Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNNE:2026:679

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet goed heeft gemotiveerd waarom het het handhavingsverzoek van eiser afwijst. Het beroep is dus gegrond.

Rechtbank Noord-Nederland 9 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNNE:2026:679 text/xml public 2026-03-09T10:37:05 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-19 25/2429 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht Algemene wet bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:679 text/html public 2026-03-09T10:36:15 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:679 Rechtbank Noord-Nederland , 19-02-2026 / 25/2429
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet goed heeft gemotiveerd waarom het het handhavingsverzoek van eiser afwijst. Het beroep is dus gegrond.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/2429
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt. Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding waartegen het handhavend moet optreden. Ook bespreekt de rechtbank het verzoek van eiser om een schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet goed heeft gemotiveerd waarom het het handhavingsverzoek van eiser afwijst. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Op 14 oktober 2024 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Met het besluit van 25 november 2024 heeft het college dat verzoek afgewezen.
2.1.
Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 3 juni 2025 (hierna: bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen. Namens het college was niemand aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 14 oktober 2024 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Hij verzocht het college om handhavend op te treden tegen de rookgasafvoer van zijn buren aan de [adres] in [plaats] .
3.1.
Een toezichthouder van de gemeente heeft de woning van eiser bezocht en een gesprek gevoerd met eiser. Dezelfde toezichthouder heeft de woning aan de [adres] bezocht en een gesprek gevoerd met de eigenaar van die woning. Hiervan is verslag uitgebracht in een ‘rapport van bevindingen’.
3.2.
Op 25 november 2024 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen. Volgens het college is de rookgasafvoer niet in strijd met de geldende regelgeving voor bestaande bouw in artikel 3.77 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
3.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Er heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Adviescommissie bezwaarschriften (de adviescommissie).
3.4.
De adviescommissie heeft het college geadviseerd om het besluit van 25 november 2024 in stand te laten, de grondslag van dat besluit te wijzigen en het motiveringsgebrek te herstellen in het besluit op bezwaar. De adviescommissie adviseert het college om de afwijzing van het handhavingsverzoek te baseren op artikel 22.18, eerste lid, onder a, van het Omgevingsplan gemeente Oldambt (het omgevingsplan).
3.5.
Op 3 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft het eerdere besluit in stand gelaten en een motivering toegevoegd aan het afwijzen van het handhavingsverzoek. Het college wijst het verzoek nu af omdat eiser nagenoeg geen hinder of overlast ervaart van de rookgasafvoer, waardoor artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het omgevingsplan geen aanleiding geeft om over te gaan tot handhaving.

Toetsingskader

Overgangsrecht

4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het verzoek om handhaving is gedaan op 14 oktober 2024. Dat betekent dat de Omgevingswet, met de onderliggende regelingen, van toepassing is.

Handhavend optreden
4.1.
Handhavend optreden is alleen mogelijk als sprake is van een overtreding. Een overtreding is ‘een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift’. Als er sprake is van een overtreding, moet het college in beginsel gebruik maken van de bevoegdheid om handhavend op te treden. Dat wordt de beginselplicht tot handhaving genoemd.
4.2.
De rechtbank moet dus beoordelen of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding, waardoor het niet handhavend kon optreden.

Kon het college zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat er geen sprake is van een overtreding, waardoor het niet handhavend kon optreden?

5. Eiser stelt dat uit de Staatscourant volgt dat sinds 2012 de verbrandingsgas uitstroom van hout en pelletkachels boven de dakrand uit moet komen, om het risico op overlast en gezondheidsrisico te vermijden. Volgens eiser voldoet de rookgasafvoer van zijn buren niet aan deze eis, waardoor sprake is van een overtreding. Hierdoor leidt hij schade. Hij kan namelijk één slaapkamer in zijn huis niet gebruiken in het stookseizoen door de rookoverlast. Ook is er sprake van extreme roetafzetting op het schilderwerk aan de noordzijde van zijn huis. De aanslag op zijn huis is pikzwart en niet te vergelijken met de uitslag op andere huizen in de straat. Daarnaast blijkt uit medisch onderzoek dat de vrouw van eiser zwarte longen heeft. Hij denkt dat dit komt door de rookgasafvoer. Daarom wil hij dat het college handhavend optreedt tegen de overtreding.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het handhavingsverzoek terecht is afgewezen. Het college heeft daarvoor drie redenen.
5.1.1.
Het college stelt als eerst dat de norm waar eiser naar verwijst niet van toepassing is op de rookgasafvoer, waardoor het niet op grond van die bepaling handhavend kon optreden. De Staatscourant waar eiser naar verwijst bevat namelijk een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Bbl), als gevolg van een aangescherpte NEN-norm. Deze NEN-norm is opgenomen in hoofdstuk 4 van het Bbl. Dat hoofdstuk geldt alleen voor nieuwbouw. Omdat de rookgasafvoer zo’n tien jaar geleden is geplaatst is er geen sprake van nieuwbouw. Daarom is de door eiser genoemde NEN-norm volgens het college niet van toepassing.
5.1.2.
Ten tweede stelt het college dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het omgevingsplan, waardoor het niet op grond van die bepaling handhavend kon optreden. Op grond van dat artikel moet degene die een bouwwerk gebruikt, proberen te voorkomen dat hij overlast of hinder veroorzaakt door het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal. Omdat eiser op de hoorzitting van de bezwarencommissie heeft verklaard dat hij nagenoeg geen hinder of overlast ervaart, is er volgens het college geen sprake van overtreding van dat artikel.
5.1.3.
Ten derde stelt het college dat de uitslag op de woning van eiser niet is veroorzaakt door roet van de rookgasafvoer. Uit het meest recente rapport van bevindingen van de toezichthouder Bouw volgt namelijk dat deze grijsgroene uitslag zich op vrijwel alle panden aan de [straat] aan de schaduwkant van de woning bevindt. Dit is ook het geval bij woningen waar geen rookgasafvoeren zitten. Deze uitslag wordt volgens de toezichthouder veroorzaakt door natuurlijke factoren en het verkeer en niet door rook van een pelletkachel.

Overtreding van het Bbl?
5.2.
De rechtbank overweegt dat eiser in zijn handhavingsverzoek verwijst naar de Staatscourant. In deze Staatscourant is een wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit) opgenomen. Het Bouwbesluit wordt onder andere gewijzigd naar aanleiding van veranderde NEN-normen. Eén daarvan is NEN-2757. De nieuwe versie van deze norm sluit aan bij artikel 4.138, vierde lid, van het Bbl. Daarin is bepaald dat een geveldoorvoer niet is toegestaan bij de rookgasafvoer van een pelletkachel, om overlast en gezondheidsrisico’s te vorkomen. Omdat het handhavingsverzoek ná de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend, is het Bouwbesluit niet van toepassing. Het Bbl is wél van toepassing. Daarom vat de rechtbank het verzoek van eiser op als een verzoek om handhavend op te treden tegen een overtreding van artikel 4.138, vierde lid, van het Bbl.
5.2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 4.138, vierde lid, van het Bbl. Dat komt omdat dat artikel in hoofdstuk 4 van het Bbl staat. Dat hoofdstuk is alleen van toepassing op nieuwbouw. De rookgasafvoer waarvoor eiser om handhaving verzoekt is al jaren aanwezig. Daarom is er geen sprake van nieuwbouw. Dat betekent dat artikel 4.138, vierde lid, van het Bbl niet geldt voor de betreffende rookgasafvoer.

Overtreding van het omgevingsplan?
5.2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het Omgevingsplan. Voor een overtreding van dat artikel moet er sprake zijn van overlast of hinder. In de toelichting op dat artikel staat dat het artikel is bedoeld als een kapstokartikel, waarin onderdelen van artikel 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit zijn opgenomen. Een beroep op dit artikel kan bijvoorbeeld slagen als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen. Uit het artikel volgt niet wanneer sprake is van ernstige hinder. Daarom moet het college vaststellen of daarvan sprake is. Het college heeft daarbij beoordelingsruimte.
5.2.3.
In dit geval komt het college tot het oordeel dat eiser nagenoeg geen hinder of overlast van de rookgasafvoer ondervindt, omdat hij dit op de hoorzitting heeft verklaard. De rechtbank kan dit standpunt van het college niet volgen. Eiser heeft in zijn handhavingsverzoek aangegeven dat hij door de ongezonde lucht van de rookgasafvoer een slaapkamer in zijn huis niet kan gebruiken en dat zijn vrouw zwarte longen heeft. Ook stelt hij in zijn verzoek dat zijn dakgoot en muur pikzwart zijn geworden en dat hij schade heeft geleden. Op de hoorzitting heeft eiser daarnaast aangegeven dat de ramen van zijn woning zwart worden, dat de zwarte aanslag op zijn woning erger is in het stookseizoen en dat hij het gebruik van de pelletkachel kan ruiken. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiser toegelicht dat hij op de hoorzitting heeft gezegd dat hij niet altijd hinder en overlast ervaart. Hij ervaart alleen hinder en overlast als de kachel brandt, vooral bij temperatuurverschillen. Eiser heeft ook toegelicht dat hij zich tijdens de hoorzitting wellicht wat zachter heeft uitgedrukt omdat hij zijn buren niet wil opleggen dat zij de kachel niet meer gebruiken en omdat hij geen ruzie met hen wil.
5.2.4.
Omdat eiser zowel in zijn handhavingsverzoek als tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat hij last heeft van het gebruik van de pelletkachel heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen overlast of hinder ervaart. Uit het bestreden besluit blijkt verder niet dat het college op enige manier zelf heeft beoordeeld of er sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het omgevingsplan. Het college had daarbij bijvoorbeeld de rapportages van de toezichthouder kunnen betrekken. Dat betekent dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het Omgevingsplan. Het college heeft dus niet goed gemotiveerd waarom het het handhavingsverzoek van eiser heeft afgewezen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.

Heeft eiser recht op een schadevergoeding vanwege een onrechtmatig overheidsbesluit?

6. Eiser stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatig overheidsbesluit. Zijn huis is namelijk minder waard geworden door extreme roetafzetting op het schilderwerk en omdat één slaapkamer in het stookseizoen niet bruikbaar is vanwege de rookoverlast. Een makelaar heeft de waardevermindering geschat op zo’n € 35.000,-.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een onrechtmatige beslissing, waardoor geen verplichting tot schadevergoeding bestaat. Ook stelt het college dat het geen extreme roetafzetting op het schilderwerk heeft kunnen concluderen en dat eiser geen bewijs heeft overgelegd van schade aan de slaapkamer.
6.2.
De rechtbank merkt het verzoek van eiser aan als een verzoek om schadevergoeding vanwege een onrechtmatig besluit. De bestuursrechter is bevoegd om op zo’n verzoek te beslissen als de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt.
6.3.
Eiser stelt dat de schade die hij heeft geleden zo’n € 35.000,- bedraagt. Dat is hoger dan de bovengrens van de bevoegdheid van de bestuursrechter. Daarom is de bestuursrechter niet bevoegd om het verzoek te beoordelen. Eiser kan schadevergoeding vorderen bij de burgerlijke rechter.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het college niet goed heeft gemotiveerd waarom het het handhavingsverzoek van eiser afwijst. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om het college op te dragen om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Een bestuurlijke lus kan namelijk niet worden toegepast als belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld. Een bestuurlijke lus zou de bewoners van de [adres] , die niet als partij deelnemen aan dit geding, kunnen benadelen, omdat het college opnieuw moet onderzoeken of er sprake is van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 juni 2025;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

(…)
Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

een onrechtmatig besluit;

een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;

(…)
Artikel 8:89
1. Indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd.

2. In de overige gevallen is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25 000 bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.

3. (…)
Artikel 8:91
Indien het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, wordt het ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is.

(…)

Besluit bouwwerken leefomgeving
Artikel 4.1. (toepassingsbereik: activiteiten)
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen.

2. Met het bouwen van nieuwe bouwwerken wordt gelijkgesteld het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert.

Omgevingsplan gemeente Oldambt
Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
1. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3831, 3.4.

Dat volgt uit artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).

Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.

Eiser verwijst naar de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van

16 december 2020 (Stcrt. 2020, 66974).

Het college verwijst naar het rapport van bevindingen van 12 augustus 2025.

Dat volgt uit artikel 4.1, eerste lid, van het Bbl.

Stb. 2020 400, p. 832 en 833.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2012, r.o. 2.4.

Zoals bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 8:91, eerste lid, van de Awb.

Dat volgt uit artikel 8:89, tweede lid, van de Awb.

Dat volgt uit artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.

Artikel delen