Kort geding. Vordering Waterschap te verbieden om zonder een daartoe strekkende executoriale titel strook grond te ontruimen of pogingen daartoe te ondernemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, toegewezen.
Rechtbank Oost-Brabant 10 March 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:1572
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-03-2026
Datum publicatie
10-03-2026
Zaaknummer
C/01/421735 / KG ZA 25-634
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
ECLI:NL:RBOBR:2026:1572text/xmlpublic2026-03-10T13:00:332026-03-10Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Oost-Brabant2026-03-10C/01/421735 / KG ZA 25-634UitspraakKort gedingNL's-HertogenboschCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1572text/htmlpublic2026-03-10T10:56:382026-03-10Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBOBR:2026:1572 Rechtbank Oost-Brabant , 10-03-2026 / C/01/421735 / KG ZA 25-634 Kort geding. Vordering Waterschap te verbieden om zonder een daartoe strekkende executoriale titel strook grond te ontruimen of pogingen daartoe te ondernemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, toegewezen.
RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/421735 / KG ZA 25-634 Vonnis in kort geding van 10 maart 2026 in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. L.G.H. Wichern, tegen WATERSCHAP DE DOMMEL,
te Boxtel,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: het Waterschap,
advocaten: mr. J.A.M. van Heijningen en mr. A. van Dooren-Korenstra. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 december 2025 met 11 producties
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met 16 producties
- de op 22 januari 2026 van mr. Wichern ontvangen aanvullende productie 12- de mondelinge behandeling op 23 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser]- de pleitnota van het Waterschap. 1.2. Tenslotte is vonnis bepaald op vandaag. 2De feiten2.1. Tussen [eiser] en het Waterschap is een geschil ontstaan over de eigendom van een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] , [kadastrale aanduiding] (hierna: “het Perceel”). Het grootste gedeelte van het Perceel bevindt zich in de rivier de Dommel en dit gedeelte van het Perceel is in eigendom van het Waterschap.
Een strook van het Perceel van circa 200 m² (hierna: “de Strook”) is sinds lange tijd in gebruik bij [eiser] . Op deze Strook bevindt zich onder meer het terras van [eiser] .
Tussen partijen is in geschil of [eiser] door middel van verjaring eigenaresse is geworden van de Strook. 2.2. Bij brief van 15 juli 2025 heeft (de advocaat van) [eiser] aan het Waterschap uitgebreid toegelicht waarom [eiser] meent dat zij door verjaring de eigenaresse van de Strook is geworden. 2.3. Bij brief van 17 september 2025 heeft het Waterschap deze eigendomsclaim betwist en [eiser] gesommeerd de Strook uiterlijk 2 maanden na dagtekening van de brief te ontruimen en ontruimd te houden. 2.4. Bij brief van 4 december 2025 heeft de advocaat (in dienstbetrekking) van het Waterschap onder vermelding van het onderwerp “Inbreuk eigendomsrecht Constatering dat perceel [kadastrale aanduiding] (ged.) niet ontruimd is.” (de advocaat van) [eiser] onder meer het volgende bericht:
“Ontruiming
Medewerkers van het waterschap hebben omstreeks 20 november jl. vastgesteld dat [eiser] het perceel niet ontruimd heeft. [eiser] heeft derhalve geen gehoor gegeven aan de sommatie van 17 september jl.. Zoals aangekondigd zal het waterschap daarom binnen afzienbare tijd zijn perceel [kadastrale aanduiding] (ged) op kosten van [eiser] (laten) ontruimen.” 2.5. In reactie hierop heeft de advocaat van [eiser] bij e-mail van 5 december 2025 de advocaat van het Waterschap bericht dat het Waterschap niet is toegestaan om zonder executoriale titel eigenhandig de Strook te (doen) ontruimen, omdat dit zou neerkomen op ontoelaatbare eigenrichting. 2.6. Bij brief van 8 december 2025 van de advocaat (in dienstbetrekking) van het Waterschap onder vermelding van het onderwerp “Inbreuk eigendomsrecht en ontruiming perceel Waterschap [plaats] [kadastrale aanduiding] (ged)” aan de advocaat van [eiser] onder meer het volgende bericht:
“Begin juli 2025 heeft [eiser] er expliciet voor gekozen géén gebruiksovereenkomst te willen aangaan. Daarmee is het aanbod van het waterschap definitief vervallen en dient de grondstrook te worden ontruimd. Daarvoor is aan [eiser] voldoende tijd en gelegenheid geboden, temeer nu het om eenvoudig te verwijderen zaken gaat.
Onder verwijzing naar de brief van 5 december jl., herhaal ik dat het waterschap op korte termijn de grondstrook op kosten van [eiser] zal (laten) ontruimen, in die zin dat de aanwezige verharding op het perceel [kadastrale aanduiding] (ged) wordt verwijderd. Het waterschap meent uw cliënte(n) voldoende gelegenheid te hebben geboden om aan de sommatie van 17 september 2025 te voldoen. Voor zover [eiser] desondanks meent enig recht op deze grondstrook te hebben - hetgeen het waterschap stellig blijft betwisten - ligt het initiatief om daarvoor in rechte op te komen bij uw cliënte(n).
Het waterschap behoudt zich alle rechten en weren voor.” 2.7. Bij e-mail van 9 december 2025 heeft de advocaat van [eiser] het Waterschap nogmaals bericht dat de door het Waterschap voorgenomen eigenrichting niet is toegestaan. Daarbij heeft de advocaat van [eiser] het Waterschap nog een laatste mogelijkheid geboden om te bevestigen dat het niet zonder de benodigde executoriale titel zal overgaan tot ontruiming van de Strook. 2.8. Bij e-mail van 10 december 2025 heeft de advocaat (in dienstbetrekking) van het Waterschap onder vermelding van het onderwerp “Inbreuk eigendomsrecht en ontruiming perceel Waterschap [plaats] [kadastrale aanduiding] (ged)” het volgende bericht:
Kortom: Het is aan uw cliënte(n) of zij kosten wil(len) maken en deze zaak doorzet(ten). Mocht(en) zij inderdaad besluiten tot een kort geding dan hoor ik dat graag binnen uiterlijk 48 uur. Het waterschap zal tot het weghalen van de verharding op eigen perceel overgaan indien niet binnen 8 dagen na heden een kort geding aanhangig is gemaakt. 2.9. Op 16 december 2025 heeft [eiser] de inleidende dagvaarding bij het Waterschap laten uitbrengen. 2.10. Op 13 januari 2026 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap een procesvolmacht getekend waarin het volgende is overwogen:
- Mevrouw [eiser] , Waterschap De Dommel, aan het adres [adres] te ( [postcode] ) bij exploot van dagvaarding d.d. 16 december 2025, heeft gedagvaard in kort geding te verschijnen op 23 januari 2026 des voormiddags om 09.30 uur ten overstaan van de civiele Voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch;
- Mevrouw [eiser] bij genoemd exploot van dagvaarding heeft geëist, zoals vermeld onder "mitsdien" dat het, het Waterschap wordt verboden om zonder een daartoe strekkende executoriale titel de Strook te (doen) ontruimen of pogingen daartoe te (doen) ondernemen, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander omdat zij meent door verjaring eigenaar te zijn geworden van een grondstrook van ca. 155 m2, grenzend aan de rivier de Dommel, welke grondstrook kadastraal geregistreerd staat als eigendom van het waterschap;
- het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel bevoegdelijk heeft besloten volgens art. 86 Waterschapswet juncto art. 2 sub k van de Bestuurlijke Bevoegdhedenregeling 2010 tegen voormelde eis verweer te voeren en overigens alle (proces)handelingen te (doen) verrichten die daaraan dienstig zijn; 3Het geschil in conventie 3.1.
[eiser] vordert - samengevat - het Waterschap te verbieden om zonder een daartoe strekkende executoriale titel de Strook te (doen) ontruimen of pogingen daartoe te (doen) ondernemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van het Waterschap in de proceskosten. 3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] stelt zich op het standpunt dat zij op grond van verjaring eigenaar is van de Strook. Het Waterschap stelt eigenaar te zijn (gebleven) van de Strook en heeft inmiddels herhaaldelijk aangekondigd dat zij tot ontruiming van de Strook over zal gaan, zonder dat zij beschikt over een executoriale titel tot ontruiming. Uit art. 555 en art. 556 Rv volgt dat voor een gedwongen ontruiming een executoriale titel noodzakelijk is, en dat de deurwaarder exclusief bevoegd is een ontruiming uit te voeren. Genoemde artikelen zijn van toepassing op alle onroerende zaken, en niet alleen op verhuurde onroerende zaken of bebouwde onroerende zaken. Het Waterschap dient dan ook net als ieder ander die meent dat inbreuk wordt gemaakt op zijn (gepretendeerde) eigendomsrecht via een gerechtelijke procedure een executoriale ontruimingstitel te verkrijgen en daarnaast het bepaalde in art. 555 en 556 Rv in acht te nemen. Nu het Waterschap tot op heden volhardt in haar onjuiste standpunt dat zij ook zonder executoriale titel gerechtigd is om de Strook eigenhandig te ontruimen, heeft [eiser] een spoedeisend belang bij het door haar gevorderde verbod. Aan dit verbod dient tevens, gelet op de opstelling van het Waterschap, een dwangsom te worden verbonden. 3.3. Het Waterschap voert verweer. in reconventie 3.4. Het Waterschap vordert samengevat - [eiser] te veroordelen het oevergedeelte van het perceel kadastraal bekend [plaats] [kadastrale aanduiding] , te ontruimen en ontruimd te houden en het perceel(sgedeelte) ter vrije beschikking van het Waterschap te stellen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 3.5. Het Waterschap legt daaraan ten grondslag dat zij eigenaar is van de Strook. [eiser] maakt zonder recht of titel gebruik van de Strook. Het waterschap dient ter uitvoering van zijn waterschapstaken, vrijelijk en onbelemmerd over het oevergedeelte van het waterschapsperceel te kunnen beschikken. Nu [eiser] niet vrijwillig tot ontruiming van de Strook overgaat heeft het Waterschap een spoedeisend belang bij haar vordering. 3.6.
[eiser] voert verweer. 4De beoordeling in conventie 4.1. De voorzieningenrechter is er ambtshalve mee bekend dat het dagelijks bestuur van het Waterschap op 14 januari 2025 het volgende heeft besloten:
1. De beleidsnota ‘Grondbeleid 2025’ vast te stellen;
2. Het besluit over de beleidsnota bekend te maken;
3. Het AB en de partners via de Waterbrief te informeren;
4. Het in 2002 vastgestelde beleidsplan Grondzaken in te trekken:
5. Het in 2015 vastgestelde beleid ‘Eigendom van watergangen en onderhoudsstroken’ in te trekken;
6. Het in 2016 vastgestelde beleid ‘Voorkeursvolgorde gebruik en eigendom van grond voor waterdoelen’ in te trekken. 4.2. Van de beleidsnota ‘Grondbeleid 2025 maken de volgende passages deel uit: “3.5. invloed op grondbeleid
(…)
Op dit moment wordt nieuw gebruik van dergelijke gronden door derden privaatrechtelijk goed vastgelegd, maar er zijn vanuit het verleden nog veel locaties waarbij dat niet gebeurd is. Vaak is dit ontstaan als gevolg van een publiekrechtelijke toestemming (vergunning, ontheffing) zonder dat daar privaatrechtelijk iets voor geregeld is. Daarnaast is er ook sprake van illegaal grondgebruik: gebruik zonder toestemming van het waterschap. Het waterschap loopt het risico door verjaring de eigendom van dergelijke gronden te verliezen. Op dit moment krijgt oneigenlijk gebruik nauwelijks tot geen aandacht. Het grondbeleid schept kaders waarbinnen dit oneigenlijk gebruik opgeheven kan/moet worden
(…) 5.4.8. beleid oneigenlijk grondgebruik
(…)
Ambitieniveau
Op dit moment ontbreekt het binnen het waterschap aan een ambitie om bij oneigenlijk gebruik van gronden in te grijpen en handhavend op te treden, dan wel overeenkomsten op te stellen. Wel leeft het besef dat het waterschap - als overheidsorganisatie - de zorgplicht heeft om zijn (maatschappelijke) gronden zo goed mogelijk te beheren en in dat kader oneigenlijk gebruik niet zomaar toe te staan. Het ambitieniveau wordt middels dit grondbeleid vastgesteld. (…)
Van belang is dat in de navolgende situaties per definitie wél actie wordt ondernomen, namelijk wanneer sprake is van:
- (…)
- (…);
- risico op verlies van eigendom door verjaring;
- (…).
Voor alle overige situaties kan een zogenaamd ‘piepsysteem’ worden toegepast. Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, wordt dan beoordeeld of ingrijpen wel of niet vereist is. Werkproces
Het proces handhaving van het waterschap kan uitsluitend optreden wanneer er (ook) sprake van een overtreding op basis van de Waterschapsverordening/ Omgevingswet. Voor overtredingen op het gebied van natuurdoelstellingen is de provincie de handhavende instantie. De overheid is verplicht om bij handhaving de weg te kiezen van de meeste rechtsbescherming voor burgers. In veel gevallen is dat via de bestuursrechtelijke weg. Wanneer dat publiekrechtelijk spoor geen mogelijkheden biedt, moet gekozen worden voor het privaatrechtelijke spoor. In dat geval kan bij oneigenlijk grondgebruik een vordering worden ingesteld tot staking van de onrechtmatige inbreuk op de eigendomsrechten van het waterschap.
(…)” 4.3. Uit de hiervoor onder r.o. 2.4. tot en met 2.8. aangehaalde correspondentie tussen het Waterschap en [eiser] blijkt ontegenzeggelijk dat het Waterschap met betrekking tot de Strook tot de conclusie is gekomen dat het publiekrechtelijke spoor geen mogelijkheden biedt en dat voor het privaatrechtelijke spoor is gekozen. 4.4. Het Waterschap stelt dat het eigenaar is gebleven van de Strook en dat het beroep op verjaring door [eiser] niet opgaat (en [eiser] daarom de door haar in gebruik genomen Strook moet ontruimen). Dan is het vervolgens aan het Waterschap om een gerechtelijke procedure te beginnen om door de rechter te laten vaststellen dat [eiser] onrechtmatig gebruik maakt van de Strook en te vorderen dat de rechter [eiser] daarom moet veroordelen die Strook te ontruimen. Dit is niet alleen een basisregel in een democratische rechtstaat maar volgt nota bene ook uit het onlangs door het Waterschap zelf vastgestelde en hiervoor geciteerde grondbeleid. 4.5. De voorzieningenrechter heeft met grote zorg kennisgenomen van de handelwijze van het Waterschap. Het geeft een regionaal openbaar lichaam geen pas zonder enige juridische basis aan te kondigen eigenrichting te plegen en vervolgens [eiser] als burger te verplichten om binnen een door het Waterschap bepaalde termijn een gerechtelijke procedure te beginnen om het Waterschap hiervan te weerhouden. Het is onbegrijpelijk dat een advocaat in dienst van het Waterschap op een dergelijke intimiderende wijze een burger in een privaatrechtelijke kwestie het mes op de keel zet. Het geeft ook te denken dat het dagelijks bestuur van het Waterschap bij het geven van de procesvolmacht aan hun advocaten geen aanleiding heeft gezien tot nader onderzoek en vervolgens te interveniëren. In deze procesvolmacht is de opmerkelijke vordering van [eiser] in dit kort geding uitdrukkelijk verwoord. Juist het dagelijks bestuur moest ermee bekend zijn dat de handelwijze van het Waterschap waartegen [eiser] in kort geding opkomt niet strookt met de inhoud van het grondbeleid dat het dagelijks bestuur nog onlangs had vastgesteld. Uit dit beleid blijkt bovendien dat het Waterschap ermee bekend is dat het Waterschap in het verleden gebruik van gronden door derden regelmatig niet had vastgelegd, oneigenlijk gebruik nauwelijks aandacht kreeg en het Waterschap daardoor het risico liep door verjaring eigendom te verliezen. Met die wetenschap had het Waterschap extra zorgvuldigheid moeten betrachten bij privaatrechtelijke geschillen met burgers over vermeend onrechtmatig grondgebruik. 4.6. De vordering in conventie het Waterschap te verbieden om zonder een daartoe strekkende executoriale titel de Strook te (doen) ontruimen of pogingen daartoe te (doen) ondernemen, zal daarom worden toegewezen. Er is, gelet op de wijze waarop het Waterschap heeft gehandeld, alle aanleiding aan dit verbod een dwangsom te verbinden. De voorzieningenrechter verwacht dat dit vonnis voor het Waterschap als een wake up-call heeft te gelden en dat ingezien wordt dat de grondhouding van het Waterschap tegenover de burger een ingrijpende aanpassing behoeft. Zo hoort de overheid niet met burgers om te gaan. 4.7. Het Waterschap is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 147,92 - griffierecht € 341,00 - salaris advocaat € 1.766,00 Totaal € 2.254,92 4.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.9. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. in reconventie 4.10. De vordering in reconventie zal worden afgewezen. In een bodemprocedure zal beoordeeld moeten worden of [eiser] al dan niet door verjaring eigenaar van de Strook is geworden. Er is geen reden in kort geding op de uitkomst daarvan vooruit te lopen. 4.11. Het Waterschap is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - salaris advocaat € 588,50 (factor 0,5 × 1.177,00) Totaal € 588,50 5De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 5.1. verbiedt het Waterschap om zonder een daartoe strekkende executoriale titel de Strook te (doen) ontruimen of pogingen daartoe te (doen) ondernemen, 5.2. veroordeelt het Waterschap om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 50.000,00 voor iedere keer dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, 5.3. veroordeelt het Waterschap in de proceskosten van € 2.254,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.4. veroordeelt het Waterschap tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.7. wijst de vorderingen van het Waterschap af, 5.8. veroordeelt het Waterschap in de proceskosten van € 588,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.9. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR734611/1 vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237 en HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.