het college was niet bevoegd om op de aanvraag te beslissen. Strijd met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Omgevingsbesluit. Beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu...

Rechtbank Noord-Nederland 26 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNNE:2026:547 text/xml public 2026-02-26T13:47:00 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-10 LEE 25/225 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:547 text/html public 2026-02-26T13:45:47 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:547 Rechtbank Noord-Nederland , 10-02-2026 / LEE 25/225
Geweigerde omgevingsvergunning voor de legalisering van een zandscheider. Het college was niet bevoegd om op de aanvraag te beslissen. Strijd met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Omgevingsbesluit. Beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en herroept het besluit waarin de vergunningaanvraag van eiseres werd geweigerd.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/225
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen Maatschap [naam] , uit Blijham, eiseres
(gemachtigde: mr. D. La Crois),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland
(gemachtigden: W. Wieringa en C. Groenewold).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de geweigerde omgevingsvergunning voor de legalisering van een zandscheider met bijbehorende zandbakken op het perceel aan [adres] . Eiseres is het niet eens met deze weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet bevoegd was om op de aanvraag te beslissen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de legalisering van het bouwen en gebruiken van een zandscheider met bijbehorende zandbakken. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2024 geweigerd. Met het bestreden besluit van 27 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de weigering van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op 16 januari 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Namens de maatschap [naam] en [naam] met hun gemachtigde en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader

3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct van rechtswege een omgevingsplan, dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel. De regels van het (voormalig) Bestemmingsplan Buitengebied Winsum en het Veegplan Buitengebied Winsum maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
3.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. In dit geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) omdat de activiteit in strijd is met artikel 3.2, onder a en onder 2 van Bestemmingsplan Buitengebied Winsum. Dat artikel bepaalt dat de grootte van een agrarische bouwperceel maximaal 1,5 hectare is, dan wel de bestaande grootte indien deze meer bedraagt.
3.2.
Uit artikel 3.54, eerste lid, van de omgevingsverordening van de provincie Groningen (de verordening) bepaalt - voor zover hier relevant - dat een omgevingsplan alleen mag voorzien in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel groter dan 2 hectare als Gedeputeerde Staten daarvoor met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit (Ob) een omgevingsvergunning hebben verleend. Artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Ob bepaalt dat Gedeputeerde staten (GS) beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als die aanvraag alleen betrekking heeft op een omgevingsactiviteit van provinciaal belang.
3.3.
Artikel 3.54, tweede lid, van de verordening, bepaalt dat het omgevingsplan alleen voorziet in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel groter dan 2 hectare als daaraan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. Ook moet de bedrijfsvoering voldoen aan het Groninger Verdienmodel.
3.4.
Vier dagen voordat het bestreden besluit werd genomen is de omgevingsverordening gewijzigd. Daarbij is de nummering van de artikelen gewijzigd. Waar in de stukken door partijen is verwezen naar artikel 3.55 van de omgevingsverordening begrijpt de rechtbank dit als een verwijzing naar artikel 3.54.
3.5.
De regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Was het college bevoegd om op de aanvraag te beslissen?

4. Volgens eiseres was het college niet bevoegd om een beslissing te nemen op de aanvraag. Uit artikel 3.54, eerste lid, van de verordening volgt dat GS bevoegd zijn om te beslissen op de aanvraag voor de omgevingsvergunning omdat een agrarisch bouwperceel ontstaat met een omvang van meer dan 2 hectare. Het college had de aanvragen daarom moeten doorsturen naar GS.
4.1.
Het college is van mening dat zij wel bevoegd is om op de aanvraag te beslissen omdat geen sprake is van een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang zoals bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van het Ob. Op de zitting is dat standpunt verduidelijkt door aan te geven dat het slechts een kleine uitbreiding van het bouwvlak betreft.
4.2.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.
4.2.1.
De hoofdregel voor de bevoegdheidsverdeling in de Ow is dat het college beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning, tenzij een ander bestuursorgaan is aangewezen. Bij een meervoudige aanvraag zoals die hier aan de orde is, volgt uit artikel 5.12, tweede lid van de Ow, in combinatie met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Ob, dat GS bevoegd zijn om te beslissen op een aanvraag als die betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. De rechtbank moet dus beoordelen of de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang.
4.2.2.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het begrip ‘provinciaal belang’ bewust niet nader is ingevuld. Of een bepaald onderwerp als een provinciaal belang kan

worden aangemerkt is afhankelijk van de bestuurlijke context op een bepaald moment. Provinciale staten, het volksvertegenwoordigende orgaan binnen de provincie, bepalen de aanwezigheid van een provinciaal belang. Dat belang wordt behartigd door de bestuursorganen van de provincie. Het belang moet blijken uit een document dat door een bestuursorgaan van de provincie openbaar is gemaakt. Dit document kan een juridisch bindend besluit zijn, zoals de omgevingsverordening, een instructie of een voorbereidingsbesluit, maar ook een beleidsdocument zoals de omgevingsvisie, een

beleidsbrief of beleidsnota. GS moeten bij uitoefening van de bevoegdheid motiveren dat sprake is van provinciaal belang en waarom het doelmatiger en doeltreffender is om dit belang met de inzet van de provinciale bevoegdheid te behartigen.
4.2.3.
Uit artikel 3.54 van de omgevingsverordening kan worden afgeleid dat Provinciale staten het toestaan van agrarische bouwpercelen groter dan 2 hectare van provinciaal belang achten. In de toelichting wordt bovendien verwezen naar de Omgevingsvisie. Daarin staat dat de provincie schaalvergroting van agrarische bedrijven landschappelijk zorgvuldig wil inpassen en dit hand in hand wil laten gaan met verduurzaming van de sector. Dit is uitgewerkt in artikel 3.54, tweede lid, van de verordening. De rechtbank stelt daarom vast dat de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. Om die reden zijn GS bevoegd om te beslissen op de aanvraag.
4.2.4.
Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op.

In artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow, luidt: een bestuursorgaan van een provincie oefent een taak of bevoegdheid, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, alleen uit als dat nodig is met het oog op een provinciaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd. In de regeling van de bevoegdheid van GS in artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Ob staat alleen provinciaal belang als relevante factor. Doelmatigheid en doeltreffendheid staan niet genoemd in de regeling.

GS hebben de uitbreiding van agrarische bouwpercelen met een omvang boven 2 hectare aangewezen als een geval als bedoeld in artikel 16.15a, onder d, van de Ow. Daaruit volgt, in samenhang met artikel 4.25, eerste lid, aanhef en onder g, van het Ob, dat GS in de gelegenheid (hadden) moeten worden gesteld om advies uit te brengen over de aanvraag. Ingevolge artikel 16.16, eerste lid, van de Ow in combinatie met artikel 4.25, derde lid, van het Ob, is bij een voornemen tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning zelfs instemming van GS vereist. Deze aanwijzing impliceert dat GS van oordeel zijn dat het college wel degelijk bevoegd is om te beslissen op een aanvraag voor de uitbreiding van een agrarisch bouwperceel groter dan 2 hectare. Dat is echter niet te rijmen met de (hogere) regeling in artikel 3.54 van de verordening, waarin GS zijn aangewezen als bevoegd gezag.
4.3.
Gelet op het bovenstaande blijft bespreking van de andere beroepsgronden achterwege.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Ob. Dit betekent dat het college niet bevoegd was om op de aanvraag te beslissen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en herroept het besluit waarin de vergunningaanvraag van eiseres werd geweigerd.
5.4.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.

Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 november 2024;

- herroept het besluit van 3 juli 2024;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.E.C. Garcea, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet
Artikel 2.3. (algemene criteria verdeling van taken en bevoegdheden)
2. Een bestuursorgaan van een provincie oefent een taak of bevoegdheid, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, alleen uit als dat nodig is:

a. met het oog op een provinciaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd, (…)
Artikel 16.15. (advies)
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden bestuursorganen of andere instanties aangewezen die, in daarbij aangewezen gevallen, in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag of een ander bestuursorgaan advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van deze wet.

(…)
Artikel 16.15a. (verplichte aanwijzing adviseurs)
Op grond van artikel 16.15, eerste lid, worden in ieder geval als adviseur aangewezen:

(…)d. gedeputeerde staten als het gaat om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, in door hen aangewezen gevallen van een belang als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onder a, dat is aangegeven in een door een bestuursorgaan van de provincie openbaar gemaakt document.

Omgevingsbesluit
Artikel 4.25. (advies en instemming door gedeputeerde staten)
1. Gedeputeerde staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op: (…)

g. een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 16.15a, onder d, van de wet;

(…)3. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van gedeputeerde staten als het gaat om een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, c, onder 1°, d, e, f of g, of tweede lid, met uitzondering van: (…)

b. een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder g, als de voorgenomen beslissing strekt tot:

1°.het weigeren van de vergunning; (…)

Omgevingsverordening provincie Groningen

Artikel 3.54 (Instructieregel uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 4 hectare)

1. In afwijking van Artikel 3.52 , eerste lid, kan een omgevingsplan (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706194) voorzien in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706194) met een omvang tussen de 2 en de 4 hectare, voor zover:

Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hebben verleend met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit voor uitbreiding van een agrarisch bedrijf (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706194) die een bouwperceel (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706194) met een omvang groter dan 2 hectare vergt; of

aangetoond wordt dat vóór 20 maart 2013 als gevolg van toepassing van de maatwerkmethode (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706194) met de provincie overeenstemming is bereikt over het erfinrichtingsplan, voor zover een periode van minder dan twee jaar is verstreken tussen de datum waarop met de provincie overeenstemming over de bedrijfsontwikkeling is bereikt en de datum van de aanvraag om planwijziging of een omgevingsvergunning.

2. Een omgevingsplan (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706194) als bedoeld in het eerste lid voorziet alleen in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706194) tot een oppervlakte tussen de 2 en 4 hectare, als:

daaraan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706194) onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;

de bedrijfsvoering voldoet aan het Groninger Verdienmodel.

Lijst met aangewezen buitenplanse omgevingsplanactiviteiten ex artikel 16.15a, onder d, Omgevingswet
Artikel 2 Aanwijzing van gevallen
Als geval bedoeld in artikel 16.15a, onder d, van de Omgevingswet wordt aangewezen de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor zover deze voorziet in een activiteit die betrekking heeft op:

(…)

 Nieuwe en uitbreiding agrarische bouwpercelen met een omvang boven 2 ha
Artikel 3 Uitzondering advies
In afwijking van artikel 2 kan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zonder advies bedoeld in artikel 16.15a, onder d, van de Omgevingswet worden verleend, indien:

aantoonbaar vooroverleg heeft plaatsgevonden tussen de diensten van de provincie en de diensten van de gemeente waarbij:

er naar aanleiding van dit vooroverleg een schriftelijke vooroverlegreactie is gegeven door of namens Gedeputeerde Staten waarin staat dat de voorgenomen activiteit aanvaardbaar is; en

ook is aangegeven dat het niet nodig is de aanvraag om omgevingsvergunning ter advisering voor de leggen aan Gedeputeerde Staten; en

de omgevingsvergunning die in procedure wordt gebracht in overeenstemming is met de uitkomsten van het vooroverleg.

Dit volgt uit artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet jo. artikel 22.1 van de Omgevingswet.

Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr.3, p.78.

Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr.3, p.213.

Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr.3, p.399.

Geconsolideerde omgevingsvisie november 2023, paragraaf 14.1.2.

Provincieblad 2023, 15209.

Artikel delen