Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOBR:2025:8497

Aan verzoeker is een last onder dwangsom opgelegd van tweemaal € 25.000,- (totaal € 50.000,-) omdat hij zonder omgevingsvergunning op percelen met de bestemming “Agrarisch” zeven woningen heeft gerealiseerd en deze voor huisvesting van derden gebruikt.

Rechtbank Oost-Brabant 24 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOBR:2025:8497 text/xml public 2026-02-24T08:59:25 2025-12-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2025-12-24 25/2675 Uitspraak Voorlopige voorziening NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:8497 text/html public 2026-02-24T08:54:46 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2025:8497 Rechtbank Oost-Brabant , 24-12-2025 / 25/2675
Aan verzoeker is een last onder dwangsom opgelegd van tweemaal € 25.000,- (totaal € 50.000,-) omdat hij zonder omgevingsvergunning op percelen met de bestemming “Agrarisch” zeven woningen heeft gerealiseerd en deze voor huisvesting van derden gebruikt.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/2675
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. T. Delmée),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot, het college

(gemachtigden: mr. M. Stoof en C.H. Verveer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom van tweemaal € 25.000,- (totaal € 50.000,-) omdat hij zonder omgevingsvergunning op percelen met de bestemming “Agrarisch” zeven woningen heeft gerealiseerd aan de [adres] en [adres] te [woonplaats] en deze voor huisvesting van derden gebruikt.
1.1.
Verzoeker is het niet eens met de aan hem opgelegde last onder dwangsom omdat hij met name van oordeel is dat er geen sprake is van een overtreding. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen, of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.3.
De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit. Hoewel er sprake is van een overtreding, bevat het besluit een aantal gebreken die het college bij het besluit op bezwaar zal moeten herstellen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.4.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop 2.1.
Met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom van tweemaal € 25.000,- (€ 50.000,-) opgelegd met een begunstigingstermijn van acht weken. Verzoeker heeft hiertegen op 6 oktober 2025 bezwaar gemaakt.
2.2.
Op 14 oktober 2025 heeft verzoeker de gronden van zijn bezwaar aangevuld en aan de voorzieningenrechter gevraagd om, hangende het bezwaar, een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Het college heeft op 10 december 2025 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en namens de gemachtigde van verzoeker mr. T. Segers en mr. J.J. Treure. Namens het college waren de gemachtigden aanwezig.
2.5.
Op de zitting is de zaak aangehouden zodat verzoeker kon reageren op een door het college overgelegde stuk op de zitting van 11 december 2025. Dat heeft verzoeker gedaan. Vervolgens is het onderzoek gesloten op 16 december 2025.
Feiten en omstandigheden 3.1.
De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.
3.2.
Verzoeker is op 27 augustus 2014 een vergunningstraject gestart voor fase 2 van de omvorming van zijn (voormalige) champignonkwekerij naar een wormenkwekerij met recreatieve nevenactiviteiten. Het perceel bestaat uit twee kadastrale percelen gelegen aan de [adres] en [adres] te [woonplaats] (het perceel) en heeft de bestemming “Agrarisch” met de functieaanduiding “bedrijfswoning”. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij, geiten- en schapenhouderij en glastuinbouw. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het bestaande bestemmingsplan 'Buitengebied, geconsolideerde versie 2020’ (het bestemmingsplan) opgegaan in het vanaf 1 januari 2024 geldende Omgevingsplan gemeente Oirschot (het Omgevingsplan).
3.3.
Op 1 november 2014 heeft het college aan verzoeker een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel voor recreatieve nevenactiviteiten in de vorm van een minicamping/kleinschalig kamperen. Daarbij zijn onder andere de appartementen 5, 6 en 9 zoals aangeduid in bijlage 4 (de plattegrond) van het bestreden besluit vergund.
3.4.
Op 3 december 2024 heeft de toezichthouder een controle uitgevoerd op deze locatie. Er is vastgesteld dat er woningen (appartementen) in de loodsen op het perceel zijn gerealiseerd. Er zijn 9 woningen aangetroffen in de voormalige werktuigenloods aan de [adres] . Vier woningen op de begane grond en vijf woningen op de eerste etage waaronder de hiervoor genoemde appartementen 5, 6 en 9. Verder is aan de [adres] een woning gerealiseerd in een loods. Volgens het college is er sprake van een overtreding.
3.5.
Verzoeker wordt verweten de volgende overtredingen te hebben begaan/in stand te houden:

1. Overtreding van artikel 5.1, lid 1, onder a van de Omgevingswet, in samenhang met:

a. artikel 3.1 van het omgevingsplan (strijdig gebruik agrarische bestemming);

b. artikel 3.4.1, onder e van het omgevingsplan (gebruiken gronden en opstallen voor

woondoeleinden);

c. artikel 3.2.1, onder a van het omgevingsplan (realiseren van burgerwoningen)

d. artikel 3.2.5, onder a, sub 1 van het omgevingsplan (realiseren van meerdere

(bedrijfswoningen); en

e. artikel 22.26 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bouwen zonder

omgevingsvergunning).

2. Overtreding van artikel 5.1, lid 2, onder a van de Omgevingswet, in samenhang met:

a. artikel 2.26, lid 1, onder c van het Bbl (zonder bouwtechnische vergunning realiseren van woningen); en

b. artikel 5.6 van de Omgevingswet (een bouwwerk zonder omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand laten).
3.6.
Verzoeker is op 1 april 2025 gelast om de overtreding binnen 12 weken te beëindigen en beëindigd te (laten) houden. Verder heeft het college aangekondigd dat hij voornemens is om bij voortduring van de overtreding een last onder dwangsom op te leggen. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft van die gelegenheid op 14 april 2025 gebruik gemaakt.
3.7.
Op 14 augustus 2025 heeft de toezichthouder een nieuwe controle uitgevoerd en geconstateerd dat de overtredingen niet zijn beëindigd.
3.8.
Bij besluit van 26 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college een last onder dwangsom opgelegd ertoe strekkende, binnen 8 weken tot na de verzenddatum van het besluit, de permanente bewoning in de 10 woningen te beëindigen en beëindigd te houden (inbegrepen de permanente bewoning in de 3 vakantieappartementen) en de keuken én het toilet of de badkamer inclusief het leidingwerk van de zeven woningen te verwijderen en verwijderd te houden. Indien verzoeker niet aan de last voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 25.000,- ineens ten aanzien van de illegale bewoning, alsmede een dwangsom van € 25.000,- ineens ten aanzien van het niet verwijderen van de keuken én het toilet of de badkamer inclusief het leidingwerk van de zeven woningen, indien er niet tijdig gehoor wordt gegeven aan de last.
3.9.
De begunstigingstermijn eindigt op 21 oktober 2025, deze is voor de duur van deze procedure verlengd tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Verzoek
4.1.
Verzoeker heeft aan de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen (de last onder dwangsom) of een andere voorziening te treffen.

Spoedeisend belang
4.2.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
4.3.
Aangezien het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot na de uitspraak op dit verzoek en verzoeker dus – als hij geen uitvoering geeft aan de last – vanaf dat moment een dwangsom kan verbeuren van tweemaal € 25.000,- ineens, heeft hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter spoedeisend belang bij zijn verzoek. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

Inhoudelijke overwegingen
4.4.
Verder moet voor de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen in deze procedure, worden beoordeeld of hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht aanleiding geeft voor het oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe aan de hand van de aangevoerde gronden als volgt.

Is er sprake van een overtreding?

Vergunningplichtig?
4.5.1.
Verzoeker voert aan dat geen sprake is van een overtreding ten aanzien van appartementen 1, 2, en 8 aan de [adres] en het appartement aan de [adres] omdat de bouw daarvan niet vergunningplichtig is op grond van artikelen 22.26 in samenhang met artikel 22.27, onder a of i van het Omgevingsplan. Verder is verzoeker van mening dat artikel 3.2.5 van het Omgevingsplan niet van toepassing is omdat geen nieuwe bedrijfswoningen zijn gecreëerd, maar vakantiewoningen die lijn met artikel 3.5.4, onder e, van het Omgevingsplan zijn gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing.
4.5.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat meerdere zelfstandige woonruimten zijn gerealiseerd, waardoor het aantal woningen is toegenomen. Dat is in strijd met artikel 22.23 tweede lid van het Omgevingsplan. Artikel 22.27 van het Omgevingsplan is om deze reden niet van toepassing en de bouwactiviteit is vergunningplichtig op grond van artikel 22.26 van het Omgevingsplan. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het realiseren van deze eenheden bouwkundig in strijd is met de bouwregel van artikel 3.2.1 van het Omgevingsplan en is vergunningplichtig op grond van artikel 22.26 van het Omgevingsplan en artikel 2.26 van het Bbl. Deze vergunningen ontbreken. De kwalificatie die verzoeker aan de verblijfsruimten geeft, maakt dat niet anders. Voor zover verzoeker met zijn verwijzing naar artikel 3.5.4, onder e, van het Omgevingsplan betoogt dat voor de gerealiseerde verblijfsruimten planologische ruimte bestaat, kan dat ook niet slagen. Deze bepaling maakt recreatieve nevenactiviteiten uitsluitend mogelijk indien daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Artikel 3.5.4, onder e, van het Omgevingsplan bepaalt bovendien dat niet meer dan drie recreatieve verblijfsruimten kunnen worden toegestaan. Vaststaat dat met de omgevingsvergunning van 1 november 2014 reeds drie recreatieve verblijfsruimten zijn vergund en gerealiseerd. Voor de overige verblijfsruimten bestaat daarom geen planologische ruimte en is evenmin een omgevingsvergunning verleend.
4.5.3.
Uit artikel 22.23 tweede lid van het Omgevingsplan volgt dat bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 het aantal woningen gelijk blijft, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
4.5.4.
De voorzieningenrechter volgt het betoog van verzoeker dat de bouwkundige veranderingen aan de twee loodsen waarin de wooneenheden zijn gerealiseerd op grond van artikel 22.27 onder a en i van het Omgevingsplan niet vergunningplichtig zouden zijn niet. Dat kan enkel, zoals het college terecht heeft gesteld, als het aantal woningen gelijk blijft. Dit vereist artikel 22.23 lid 2 van het Omgevingsplan. Ter bepaling of het aantal woningen gelijk blijft, moet gekeken worden naar de bebouwingsmogelijkheden die het Omgevingsplan biedt. Op de verbeelding is aangeduid dat enkel een bedrijfswoning is toegestaan, deze is gerealiseerd en het Omgevingsplan staat een vermeerdering van het aantal (bedrijfs)woningen niet toe.
4.5.5.
Het standpunt van verzoeker dat geen sprake is van (bedrijfs)woningen, maar van vakantiewoningen zodat artikel 22.23 lid 2 van het Omgevingsplan niet van toepassing, slaagt niet. De voorzieningenrechter overweegt dat het Omgevingsplan ook de realisatie van vakantiewoningen zonder omgevingsvergunning niet toestaat. Op grond van artikel 3.5.4. onder e van het Omgevingsplan zijn maximaal drie vakantiewoningen toegestaan en deze zijn al gerealiseerd met de omgevingsvergunning in het jaar 2014. Dat maakt dat appartementen 1, 2, en 8 aan de [adres] en het appartement aan de [adres] niet gerealiseerd mogen worden, ook niet als deze zouden moeten worden beschouwd als vakantiewoningen. Het oprichten van deze woningen is dan ook in strijd met artikel 22.26 in samenhang met artikel 22.27 van het Omgevingsplan, omdat op grond van deze artikelen alleen geen vergunningplicht geldt als een activiteit in overeenstemming is met het Omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 juli 2025, gaat om dezelfde reden niet op. Uit die uitspraak volgt namelijk dat geen sprake was van strijd met het omgevingsplan voor zover het de functie “wonen” betrof omdat deze was toegestaan op grond van de bestemming “gemengd”. Daar is in deze zaak geen sprake van.
4.5.6.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, voldoen de bouwkundige veranderingen aan de loods waarmee de zeven wooneenheden zijn gerealiseerd niet aan artikel 22.26 in samenhang met artikel 22.27 en is daarvoor een omgevingsvergunning vereist. Omdat het college voor die bouwkundige veranderingen geen omgevingsvergunning heeft verleend, is verbouwd in strijd met artikel 22.26 van het Omgevingsplan in samenhang met 5.1. eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van artikel 5.1. lid 2 onder a Omgevingswet in samenhang met artikel 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) een omgevingsvergunning nodig voor een technische bouwactiviteit. Op grond van artikel 2.26 lid 1 onder c Bbl is het verboden zonder omgevingsvergunning de indeling in (sub)brandcompartimenten te wijzigen. Tijdens de zitting is komen vast te staan dat verzoeker met de realisering van zeven appartementen in de loodsen de indeling heeft gewijzigd door het plaatsen van scheidingsmuren. Daardoor is sprake van zeven extra afzonderlijke eenheden. Daarmee heeft verzoeker de indeling in de (sub)brandcompartimenten gewijzigd. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 lid 1 onder c Bbl is sprake van een vergunningplichtige activiteit en heeft verzoeker voor die activiteit een vergunning nodig.

Deze grond van verzoeker slaagt niet.

Beperking bouwregels
4.6.1.
Verzoeker betoogt verder dat geen sprake is van overtreding van de in artikel 3.2.1 van het Omgevingsplan neergelegde bouwregels. Volgens hem is de daarin opgenomen beperking dat gebouwen uitsluitend mogen worden gebruikt ten dienste van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf, volgens vaste rechtspraak niet relevant bij het bepalen van het toegestane gebruik van deze gebouwen. Verzoeker verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019. Verder betoogt verzoeker dat artikel 3.2.1 van het Omgevingsplan slechts “algemene uitgangspunten” bevat en daarom niet handhaafbaar zou zijn.
4.6.2.
Het college stelt dat in het bestreden besluit het gebruik niet wordt gehandhaafd door middel van bouwregels, maar dat de bouwregel van artikel 3.2.1. van het Omgevingsplan is overtreden. Het strijdige gebruik is gebaseerd op de daarvoor bestemde bepalingen van het Omgevingsplan (artikelen 3.1 en 3.4.1 onder e). Het betoog van verzoeker dat artikel 3.2.1 van het Omgevingsplan slechts 'algemene uitgangspunten’ bevat en daarom niet handhaafbaar zou zijn, is evenmin juist. Het feit dat het Omgevingsplan voor verschillende situaties expliciet afwijkingsmogelijkheden biedt, bevestigt dat artikel 3.2.1 een bindende bouwregel is. Alleen van een norm kan immers worden afgeweken, zo stelt het college.
4.6.3.
In artikel 3.2.1. van het Omgevingsplan staat dat gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf of ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' ten behoeve van het ter plaatse gevestigde glastuinbouwbedrijf.
4.6.4.
Het betoog van verzoeker slaagt niet. Het college stelt terecht dat aan de overtreding ten grondslag wordt gelegd dat de bouwregel van artikel 3.2.1. van het bestemmingplan is overtreden. Het strijdige gebruik is gebaseerd op de daarvoor bestemde bepalingen van het Omgevingsplan (artikelen 3.1 en 3.4.1 onder e). Dat maakt dat de uitspraak waar verzoeker naar verwijst niet op gaat. Verder is in tegenstelling tot die uitspraak in deze zaak niet onduidelijk wat onder het toegestane gebruik moet worden verstaan, hetgeen verzoeker ook heeft erkend op de zitting. Daarmee verschilt deze situatie ook al van de situatie die aan de orde was in de uitspraak van 23 januari 2019.

Ook stelt het college terecht dat in het feit dat het Omgevingsplan voor verschillende situaties expliciet afwijkingsmogelijkheden biedt bevestiging moet worden gezien dat artikel 3.2.1 een bindende bouwregel is.

Vergunning van rechtswege
4.7.1.
Verzoeker voert aan dat de appartementen met nummer 3 en 7 op de begane grond, nummer 6 en 8 op de verdieping aan de [adres] en het appartement in de loods aan de [adres] van rechtswege zijn vergund. Op 29 december 2022 heeft verzoeker daarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd. Op deze aanvraag is nooit beslist, ook niet door een buitenbehandelingstelling. Tijdens de zitting heeft verzoeker aangevuld dat er ook een aanvraag is gedaan op 30 november 2022, dit betrof de realisatie van verblijfsruimten en het gebruik daarvan voor de huisvesting van tijdelijke medewerkers. De aanvraag van 29 december 2022 betrof de aanvraag brandveilig gebruik.
4.7.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat het feitelijk onjuist is dat niet op de aanvraag van 29 december 2022 en 30 november 2022 zou zijn beslist. Ten aanzien van de aanvraag van 29 december 2022 is bij brief van 23 januari 2023 aan verzoeker meegedeeld dat de aanvraag onvolledig was en is verzocht om aanvulling. Nu de hersteltermijn ongebruikt is verstreken, is deze aanvraag bij besluit van 5 juni 2023 op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Het college heeft daar op zitting aan toegevoegd dat de (herhaalde) aanvraag van 30 november 2022 met het besluit van 1 december 2022 buiten behandeling is gesteld. Daarnaast kan ook om procedurele redenen geen vergunning van rechtswege zijn ontstaan. Uit zowel de aanvraag van 30 november 2022 als die van 29 december 2022 volgt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Omdat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing is verklaard op besluiten die worden voorbereid met toepassing van paragraaf 3.3 van de Wabo, geldt artikel 4:20b van de Awb hier niet en is dus geen vergunning van rechtswege ontstaan.
4.7.3.
Uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat hij op 30 november 2022 een aanvraag heeft gedaan voor het intern veranderen van de bestaande inrichting. Uit het overgelegde exploitatieplan is af te leiden dat daarmee werd verzocht een wijziging van inrichting in die zin dat de wormenkwekerij werd opgeheven. Het bedrijf was inmiddels in gebruik voor vollegrondteelt met de daarbij behorende verwerkingsruimte. Verder is verzocht om de legalisering van gerealiseerde appartementen met nummer 3 en 7 op de begane grond en nummer 6 en 8 op de verdieping aan de [adres] (artikel 2.1. onder a van de Wabo). Ook werd verzocht om het appartement in de loods aan de [adres] te mogen gebruiken voor huisvesting van tijdelijke werknemers (artikel 2.1. onder c van de wabo). Uit de aanvraag van 29 december 2022 blijkt dat verzoeker heeft verzocht om een omgevingsvergunning voor het brandveilig gebruiken van een logiesgebouw.
4.7.4.
Hoewel verzoeker betwist dat hij de brief van 1 december 2022 heeft ontvangen, op grond waarvan het besluit niet in werking zou zijn getreden omdat het niet bekend is gemaakt, heeft dat standpunt zelfs als dat juist zou zijn, niet tot het gevolg dat een vergunning van rechtswege is ontstaan. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden op dat punt in dit stadium van de procedure een reactie te vragen van het college. Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb dat betrekking heeft op de vergunning van rechtswege, is niet van toepassing verklaard op besluiten die worden voorbereid met de uitgebreide procedure en uit beide aanvragen leidt de voorzieningenrechter af dat voor de verzochte activiteiten de uitgebreide procedure gevolgd had moeten worden. Ten aanzien van de aanvraag van 30 november 2022 op grond van artikel 2.10 lid 1 onder c van de Wabo omdat die onder andere betrekking heeft op een verandering van een inrichting en artikel 3.10 eerste lid onder c bepaalt dat dan de uitgebreide procedure gevolgd moet worden. Weliswaar had de aanvraag ook betrekking op het huisvesten van tijdelijke werknemers in de bestaande bebouwing dat mogelijk met een binnenplanse afwijking verleend had kunnen worden, maar als eenmaal de uitgebreide procedure op een activiteit van toepassing is, geldt dat voor alle activiteiten die in dezelfde aanvraag worden aangevraagd. De aanvraag van 29 december 2022 heeft betrekking op het brandveilig gebruik van een logies gebouw. Op grond van artikel 3.10 lid 1 onder b Wabo is voor de verlening van deze vergunning de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Er zijn dus geen vergunningen van rechtswege ontstaan ten aanzien van de appartementen met nummer 3 en 7 op de begane grond, nummer 6 en 8 op de verdieping aan de [adres] en het appartement in de loods aan de [adres] . Deze grond slaagt niet.

Permanente bewoning
4.8.1.
Verzoeker betoogt verder dat er geen sprake is van een overtreding op grond van artikel 3.4.2 jo. artikel 1.119 van het Omgevingsplan omdat het college niet heeft aangetoond dat er sprake is van permanente bewoning. Dat geen sprake is van een overtreding blijkt uit de variabele huurprijs, die maandelijks opnieuw wordt bepaald aan de hand van het aantal overnachtingen in de voorgaande maand. Het college heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel gehandeld.
4.8.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat wel is komen vast te staan dat sprake is van permanente bewoning. Zij heeft twee controles uitgevoerd, waarbij ook gesprekken zijn gevoerd met de eigenaar van het perceel. Daaruit volgde dat de woningen zonder recreatief oogmerk worden verhuurd aan bedrijven die arbeidsmigranten huisvesten, en er is geen enkele toelichting gegeven waaruit zou blijken dat het verblijf binnen de grenzen van niet-permanente bewoning blijft. Op grond daarvan is voor het college aannemelijk dat sprake is van permanente bewoning. Dat volgens verzoeker sprake zou zijn van een variabele huurprijs maakt dit niet anders. Een variabele huurprijs zegt niets over de verblijfsduur en vormt geen aanwijzing dat het gebruik recreatief of kortdurend is. Verzoeker heeft bovendien op geen enkele wijze feitelijk onderbouwd dat de recreatieve appartementen niet permanent worden bewoond. Het college is verder van mening dat verhuur voor de huisvesting van arbeidsmigranten in de vergunde appartementen strijdig is met de vergunning, omdat enkel recreatief gebruik is toegestaan.
4.8.3.
In artikel 3.4.2. van het Omgevingsplan is bepaald dat onder strijdig gebruik valt, met het bepaalde in de sub leden 3.4.1 en 3.5.4, het gebruik voor permanente bewoning van gebouwen waaronder vakantiewoningen/-appartementen.
4.8.4.
Onder permanente bewoning wordt in artikel 1.119 van het Omgevingsplan verstaan bewoning door eenzelfde persoon of groep van personen buiten het zomerseizoen in een kalenderjaar gedurende meer dan 70 nachten, terwijl elders niet daadwerkelijk over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt.
4.8.5.
De voorzieningenrechter merkt ten eerste op dat het college in het bestreden besluit wel heeft overwogen dat er sprake is van permanente bewoning, maar niet specifiek de overtreding van artikel 3.4.2. van het Omgevingsplan heeft benoemd bij de overtredingen. Dit zal het college in het besluit op bezwaar dienen te herstellen, indien het deze overtreding in het besluit op bezwaar wil handhaven.
4.8.6.
Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden gebruik (de permanente bewoning) niet is komen vast te staan. Het college heeft gesteld dat het aan de hand van twee controles op 3 december 2024 en 18 augustus 2025 en aan de hand van de gesprekken die hij met verzoeker heeft gevoerd, heeft vastgesteld dat sprake is van permanente bewoning. De eigenaar zou namelijk hebben verklaard de woningen zonder recreatief oogmerk te verhuren aan bedrijven die arbeidsmigranten huisvesten. De voorzieningenrechter volgt het college hierin niet. Het college heeft op basis deze gegevens naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kunnen vaststellen dat sprake is van permanente bewoning, zoals is omschreven in artikel 3.4.2. in samenhang met artikel 1.119 van het Omgevingsplan. Dit valt uit de overlegde controlerapporten niet af te leiden en ook niet uit de verklaring van de eigenaar. Daaruit valt enkel af te leiden dat de woningen zonder recreatief oogmerk werden verhuurd aan arbeidsmigranten, maar niet dat sprake is van permanente bewoning. Het college heeft onvoldoende feiten aangevoerd om tot het oordeel te komen dat er inderdaad sprake is van permanente bewoning, nu niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bewoning door eenzelfde persoon of groep van personen buiten het zomerseizoen in een kalenderjaar gedurende meer dan 70 nachten, terwijl elders niet daadwerkelijk over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt. Voor zover het college van mening is dat het gebruik van de drie vergunde appartementen in strijd met de verleende vergunning is, omdat geen sprake zou zijn van recreatief gebruik, is dat niet specifiek aan de last ten grondslag gelegd, waardoor dat standpunt geen verdere bespreking behoeft. Deze grond slaagt.

Conclusie ten aanzien van de overtreding
4.9.
Hoewel permanente bewoning niet is komen vast te staan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat vanwege de andere geconstateerde overtredingen, sprake is van een overtreding van zowel artikel 5.1. onder a en b van de Omgevingswet. Verzoeker heeft zeven wooneenheden zonder omgevingsvergunning voor zowel de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit gerealiseerd. Deze mogen daarom ook niet gebruikt worden en daarbij maakt het niet uit of deze als vakantiewoning of (bedrijfs)woning worden gebruikt. Ten aanzien van de drie vergunde vakantieappartementen (5, 6, en 9) is enkel het gebruik als overtreding aangemerkt. Nu permanente bewoning niet is komen vast te staan, kan de last zonder nadere onderbouwing niet in stand blijven voor zover die betrekking heeft op het gebruik van de vergunde appartementen. Het college is daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter enkel bevoegd om handhavend op te treden tegen de wooneenheden die zonder de hiervoor genoemde omgevingsvergunning zijn gerealiseerd.
4.10.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, moet bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
4.11.1.
Verzoeker is van oordeel dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat met de beschikking van 1 november 2014 van de kant van het college uitlatingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden mocht afleiden dat hij geen omgevingsvergunning bouwen nodig had voor het realiseren van extra vakantieappartementen. Hij verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025. Zelfs als deze uitlating in strijd zou zijn met wet- en regelgeving, kan dit verzoeker niet worden tegengeworpen. Hij houdt zich niet bedrijfsmatig bezig met omvorming van gebouwen. Van hem kan dan ook niet meer deskundigheid worden verwacht dan van het college.
4.11.2.
Het college stelt dat ook indien wordt aangenomen dat het college in het besluit van 1 november 2014 de opvatting huldigde dat de bouw van drie recreatieve verblijfsruimten vergunningvrij was, kan verzoeker daaraan geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen ten aanzien van de overige, nadien gerealiseerde wooneenheden. Volgens vaste rechtspraak kan slechts sprake zijn van een toezegging wanneer de uitlating betrekking heeft op de concrete, aan de orde zijnde situatie. Een uitlating over een ander geval kan niet worden aangemerkt als toezegging waarop gerechtvaardigd vertrouwen kan worden gebaseerd.
4.11.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Om een toezegging toe te kunnen rekenen aan het bestuursorgaan dient de uitlating te zijn toegesneden op de concrete situatie waarvan wordt gesteld dat deze wordt gedekt door de toezegging. Daarvan is geen sprake. Verzoeker verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar de beschikking van 1 november 2014. Van de kant van het college zijn daarbij volgens hem uitlatingen gedaan waaruit verzoeker in de gegeven omstandigheden mocht afleiden dat hij geen omgevingsvergunning bouwen nodig had voor het realiseren van extra (vakantie)woningen. Omdat de uitlating (de beschikking van 1 november 2014) niet gedaan is ten behoeve van de geconstateerde overtredingen met betrekking de appartementen 1, 2, 3, 4, 7 en 8 en op de in de loods gerealiseerde woning, is van een concrete situatie waaraan een toezegging ontleend kan worden geen sprake. Uitlatingen over een ander geval zijn niet aan te merken als een toezegging. De uitspraak waar verzoeker naar verwijst, maakt dat niet anders. In die zaak was sprake van een op het concrete geval toegesneden uitlating van het college over de vergunningsplicht. Een dergelijke uitlating ontbreekt hier, zodat deze uitspraak geen steun biedt voor het standpunt van verzoeker. Deze grond slaagt dus niet.

Concreet zich op legalisatie
4.12.1.
Verzoeker betoogt verder dat voor zover de bouw en het gebruik van de appartementen een vergunningplicht geldt, vanwege concreet zicht op legalisatie moet worden afgezien van handhaving.

Bouwtechnische activiteit
4.12.2.
Ten aanzien van de technische bouwactiviteit heeft hij aangevoerd dat op grond van artikel 8.3b Bkl een limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden geldt. Het bevoegd gezag moet de vraag of legalisatie mogelijk is zelfstandig en los van de aanvraag beantwoorden. Een dergelijke afweging volgt niet uit het bestreden besluit. Bovendien heeft het college in 2014 al beoordeeld dat vergelijkbare appartementen voldeden aan de destijds geldende bouwregels, zodat ook voor de overige op dezelfde wijze gerealiseerde appartementen concreet zicht op legalisatie bestaat.
4.12.3.
Het college stelt zich op het standpunt dat een wijziging van de indeling in brandcompartimenten op grond van artikel 2.26, eerste lid, onder c, van het Bbl vergunningplichtig is. Pas wanneer een aanvraag is ingediend, bepaalt artikel 8.3b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat de vergunning alleen kan worden verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de bouwtechnische voorschriften uit het Bbl. Het artikel verplicht het college niet om zonder aanvraag of zonder de daarvoor benodigde gegevens zelfstandig een bouwtechnische beoordeling uit te voeren. In dit geval ontbreekt een aanvraag omdat deze onder meer bij besluit van 5 juni 2023 buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van essentiële gegevens waaronder gegevens over de feitelijke brandcompartimentering. Zonder deze gegevens is een inhoudelijke toets aan het Bbl niet mogelijk en kan niet worden beoordeeld of een vergunning in beginsel verleend zou moeten worden.
4.12.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van zicht op legalisatie ten aanzien van de technische bouwactiviteit. Er wordt niet voldaan aan artikel 2.26 lid 1 onder c Bbl omdat het op grond daarvan verboden is om zonder omgevingsvergunning de indeling in brandcompartimenten te wijzigen en met de zeven gerealiseerde woningen zijn nieuwe brandcompartimenten gerealiseerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor concreet zicht op legalisatie vereist is dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ten minste een begin moet zijn gemaakt met de voor verlening van een omgevingsvergunning vereiste procedure. Daartoe moet ten minste een aanvraag voor die omgevingsvergunning zijn ingediend. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit lag er geen aanvraag ter beoordeling omdat de aanvraag van verzoeker onder meer bij besluit van 5 juni 2023 op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling is gesteld. Artikel 8.3b van het Bkl verplicht het college dan inderdaad niet om zonder aanvraag of zonder de daarvoor benodigde gegevens zelfstandig een bouwtechnische beoordeling uit te voeren. Alleen daarom kan geen sprake zijn van concreet zicht op legalisatie voor deze activiteiten.

Ruimtelijke bouw appartementen
4.12.5.
Verzoeker stelt dat voor de ruimtelijke bouwactiviteit onder de Omgevingswet geen discretionaire bevoegdheid meer bestaat, omdat het stelsel voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten een limitatief-imperatief karakter heeft. Uit onder meer artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl volgt, dat wanneer het bouwen of het gebruik van een bouwwerk binnen het Omgevingsplan past, het college verplicht is een vergunning te verlenen. Het college had zelfstandig moeten beoordelen of de ruimtelijke bouwactiviteit gelegaliseerd kan worden. Verder voert verzoeker aan dat het Omgevingsplan geen specifieke bouwregels kent voor vakantie-appartementen of logiesruimten voor arbeidsmigranten en dat daarom moet worden aangesloten bij de algemene bouwregels. Aan die regels wordt voldaan. Ten onrechte heeft het college bij het beoordelen van de mogelijkheden enkel gekeken naar gemeentelijk en provinciaal beleid, zonder daarbij de concrete planologische kaders te betrekken.
4.12.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de realisatie van extra verblijfsruimten een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid ontbreekt. Er hoefde ook niet te worden aangesloten bij algemene planregels. Het Omgevingsplan regelt expliciet zowel het maximum aantal toegestane recreatieve verblijfsruimten als de toegestane woningvorming en het toegestane gebruik. De huidige situatie valt niet onder de categorieën die binnenplans mogelijk zijn en is daarom op voorhand in strijd met het Omgevingsplan. Artikel 8.0a van het Bkl is niet van toepassing. Voor legalisatie van de appartementen voor huisvesting zal de buitenplanse route moeten worden gevolgd. IHet BOPA-beleid van de gemeente Oirschot voor het gebruik van bouwwerken voor werknemers sluit aan bij de Beleidsregel huisvesting arbeidsmigranten 2021. De schaal en aard van de huidige situatie - zeven zelfstandige verblijfsruimten - vallen daar niet onder. Daarmee bestaat ook via de buitenplanse route geen concreet zicht op legalisatie. De voorzieningenrechter kan dit standpunt volgen en ziet reden om daaraan te twijfelen.

Gebruik appartementen
4.12.7.
Ten aanzien van het gebruik van de appartementen heeft verzoeker betoogt dat het Omgevingsplan het mogelijk maakt om het huidige gebruik te legaliseren op grond van artikel 3.5.8 van het Omgevingsplan. Aan de voorwaarden van dit artikel wordt volgens verzoeker voldaan en omdat dit een binnenplanse omgevingsactiviteit betreft, moet een vergunning worden verleend wanneer aan de voorwaarden is voldaan. Daarnaast is op 11 april 2025 opnieuw een omgevingsvergunning aangevraagd ten aanzien van het gebruik van twee appartementen (appartementen 4 en 9). Ten college heeft deze ten onrechte buiten behandeling gesteld en verzoeker heeft daartegen bezwaar ingediend.
4.12.8.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, voor zover de binnenplanse afwijkingsregels zouden moeten worden uitgelegd als een verplichting tot vergunningverlening, deze verplichting moet worden gelezen als een bevoegdheid op grond van artikel 22.281 van het Omgevingsplan. Dit artikel regelt namelijk dat als de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan de verplichting bevatten om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van de regels, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid. Daarmee is het limitatief imperatief stelsel van artikel 8.0a Bkl niet van toepassing op deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheid en is het college niet gehouden een vergunning te verlenen, zelfs niet wanneer aan de in artikel 3.5.8 van het omgevingsplan neergelegde voorwaarden zou zijn voldaan. Voor de legalisatie van het gebruik van de appartementen 6 en 9 is op 11 april 2025, dus voorafgaand aan het bestreden besluit een aanvraag ingediend maar deze is op 23 juli 2025 buiten behandeling gesteld omdat essentiële informatie ontbrak. Daarvoor loopt nog een procedure, maar het college heeft op zitting nog eens benadrukt, zoals ook in het bestreden besluit is overwogen, dat het geen medewerking wil verlenen aan het huisvesten van arbeidsmigranten vanwege gemeentelijke en provinciaal beleid. Nu sprake is van een bevoegdheid en het college geen medewerking wil verlenen, is alleen al om die reden geen sprake van concreet zicht op legalisering. Ook deze grond slaagt niet.

Onduidelijke en te verstrekkende last
4.13.1.
Verzoeker voert aan dat de last onduidelijk en te verstrekkend is omdat in het bestreden besluit een groot aantal artikelen wordt opgesomd die verzoeker zou overtreden. Dat wordt gevolgd door een last strekkend tot beëindiging van de overtreding binnen 8 weken. Om welke overtreding dit gaat, wordt niet nader gespecificeerd. Het is dan ook onduidelijk welke overtreding verzoeker precies dient te beëindigen.
4.13.2.
Het college stelt dat het bestreden besluit duidelijk en concreet omschrijft op welke wijze de geconstateerde overtredingen kunnen worden beëindigd. De overtredingen bestaan uit het realiseren en gebruiken van meerdere zelfstandige woonruimten zonder de vereiste vergunningen. De opgelegde last strekt er uitsluitend toe deze situatie ongedaan te maken.
4.13.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat aan het bestreden besluit meerdere overtredingen ten grondslag zijn gelegd, maar dat het college vervolgens stelt dat de ‘overtreding’ (enkelvoud) beëindigd dient te worden binnen een termijn van 8 weken. Dat maakt de last enigszins onduidelijk omdat daar ‘overtredingen’ (meervoud) had dienen te staan.
4.13.4.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het gedeelte van de last, waarbij verzoeker de keuken en het toilet of badkamer inclusief het leidingwerk van de zeven woningen moet verwijderen en verwijderd houden, voldoende duidelijk en concreet geformuleerd is en niet te verstrekkend is. De last is wel te verstrekkend voor zover het strekt om de permanente bewoning in de tien woningen te beëindigen. Zoals hiervoor is overwogen onder alinea 4.8.6. is de permanente bewoning niet komen vast te staan. Het college zal in het besluit op bezwaar deze overtreding nader moeten onderbouwen voor zover het deze last wil handhaven in de beslissing op het bezwaar. De toelichting die het college heeft gegeven in het verweerschrift en op de zitting is daartoe onvoldoende.
4.13.5.
Gezien het feit dat er sprake is van een gebreken in de besluitvorming en het college op zitting daarvoor geen afdoende verklaring heeft gegeven, ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

Hoogte dwangsom onredelijk
4.14.1.
Verzoeker stelt tenslotte dat de hoogte van de opgelegde dwangsom onredelijk is. Hij verwijst naar het gemeentelijke uitvoeringsbeleid, waarin is bepaald dat de hoogte van een dwangsom wordt afgestemd op de Handreiking Bestuurlijke Sanctiemiddelen (Handreiking).Volgens deze Handreiking wordt de dwangsom voor illegaal gebruik van bebouwing gekoppeld aan de oppervlakte. Voor oppervlakten tussen 101 m2 en 500 m2 bedraagt de dwangsom volgens verzoeker € 5.000,- per week, met een maximum van € 30.000,-. In dit geval is echter € 25.000,- ineens opgelegd en dat is niet in lijn met het gemeentelijk beleid.
4.14.2.
Het college betwist dat de hoogte van de opgelegde dwangsom onredelijk is.

Het college hanteert de “landelijke leidraad dwangsombedragen en begunstigingstermijnen” (landelijke leidraad) en de Handreiking beleidsmatig als uitgangspunt en hulpmiddel. Conform de landelijke leidraad is de dwangsomhoogte vastgesteld op een niveau dat voldoende hersteldwang creëert om beëindiging van de overtreding af te dwingen en het economisch voordeel dat met de illegale bewoning wordt behaald, wegneemt en een effectieve en afschrikwekkende werking heeft gelet op de schaal (zeven wooneenheden). Het bedrag van € 25.000 staat daarmee in redelijke verhouding tot zowel het geschonden belang als de beoogde werking van de dwangsom. Het toepassen van dwangsom ineens is juridisch toegestaan op grond van artikel 5:32b Awb en beleidstechnisch gerechtvaardigd omdat de landelijke leidraad als handvat maatwerk toestaat en niet dwingt tot een per-periode systeem, en feitelijk het meest effectief om in deze concrete, omvangrijke en financieel aantrekkelijke overtredingssituatie beëindiging af te dwingen.
4.14.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het bestreden besluit de motivering met betrekking tot de hoogte van de dwangsom ontbreekt. Het college heeft zich enkel op het standpunt gesteld dat de hoogte van de dwangsommen in redelijke verhouding staan tot zwaarte van de geschonden belangen en de boogde werking van de dwangsom. Dat acht de voorzieningenrechter een onvoldoende motivering, omdat het college de zwaarte van het geschonden belang niet concretiseert. Verder is niet gemotiveerd waarom is gekozen voor een dwangsom ineens. Het college heeft dit in het verweerschrift wel nader gemotiveerd, maar verzoeker heeft terecht gesteld dat het college op grond van zijn eigen beleid voor de hoogte van de dwangsom aansluiting moet zoeken bij de Handreiking. Door aansluiting te zoeken bij de “Leidraad dwangsombedragen en begunstigingstermijnen” handelt het in strijd met het eigen beleid. Weliswaar wordt de Handreiking toegepast als een handvat en is afwijken daarvan mogelijk, maar dan dient het college wel duidelijk te motiveren waarom daarvan wordt afgeweken. Het college heeft dat op de zitting onvoldoende gemotiveerd. Gezien het feit dat er sprake is van een gebrek in de besluitvorming en het college daarvoor geen afdoende verklaring heeft gegeven, ziet de voorzieningenrechter tevens hierin aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.
Conclusie en gevolgen 5.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopig voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaar.
5.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend (1 punt) en aan de zitting deelgenomen (1 punt) en een reactie gegeven op een nader stuk (0,5 punt). Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.267,50.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op het bezwaar;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 2.267,50 aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:10
1. Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

2 Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan anders is bepaald, is deze afdeling niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit inhoudende de afwijzing van een aanvraag tot intrekking of wijziging van een besluit.

3 Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen, indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze afdeling.

4. Indien deze afdeling van toepassing is op de voorbereiding van een besluit is paragraaf 4.1.3.3. niet van toepassing.
artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
artikel 5:21
Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
artikel 5:24
1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2 De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

3 De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.
artikel 5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2 (…)
artikel 8:81
Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Invoeringswet omgevingswet
artikel 4.3 (besluit op aanvraag)
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:

a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,

b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Omgevingswet (Ow)
artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit (…) tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een bouwactiviteit (…) voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
artikel 5.6. (verbod in stand laten zonder vergunning gebouwd bouwwerk)
Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand te laten.
artikel 18.4a. (herstelsanctie en rechtsopvolger)
Het bestuursorgaan dat een besluit neemt tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom gericht op naleving van een bij of krachtens deze wet gestelde regel kan daarbij bepalen dat het besluit ook geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie de last wordt opgelegd. In dat geval kan het bestuursorgaan het besluit tegen de rechtsopvolgers ten uitvoer leggen en de kosten van die tenuitvoerlegging of een verbeurde dwangsom bij die rechtsopvolgers invorderen.

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

2 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 8.3b (beoordelingsregels bouwactiviteit)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het bouwen van een nieuw bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de maatwerkregels die op grond van artikel 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld.

2 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

Artikel 2.26 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit: bouwwerken zonder dak)

1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak en dat bouwwerk:

a) hoger is dan 5 m;

b) ondergronds is gelegen; of

c) de draagconstructie of de indeling in brandcompartimenten, subbrandcompartimenten of beschermde subbrandcompartimenten wijzigt.

Artikel 2.27 (uitzonderingen aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit in de artikelen 2.25 en 2.26 )

In afwijking van de artikelen 2.25 en 2.26 geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten niet voor de in die artikelen aangewezen bouwactiviteiten als die betrekking hebben op:

a.een bouwwerk dat valt onder gevolgklasse 1 als bedoeld in artikel 2.17; of

b.het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk waarbij de volgende onderdelen niet wijzigen:

1°.de draagconstructie;

2°.de indeling in brandcompartimenten, subbrandcompartimenten of beschermde subbrandcompartimenten; en

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (geldend tot 1 januari 2024)
Artikel 2.1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

d. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen,

e.

1°.het oprichten,

2°.het veranderen of veranderen van de werking of

3°.het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

(…)
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

(…)

een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d;

een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e.

(…)

Omgevingsplan gemeente Oirschot (geldend per 1 januari 2024)
Artikel 22.26 (Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken)
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27 (Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing)

Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1. op de grond staand;

2. gelegen in achtererfgebied;

3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

4. niet hoger dan 5 m;

5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan één bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

(…)

i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

2. geen uitbreiding van het bouwvolume; en

3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
1. De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.281
Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

Omgevingsplanregels bestemmingsplan 'Buitengebied, geconsolideerde versie 2020’

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

(…)

artikel 1.119. permanente bewoning: bewoning door eenzelfde persoon of groep van personen buiten het zomerseizoen in een kalenderjaar gedurende meer dan 70 nachten, terwijl elders niet daadwerkelijk over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt.
artikel 127.recreatiewoning:
een gebouw bestemd voor verblijfsrecreatie ten dienste van een huishouden dat zijn hoofdverblijf elders heeft.
artikel 137.tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers:
het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar aard kortdurend werk te verrichten, voor zover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering.
artikel 1.143 vakantiewoning / vakantieappartement:
een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond
artikel 146.verblijfsrecreatie:
een vorm van recreatief verblijf, waarbij sprake is van overnachtingen anders dan met gebruikmaking van een hotel, pension of woning dan wel een vaartuig;
artikel 1.159 zomerseizoen: de periode van 15 maart tot en met 31 oktober.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij, geiten- en schapenhouderij en glastuinbouw, met dien verstande dat veehouderijen uitsluitend zijn toegestaan op locaties waar:

op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan een veehouderij planologisch legaal aanwezig is; dan wel

een veehouderij mag worden gevestigd krachtens een vóór de vaststelling van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning voor planologisch gebruik;

ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' tevens de uitoefening van een intensief veehouderijbedrijf; uitgezonderd een geiten- en schapenhouderij;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - geiten- en schapenhouderij' tevens de uitoefening van een geiten- en/of schapenhouderij;

ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' tevens een glastuinbouwbedrijf;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch- educatieve viskwekerij' tevens een educatieve viskwekerij;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak' tevens een paardenbak;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschapsbeheer' tevens voor landschapsbeheer;

bedrijfsmatige nevenactiviteiten als genoemd in bijlage 3 'Nevenactiviteiten' bij deze regels;

ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' een bedrijfswoning;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – toeristenpoort' tevens een toeristenpoort;

ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening' tevens een speelvoorziening in de vorm van een openbare fietscrossbaan en een openbare speeltuin;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - veldschuur' tevens een veldschuur;

ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' tevens een kampeerterrein;

ter plaatse van de aanduiding 'kampeerboerderij' tevens een groepsaccommodatie;

aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten;

openbare nutsvoorzieningen;

extensief recreatief medegebruik;

water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

wegen, paden en overige infrastructurele voorzieningen;

tuinen en erven;

landschappelijke inpassing;

alsmede voor:

het behoud van de cultuurhistorische bebouwing conform bijlage 4 'Monumenten en beeldbepalende panden'

Artikel 3.2 Bouwregels

artikel 3.2.1 Algemeen

Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf of ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' ten behoeve van het ter plaatse gevestigde glastuinbouwbedrijf.

(…)
artikel 3.2.5 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken
a. Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

1. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan, tenzij de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden' is opgenomen, in welk geval maximaal het aangegeven aantal bedrijfswoningen is toegestaan.

Artikel 3.4 Specifieke gebruiksregels

artikel 3.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en/of opstallen voor: (…)

e. het gebruik voor woondoeleinden en/of zorgdoeleinden met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen
artikel 3.4.2 Permanente bewoning
Onder strijdig gebruik met het bepaalde in de subleden 3.4.1 en 3.5.4 valt het gebruik van gebouwen, kampeermiddelen, trekkershutten, bed & breakfast-voorzieningen, vakantiewoningen/-appartementen, groepsaccomodaties/kampeerboerderijen en kleinschalig kamperen/minicamping voor permanente bewoning.

Artikel 3.5 Afwijken van de gebruiksregels

artikel 3.5.4 Recreatieve nevenactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.1 en sub 3.4.1 en recreatieve nevenactiviteiten toestaan, zoals opgenomen in bijlage 1 'Indicatieve lijst nevenfuncties en gebruiksfuncties' bij deze regels, dan wel een vergelijkbare recreatieve nevenactiviteit, met dien verstande dat:

a. voldaan wordt aan de volgende algemene voorwaarden:

de recreatieve nevenactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij hierna expliciet is aangegeven dat de nevenfunctie ook buiten het bouwvlak is toegestaan;

het totaal aan verblijfsgerichte recreatieve nevenactiviteiten bedraagt maximaal 200 m2 per bouwvlak, met dien verstande dat:

indien een groepsaccommodatie/kampeerboerderij is toegestaan, het totaal aan verblijfsgerichte recreatieve nevenactiviteiten maximaal 350 m2 bedraagt;

de grondoppervlakte die in gebruik is voor het plaatsen van kampeermiddelen niet wordt meegerekend in de totale oppervlakte;

3. het aantal overnachtingsplaatsen voor kleinschalig kamperen/minicampings (sub b) en in vakantiewoningen/-appartementen (sub e), dat met toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid en met toepassing van de afwijkingsmogelijkheden in de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' wordt toegestaan, mag in totaal niet meer bedragen dan 250;

4. deze afwijkingsmogelijkheid mag, in combinatie met de afwijkingsmogelijkheden in de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden', in totaal niet meer dan 10 keer worden toegepast ten behoeve van het toelaten van bed & breakfastvoorzieningen (sub c), trekkershutten (sub d) en/of groepsaccommodaties/kampeerboerderijen (sub f);

5. deze afwijkingsmogelijkheid kan niet worden toegepast ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - 500 meterzone Natura 2000';

ten aanzien van kleinschalig kamperen/minicamping gelden, naast de onder a gestelde algemene voorwaarden, de volgende specifieke voorwaarden:

deze nevenactiviteit vindt niet plaats op gronden die grenzen aan de bestemming 'Bos', 'Natuur' en/of 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' en niet binnen de aanduiding 'overige zone - akkercomplex 1';

de kampeermiddelen dienen binnen het bouwvlak geplaatst te worden dan wel tot maximaal 100 m direct grenzend aan het bouwvlak, mits de bestemming van die gronden een dergelijk gebruik toelaat;

er mag geen gebruik worden gemaakt van stacaravans, woonunits en/of chalets;

ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kansrijk extensief recreatief gebied' en 'overige zone - intensief recreatief gebied' zijn in het zomerseizoen maximaal 40 kampeerplaatsen per agrarisch bedrijf toestaan op maximaal 8.000 m²;

buiten de aanduidingen 'overige zone - kansrijk extensief recreatief gebied' en 'overige zone - intensief recreatief gebied', zijn in het zomerseizoen maximaal 25 kampeerplaatsen per agrarisch bedrijf toegestaan op maximaal 5.000 m²;

sanitaire voorzieningen moeten worden gerealiseerd in ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande en vergunde bebouwing binnen het bouwvlak met een maximale oppervlakte van 75 m²;

overige (slechtweer)voorzieningen moeten worden gerealiseerd in aanwezige bebouwing binnen het bouwvlak met een maximale oppervlakte van 100 m² ;

(…)

ten aanzien van vakantiewoningen/-appartementen gelden, naast de onder a gestelde algemene voorwaarden, de volgende specifieke voorwaarden:

niet toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - intensief recreatief gebied' en 'overige zone - waterrecreatie';

de vakantiewoningen/-appartementen worden gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing of vervangende nieuwbouw;

maximaal 3 vakantiewoningen/-appartementen zijn toegestaan met een oppervlakte van maximaal 70 m² per appartement en met een oppervlakte van maximaal 200 m² voor de 3 vakantiewoningen/-appartementen tezamen.
artikel 3.5.8 Huisvesting van tijdelijke werknemers
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde sub 3.4.1 en toestaan dat bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor huisvesting van tijdelijke werknemers, met dien verstande dat:

de huisvesting binnen de bestaande bebouwing wordt opgericht;

de huisvesting dient plaats te vinden op het bouwblok waar de bedrijfswoning staat;

de huisvesting een maximale gezamenlijke oppervlakte heeft van 12,5 m² per werknemer, inclusief de bijbehorende voorzieningen zoals sanitair, kantine, keuken en wasruimte, waarbij maximaal 32 personen worden gehuisvest;

e huisvesting binnen de bestaande bebouwing maximaal 8 maanden per jaar aaneengesloten mag worden gebruikt. De overige 4 maanden mag de tijdelijke huisvesting binnen de bestaande bebouwing niet gebruikt worden ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers.

---------------

Zie artikel 3.2.5 van het Omgevingsplan.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4539.

ECLI:NL:RBNHO:2025:8844, r.o. 11-13,

ECLI:NL:RVS:2019:192, r.o. 2.1.

artikel 2.1. onder e van de Wabo

Artikel 2.1 lid 1 sub d Wabo in samenhang met artikel 2.2 Besluit omgevingsrecht (Bor)

Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4375.

ECLI:NL:RVS:2025:678

Zie uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285

ECLI:NL:RVS:2025:4646

Zo blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 r.o. 11.2.

Zie hiervoor de uitspraken van de Afdeling van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:714 en 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735

Paragraaf 3.8.4 van het Uitvoeringsbeleid kwaliteit vergunningen, toezicht en handhaving Omgevingsrecht 2024 gemeente Oirschot

Artikel delen