Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOBR:2026:1439

B&W van Valkenwaard is niet verplicht de omgevingsvergunning in te trekken op grond van artikel 2.33, eerste lid onder a, van de Wabo omdat dit vereist zou zijn op grond van de Habitatrichtlijn. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant is het aangewezen bestuursorgaan om te beoordelen of beperking van de omgevingsvergunning als passende maatregel nodig is. Het college ...

Rechtbank Oost-Brabant 17 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOBR:2026:1439 text/xml public 2026-03-17T09:56:01 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-10 25/786 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1439 text/html public 2026-03-17T09:50:46 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:1439 Rechtbank Oost-Brabant , 10-03-2026 / 25/786
B&W van Valkenwaard is niet verplicht de omgevingsvergunning in te trekken op grond van artikel 2.33, eerste lid onder a, van de Wabo omdat dit vereist zou zijn op grond van de Habitatrichtlijn. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant is het aangewezen bestuursorgaan om te beoordelen of beperking van de omgevingsvergunning als passende maatregel nodig is. Het college was wel bevoegd om de omgevingsvergunning in te trekken omdat er meer dan drie jaren geen gebruik van is gemaakt. Het college heeft nog geen goede belangenafweging gemaakt. De rechtbank draagt het college op om uiterlijk op 1 februari 2027 een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiseres.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/786
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: drs. [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard, het college

(gemachtigde: [naam] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats]

(gemachtigde: ing. [naam] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om de geldende omgevingsvergunning voor de locatie [locatie] geheel in te trekken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet verplicht was de omgevingsvergunning in te trekken op grond van artikel 2.33, eerste lid onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omdat dit vereist zou zijn op grond van de Habitatrichtlijn. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS) is het aangewezen bestuursorgaan om te beoordelen of beperking van de omgevingsvergunning als passende maatregel nodig is. Het college was wel bevoegd om de omgevingsvergunning in te trekken omdat er meer dan drie jaren geen gebruik van is gemaakt. Het college heeft nog geen goede belangenafweging gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien maar draagt het college op om uiterlijk op 1 februari 2027 een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiseres. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt daarna. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Eiseres heeft het college op 18 december 2023 verzocht om de geldende omgevingsvergunning voor de locatie [locatie] geheel in te trekken op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a van de Wabo dan wel op grond van artikel 2.33, eerste lid, onder a, van de Wabo.
2.1.
Het college heeft de aanvraag met het besluit van 3 september 2024 afgewezen.
2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Hierop heeft eiseres op haar beurt gereageerd.
2.3.
Tijdens de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening in verband met de verlening van een natuurvergunning voor het bedrijf van de derde-partij op 5 maart 2025 heeft eiseres verzocht om rechtstreeks beroep in te stellen bij de rechtbank. Het college heeft hiermee ingestemd en heeft de bezwaren vervolgens ter behandeling als rechtstreeks beroep doorgezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft hiermee ingestemd.
2.4.
Derde-partij heeft op het beroep gereageerd op 5 juni 2025.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaken SHE 24/2325, SHE 25/223 en SHE 25/699. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam] en [naam], de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam] en [naam] en namens de derde-partij de gemachtigde, vergezeld door [naam], [naam] en [naam].
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 30 oktober 1990 heeft het college een revisievergunning verleend op grond van de Hinderwet voor een fokvarkens- en paardenhouderij aan de [locatie] . Op 1 maart 2005 is voor deze inrichting een revisievergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer (Wm) (de milieuvergunning). Op 6 augustus 2015 heeft het college de milieuvergunning voor de inrichting aan de [locatie] gedeeltelijk ingetrokken. Sindsdien mochten op grond van deze vergunning aan de [locatie] te [vestigingsplaats] 571 vleesvarkens, 491 gespeende biggen, 52 paarden en 10 pony’s worden gehouden. De inrichting viel tot 1 januari 2024 onder de werking van het op die datum vervallen Activiteitenbesluit milieubeheer. De milieuvergunning was tot die datum gelijkgesteld met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i, van de Wabo.

De derde-partij exploiteert een paardenhouderij aan de [locatie] te [vestigingsplaats] .

In de nabijheid van beide locaties ligt onder meer het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 1.000 m ten oosten en circa 400 m ten noordwesten van de percelen aan de [locatie] . Het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied. De natuurdoelanalyse van 27 januari 2023 voor dit gebied concludeert dat de instandhouding van alle habitats in het aangewezen Natura 2000-gebied onder druk staat en dat verslechtering niet is uitgesloten.

Op 25 mei 2023 heeft de raad van de gemeente Valkenswaard het bestemmingsplan " [locatie] " gewijzigd vastgesteld, mede ten behoeve van de ontwikkeling van een verblijfsaccommodatie aan de [locatie] , ten behoeve van de paardenhouderij van de derde-partij. De in dit besluit vastgestelde bestemming is geschorst door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 17 januari 2024 voor zover het betreft het plandeel "specifieke vorm van sport - hippisch sportcomplex i -verblijfsaccommodatie". Er is nog geen uitspraak gedaan in de bodemprocedure. Daarvoor gold op de percelen aan de [locatie] het bestemmingsplan " [locatie] " waar de gronden de bestemming "Sport-Manege" hebben. Beide bestemmingsplannen maken vanaf 1 januari 2024 onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Valkenswaard.

De derde-partij organiseert al jaren evenementen in het outdoor seizoen. Hiertoe worden sinds 2015 ook paarden tijdelijk gehuisvest in de oude stallen op perceel [locatie] . Op dit perceel worden geen varkens meer gehouden sinds de aankoop hiervan door de derde-partij.

De derde-partij heeft desgevraagd ter zitting van de voorzieningenrechter aangegeven dat in de voormalige varkensstallen op de [locatie] alleen tijdens evenementen paarden worden gehouden (dus niet jaarrond).

De derde-partij heeft GS op 24 april 2023 verzocht een vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, voor onder meer de bouw van een verblijfsaccomodatie aan de [locatie] . GS heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank heeft het tegen dit besluit door de derde-partij ingestelde beroep bij uitspraak van 23 december 2025 ongegrond verklaard.

- GS heeft op 17 december 2024 een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet aan derde-partij verleend voor het wijzigen van haar paardenhouderij aan de [locatie] in [vestigingsplaats] . Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 23 december 2025 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en de omgevingsvergunning vernietigd.

- Eiseres heeft GS op 2 oktober 2023 verzocht om preventief handhavend op te treden tegen de activiteiten aan de [locatie] in [vestigingsplaats] en om handhavend op te treden tegen de activiteiten aan de [locatie] , wegens handelen in strijd met artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Dit verzoek is afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 23 december 2025 heeft deze rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard, de weigering om handhavend op te treden vernietigd en GS opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Welk recht is van toepassing?
4. Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wabo. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is ingediend voor 1 januari 2024, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.
4.1.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wabo ingevolge artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet sinds 1 januari 2024 geldt als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet. De vergunning heeft betrekking op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving (het Bal), namelijk het houden van meer dan 50 vleesvarkens van 25 kg en meer.

5. Eiseres stelt dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld of intrekking van de vergunning nodig is ter uitvoering van de verplichtingen van artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn. In dit verband wijst eiseres op een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 mei 2022. Zij is van mening dat het college verplicht is om in te trekken op grond van artikel 2.33, eerste lid onder a, van de Wabo.
5.1.
Het college acht zich niet verplicht om tot intrekking op grond van artikel 2.33, eerste lid onder a, van de Wabo, over te gaan. Het college wijst erop dat GS en niet het college het eerst aangewezen bestuursorgaan is om verplichtingen uit hoofde van de Habitatrichtlijn te effectueren.
5.2.
Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn bevat een permanente verplichting voor lidstaten tot het treffen van passende (preventieve) maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de soorten en habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, te voorkomen (arrest van het Europese Hof van Justitie (het Hof) van 14 januari 2016). Volgens het Hof beschikken de lidstaten bij het nemen van passende maatregelen over een beoordelingsmarge, mits gewaarborgd is dat er geen verslechtering of verstoring plaatsvindt. Het is met andere woorden aan de lidstaten om te beoordelen welke maatregelen moeten worden getroffen, maar er moeten maatregelen worden uitgevoerd als verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen dreigen.
5.3.
In Nederland heeft onder andere GS de bevoegdheid om passende maatregelen te treffen op basis van de artikelen 2.4 en 5.4 van de Wnb. Verder wordt bij vergunningverlening voor een project dat gevolgen kan hebben voor natuurwaarden waarvoor passende maatregelen moeten worden getroffen met saldering van andere activiteiten, beoordeeld of het noodzakelijk is de saldogevende activiteiten in te zetten als passende maatregel. GS heeft beoordelingsruimte bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. Hierbij moet GS wel motiveren op welke wijze invulling wordt gegeven aan de beoordelingsruimte. Het college kan dat doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad deze maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn. Het beoordelingskader voor de keuze van passende maatregelen wordt gegeven in de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021 en is niet gewijzigd met de uitspraken van 18 december 2024.
5.4.
Omdat GS bevoegd en, in de aangewezen gevallen, verplicht is om passende maatregelen te treffen, is GS het aangewezen bestuursorgaan om verplichtingen uit hoofde van de Habitatrichtlijn te effectueren. Het college kan niet treden in de beoordelingsruimte die GS heeft ingevolge artikel 2.4 van de Wnb. Het college kan niet zelf onderzoeken of stellen dat intrekking van de omgevingsvergunning de enige passende maatregel is. Dit komt mede doordat de meeste Natura 2000-gebieden niet in één gemeente liggen. Het gebied “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux” ligt ook niet uitsluitend in de gemeente Valkenswaard maar deels ook in de gemeenten Bergeijk en Heeze-Leende. Niet valt uit te sluiten dat met passende maatregelen op het grondgebied van andere gemeenten aan de verplichtingen van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn kan worden voldaan. Van het college kan niet worden verwacht dat hij zelf alle informatie inwint om vast te stellen of de omgevingsvergunning moet worden ingetrokken op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Ook al kan GS niet op basis van zijn bevoegdheden ingevolge de Wnb de omgevingsvergunning van de derde-partij intrekken, ten tijde van het bestreden besluit had GS wel gebruik kunnen maken van de bevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb om het gebruik van deze omgevingsvergunning te beperken. Dat heeft GS niet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat, zolang GS geen aanleiding heeft gezien om gebruik te maken van de bevoegdheid ingevolge artikel 2.4 van de Wnb of anderszins heeft aangegeven dat intrekking van de omgevingsvergunning nodig was gelet op artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn, niet kan worden gezegd dat intrekking van de omgevingsvergunning is vereist op basis van de Habitatrichtlijn. In de door eiseres aangehaalde uitspraak van de rechtbank Noord-Holland ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. In dat geval was het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland namelijk ook het bevoegd gezag dat een omgevingsvergunning had verleend voor het oprichten en in werking hebben van de biovergassingsinstallatie waar de omgevingsvergunning in die zaak betrekking op had.

6. Eiseres betwist dat de inrichting aan de [locatie] na 2015 nog in gebruik is geweest als veehouderij. Uit de controleverslagen blijkt juist dat tijdens de diverse controlemomenten geen dieren aanwezig waren. De inrichting is ook ontmanteld en het is ook niet mogelijk om weer gebruik te maken van de milieuvergunning omdat dit planologisch niet meer is toegestaan. In het op 29 januari 2015 onherroepelijk geworden bestemmingsplan “ [locatie] ” is de agrarische bestemming van het perceel vervallen en gewijzigd naar “Sport-Manege”, waardoor het agrarisch gebruik met houden van vee niet meer mogelijk was. Op 25 mei 2023 is de bestemming gewijzigd naar “Sport - Hippisch Sportcomplex i” op de plek waar een verblijfsaccomodatie is beoogd en naar de bestemming “Groen-Landschapselement”. Zowel binnen deze bestemming als binnen de bestemming in het voorgaande bestemmingsplan mag geen vee worden gehouden.
6.1.
In het bestreden besluit vindt het college het aannemelijk dat de inrichting nog in gebruik was op basis van een bedrijfscontrole op 13 oktober 2020. In stal 1 en 2 werden al langer dan drie jaar geen varkens meer gehuisvest, maar de stalinrichting voor de varkens was nog steeds aanwezig en tijdens een op 24 november 2020 gehouden controle is een hoeveelheid vaste paardenmest aangetroffen.
6.2.
In de uitspraak van 22 mei 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat de bevoegdheid tot het (gedeeltelijk) intrekken van de voor de inrichting verstrekte omgevingsvergunning bestaat voor zover er gedurende ten minste drie aaneengesloten jaren minder dieren zijn gehouden dan het aantal waarop de omgevingsvergunning voor het houden van dieren in de inrichting recht geeft. Daarbij moet niet het aantal dieren per stal worden bekeken, maar het aantal dieren dat per diercategorie in de inrichting als geheel mag worden gehouden.
6.3.
De rechtbank stelt op basis van de plaatsopneming vast dat de voormalige varkensstallen aan de [locatie] weliswaar vervallen zijn, maar er nog wel staan. De varkensstallen aan de [locatie] zijn niet structureel in gebruik en kunnen niet direct in gebruik worden genomen. Tijdens de plaatsopneming werden geen varkens gehouden. Een deel van de stallen was ingericht met tijdelijke paardenboxen. In andere delen was de stalinrichting slechts gedeeltelijk nog aanwezig. De gebouwen zijn verouderd en deels vervallen. Een intensieve varkenshouderij is bovendien in strijd met het geldende omgevingsplan.
6.4.
Op basis van de controles en de eigen bevindingen, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat nog gebruik wordt gemaakt van de omgevingsvergunning voor het houden van varkens. De rechtbank acht ook niet aannemelijk dat in de drie jaren voorafgaand aan het bestreden besluit gebruik is gemaakt van de vergunning. De derde-partij zelf heeft aangegeven dat sinds 2015 geen varkens meer op de locatie [locatie] worden gehouden. Reeds daarom is het college bevoegd om in te trekken. De enkele aanwezigheid van de stallen dan wel de aanwezigheid van een hoop paardenmest tijdens een eerdere controle is onvoldoende om aan te nemen dat gebruik is gemaakt van de vergunning. Voor de opslag van paardenmest als zodanig is de omgevingsvergunning niet nodig. De aanwezigheid van de hoop paardenmest doet overigens niet af aan de vaststelling dat de diercategorie varkens in het geheel niet is gehouden. Bovendien zou het gebruik van de vergunning om varkens te houden in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan. Het college was bevoegd de omgevingsvergunning in te trekken met toepassing van artikel 2.33, tweede lid onder a, van de Wabo voor zover het de diercategorie varkens betreft. In het verweer tijdens de bezwaarfase is het college daarvan overigens ook uit gegaan. Deze beroepsgrond slaagt. Reeds hierom komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging.

7. Eiseres stelt verder dat het college de milieubelangen die zijn gediend met intrekking onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. Eiseres verwijst naar uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022 en 22 mei 2024. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 kan de op 17 december jl. verleende natuurvergunning voor beide locaties samen niet in stand blijven. De milieuvergunning uit 2005 moet worden ingetrokken om te waarborgen dat er geen verdere verslechtering van Natura 2000-gebieden plaatsvindt.
7.1.
In het tijdens de bezwaarfase ingediende verweerschrift heeft het college aangegeven geen gebruik te maken van de bevoegdheid tot intrekking gelet op andere belangen. Het college wijst op de aanvraag voor een Wnb-vergunning voor een nieuw project aan de [locatie] waarvoor de rechten die voortvloeien uit de omgevingsvergunning [locatie] nodig zijn. Ook heeft het college geen aanleiding gezien voor de intrekking van de omgevingsvergunning omdat nog geen uitspraak is gedaan in de bodemprocedure tegen de wijziging van het bestemmingsplan [locatie] bij de Afdeling. Op het verzoek om voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter van de Raad van State op 17 januari 2024 uitspraak gedaan.
7.2.
De derde-partij heeft in verband met haar plannen om rond de [locatie] een paardenboulevard te realiseren, het perceel [locatie] in 2015 aangekocht, enerzijds om te voorzien in fysieke ruimte en anderzijds om te voorzien in de benodigde stikstofruimte. Met het beoogde project zal sprake zijn van een forse verlaging van deposities. Zij realiseert zich dat het, gelet op recente ontwikkelingen in het stikstofdossier, de vraag is of en hoe de stikstofruimte van de [locatie] kan worden ingezet voor ontwikkeling van haar bedrijf maar deze ontwikkeling wordt veel complexer als de milieutoestemmingen voor deze locatie worden ingetrokken.
7.3.
Het college heeft beleidsruimte bij de toepassing van de bevoegdheid ingevolge artikel 2.33, tweede lid onder a, van de Wabo. Daarbij moet het college in een individueel geval een gemotiveerde afweging maken of het gelet op de betrokken belangen wel of geen gebruik wenst te maken van deze bevoegdheid. Hierbij moet het college de relevante belangen inventariseren en afwegen, waaronder de belangen van de vergunninghouder, zoals zijn financiële belangen en bedrijfsbelangen. Het college kan met het oog op de rechtszekerheid van de vergunninghouder aan zijn belangen bij het behoud van de vergunning een zwaarwegend gewicht toekennen. Daarbij mag het college verder in aanmerking nemen of het niet gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De rechter toetst vervolgens of het college redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college nog geen goede belangenafweging heeft gemaakt. Een belangrijk onderdeel van deze belangenafweging is de inzet van de geldende milieuvergunning voor de inrichting aan de [locatie] ten behoeve van saldering. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 december 2025 in zaak SHE 25/223 stilgestaan bij saldering. Hierover is in rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10 van deze uitspraak het volgende overwogen (waarbij GS “het college” is genoemd): “De vervolgvraag is of met de oude milieutoestemming voor de locatie aan de [locatie] kan worden gesaldeerd. Salderen met onderdelen van een milieutoestemming die feitelijk zijn gerealiseerd maar structureel niet meer in gebruik zijn, is, anders dan voorheen, beperkt tot die gevallen waarin de milieuvergunde activiteit zonder natuurvergunning kan worden hervat. De rechtbank heeft vastgesteld dat de varkensstallen aan de [locatie] niet structureel in gebruik zijn of direct in gebruik kunnen worden genomen. Tijdens de plaatsopneming werden geen varkens gehouden. Een deel van de stallen was ingericht met tijdelijke paardenboxen. In andere delen was de stalinrichting slechts gedeeltelijk nog aanwezig. De gebouwen zijn verouderd en deels vervallen. Een intensieve varkenshouderij is bovendien in strijd met het geldende omgevingsplan. In het bestreden besluit is niet beoordeeld of hervatting van de milieuvergunde activiteit zonder natuurvergunning kan plaatsvinden. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet geen aanleiding deze vraag in deze uitspraak zelf te beantwoorden. De rechtbank laat ook in het midden of sprake is van intern of extern salderen. Het is aan het college om hierover standpunten te nemen in het nieuwe besluit op de aanvraag.

Salderen mag als mitigerende maatregel worden betrokken bij vergunningverlening. Uit overweging 13-13.8 van de uitspraak van 29 mei 2019 van de Afdeling volgt echter dat een maatregel die naar zijn aard ook kan worden ingezet als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel niet zonder meer kan worden ingezet als mitigerende maatregel in een passende beoordeling van de gevolgen van een project. Het beperken of beëindigen van een bestaande vergunde situatie is een maatregel die ingezet kan worden als instandhoudings- of passende maatregel. Salderen kan daarom alleen in de passende beoordeling worden betrokken als voldaan is aan het zogenoemde additionaliteitsvereiste. Dat vereiste geldt voor de inzet van het gehele saldo verbonden aan de oude milieutoestemming van [locatie] (als daarmee kan worden gesaldeerd). In het bestreden besluit is niet gemotiveerd dat het behoud van de staat van instandhouding door het treffen van instandhoudingsmaatregelen is gewaarborgd, dan wel dat het herstel van de staat van instandhouding mogelijk blijft. Het college heeft niet beoordeeld of de wijziging of beëindiging van een vergunde activiteit als passende maatregel moet worden ingezet, dan wel dat andere passende maatregelen (zullen) worden getroffen. Evenmin is duidelijk wat de staat van instandhouding is van het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Het bestreden besluit is ook op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd.”
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat het op dit moment onduidelijk is of het college de inzet van de geldende milieuvergunning voor de inrichting aan de [locatie] ten behoeve van saldering als belang kan betrekken in de belangenafweging die ten grondslag moet liggen aan een besluit over intrekking ingevolge artikel 2.33, tweede lid onder a, van de Wabo. Eiseres voert terecht aan dat de belangenafweging op dit onderdeel onvolledig is en de rechtbank ziet daarom in het verweerschrift geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Gelet op de uitspraak van 23 december 2025, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat een besluit berust op een deugdelijke motivering. Het college is wel bevoegd om tot intrekking op basis van artikel 2.33, tweede lid onder a, van de Wabo over te gaan. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Gelet op het oordeel in de zaak SHE 25/223 en de daarin getroffen voorlopige voorziening, draagt de rechtbank het college op een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiseres, uiterlijk op 1 februari 2027.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 3 september 2024;

draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo

Het bevoegd gezag trekt een omgevingsvergunning in, voor zover de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat vereist.

Artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende drie jaar (…) geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

De procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer SHE 25/222. De uitspraak in de betreffende procedure is gedaan op 21 maart 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:1585)

ECLI:NL:RVS:2024:101

ECLI:NL:RBOBR:2025:8456

ECLI:NL:RBOBR:2025:8457

ECLI:NL:RBOBR:2025:8458

ECLI:NL:RBNHO:2022:3888

ECLI:EU:C:2016:10

ECLI:NL:RVS:2021:71

ECLI:NL:RVS:2024:4923

ECLI:NL:RVS:2024:2142

ECLI:NL:RVS:2022:1892

ECLI:NL:RVS:2024:101

ECLI:NL:RBOBR:2025:8457

ECLI:NL:RVS:2019:1603

Artikel delen