Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOBR:2026:1852

Invordering van een verbeurde dwangsom in verband met overschrijding door schrootverwerkingsbedrijf van de vergunde opslagcapaciteit. Geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan het college (gedeeltelijk) van invordering had moeten afzien. Concreet zicht op legalisatie, dat het bedrijf inmiddels is verkocht, al eerder een dwangsom is ingevorderd, andere maatregelen zijn getroffen ...

Rechtbank Oost-Brabant 1 April 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOBR:2026:1852 text/xml public 2026-04-01T13:16:48 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-25 25/1722 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1852 text/html public 2026-04-01T13:15:47 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:1852 Rechtbank Oost-Brabant , 25-03-2026 / 25/1722
Invordering van een verbeurde dwangsom in verband met overschrijding door schrootverwerkingsbedrijf van de vergunde opslagcapaciteit. Geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan het college (gedeeltelijk) van invordering had moeten afzien. Concreet zicht op legalisatie, dat het bedrijf inmiddels is verkocht, al eerder een dwangsom is ingevorderd, andere maatregelen zijn getroffen en het een incidentele overschrijding betreft, zijn dat niet. Een aantal andere gronden had eiseres tegen de last onder dwangsom kunnen aanvoeren. Van strijd van invordering met het handhavingsbeleid is niet gebleken.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/1722
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats],
[eiseres],

(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk),

en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,
het college,

(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de invordering van een verbeurde dwangsom. [eiseres] is het niet eens met het invorderingsbesluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat invordering onevenredig is. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van [eiseres] is het college bij het invorderingsbesluit gebleven.
2.1.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2.3.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en ook de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 26 november 2021 heeft het college aan [eiseres] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, ook op het invorderingsbesluit van toepassing blijft.

Feiten
2.4.
[eiseres] exploiteerde sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw een schrootverwerkingsbedrijf op haar perceel aan [adres] in ’[plaats] (het perceel). In zijn besluit van 31 juli 2001 heeft het college aan [eiseres] een revisievergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer (de omgevingsvergunning) voor de handel in, op- en overslag van, en het be- en verwerken van ferro- en non-ferrometalen alsmede het shredderen van autowrakken, witgoed en welvaartsschroot, met een totale verwerkingscapaciteit van 193.000 ton per jaar. In dat besluit staat dat de daarbij behorende gewaarmerkte aanvraag van [eiseres] van 27 maart 2001 (de aanvraag) deel uitmaakt van dat besluit, voor zover de voorschriften en beperkingen niet anderszins bepalen. In een tabel in paragraaf 8.1 van de aanvraag staat dat de opslagcapaciteit voor schroot (bewerkt/onbewerkt) 1.250 ton bedraagt. Volgens paragraaf 3.1 van de aanvraag is schroot de verzamelnaam van ferro- en nonferrometalen, afkomstig van huishoudelijke gebruiksvoorwerpen, productieresten van metaalconstructiebedrijven, autowrakken en witgoed.
2.5.
Op 9 maart 2021 heeft een grote brand gewoed in het op het perceel opgeslagen schroot. Naar aanleiding daarvan heeft het college [eiseres] onder verscherpt toezicht gesteld. Tijdens een administratieve controle op 27 september 2021 is het college gebleken dat in de periode van 4 juni 2021 tot en met 3 september 2021 in ieder geval op twaalf dagen meer dan 1.250 ton schroot was opgeslagen en dat daarmee in strijd is gehandeld met de omgevingsvergunning. Het ging daarbij om hoeveelheden schroot variërend van 1.547 ton tot 4.209 ton. Gelet daarop heeft het college in zijn brief van 30 september 2021 aan [eiseres] kenbaar gemaakt dat het voornemens is een last onder dwangsom aan haar op te leggen om de geconstateerde overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo te beëindigen en beëindigd te houden.
2.6.
Op 14 oktober 2021 heeft op het perceel weer een grote brand plaatsgevonden in het daar opgeslagen schroot. In reactie op het voornemen heeft [eiseres] in haar zienswijze van 14 oktober 2021 gesteld dat de opgeslagen hoeveelheid schroot, als geconstateerd, is toegestaan en dat zij een aanvraag om verlening van een revisievergunning (de revisievergunning) voorbereidt waarin een opslagcapaciteit wordt aangevraagd die recht doet aan de bestaande opslag die volgens [eiseres] niet in strijd is met de omgevingsvergunning.

De verdere procedure
2.7.
In zijn besluit van 26 november 2021 heeft het college aan [eiseres] een last onder dwangsom (de last) opgelegd wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, omdat [eiseres] meer schroot op het perceel opslaat dan de 1.250 ton die zij volgens het college op grond van de omgevingsvergunning op het perceel mag opslaan. Het college heeft [eiseres] gelast om deze overtreding binnen een maand na de inwerkingtreding van het besluit te beëindigen en beëindigd te houden. Als niet aan de last wordt voldaan, verbeurt [eiseres] een dwangsom van € 105.000,00 per constatering per week met een maximum van € 1.050.000,00. Om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden, moet [eiseres] de opslag van bewerkt en onbewerkt schroot binnen de inrichting tot een maximum van 1.250 ton beperken. In het besluit staat dat [eiseres] er ook voor kan kiezen om, indien vergunbaar, te beschikken over een omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” waarmee de overschrijding van de eerder vergunde opslagcapaciteit wordt gelegaliseerd.
2.8.
In zijn besluit van 13 mei 2022 heeft het college de last in stand gelaten.
2.9.
In zijn besluit van 20 juni 2022 heeft het college besloten tot invordering van een volgens het college op 3 januari 2022 verbeurde dwangsom van € 105.000,00. Op 3 januari 2022 heeft Geomaat in opdracht van het college dronemetingen uitgevoerd boven het perceel en in kaart gebracht welke hoeveelheden in m³ aan materiaal ten tijde van die metingen op 20 onderscheiden locaties op het perceel aanwezig waren. Het rapport van bevindingen van 11 maart 2022 vermeldt op welke van deze 20 locaties schroot lag en wat het soortelijk gewicht is van de verschillende soorten schroot. In het rapport wordt berekend dat op 3 januari 2022 in totaal 1.315,5 ton schroot op het perceel was opgeslagen. In het rapport wordt geconcludeerd dat de toegestane opslagcapaciteit van 1.250 ton op 3 januari 2022 met 65,5 ton is overschreden.
2.10.
In haar uitspraak van 21 november 2022 heeft de rechtbank de beroepen van [eiseres] tegen de besluiten van 13 mei 2022 en 20 juni 2022 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van die uitspraak binnen 20 weken na de dag van verzending daarvan een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat [eiseres] in strijd heeft gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo door in strijd met de omgevingsvergunning meer schroot op het perceel op te slaan dan 1.250 ton. Gelet daarop heeft de rechtbank het college bevoegd geacht om de last onder dwangsom aan [eiseres] op te leggen. De rechtbank heeft de hoogte van de dwangsom proportioneel geacht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, heeft de rechtbank geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is.
2.11.
Naar aanleiding van de vernietiging door de rechtbank van de besluiten van 13 mei 2022 en 20 juni 2022 heeft het college in zijn besluit van 28 december 2023 opnieuw beslist op het door [eiseres] gemaakte bezwaar en in zijn besluit van 29 december 2023 opnieuw besloten tot invordering van de volgens het college op 3 januari 2022 verbeurde dwangsom.
2.12.
In haar uitspraak van 24 juli 2024 heeft de Afdeling het hoger beroep van het college gegrond verklaard en dat van [eiseres] ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, heeft de Afdeling de beroepen van [eiseres] tegen de besluiten van 13 mei 2022 en 20 juni 2022 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft de besluiten van 28 december 2023 en 29 december 2023 vernietigd.

Het invorderingsbesluit
2.13.
Op 19 augustus 2024 heeft TMO van de Omgevingsdienst West-Brabant in opdracht van het college dronemetingen uitgevoerd boven het perceel en in kaart gebracht welke hoeveelheden in m³ aan materiaal ten tijde van die metingen op 20 onderscheiden locaties op het perceel aanwezig waren. Naar aanleiding van deze metingen heeft het college op 20 augustus 2024 een tekening met de opslaghoeveelheden van de verschillende opslagen in m³ ontvangen en daarvan vervolgens het soortelijk gewicht bepaald, met gebruikmaking van dezelfde methode die ten grondslag lag aan de eerdere invorderingsbeschikking van 20 juni 2022. Het rapport van bevindingen van 27 augustus 2024 vermeldt op welke van deze 20 locaties schroot lag en wat het soortelijk gewicht is van de verschillende soorten schroot. In het rapport wordt berekend dat op 19 augustus 2024 in totaal 1.487,86 ton schroot op het perceel was opgeslagen en geconcludeerd dat de toegestane opslagcapaciteit van 1.250 ton met 237,86 ton was overschreden (afwijking van 19 %). Als de soortelijke gewichten worden gehanteerd in de nieuwe aanvraag revisievergunning is de totaal opslag van bewerkt en onbewerkt schroot 4.260,91 ton. Dat is een overschrijding van 3.010,91 ton (afwijking van 240 %).

Op 8 oktober 2024 heeft het college [eiseres] medegedeeld dat nu sprake was van een overschrijding van de vergunde opslagcapaciteit, op 19 augustus 2024 van rechtswege een dwangsom is verbeurd van € 105.000,00 en dat het college voornemens is om tot dwanginvordering van dit bedrag over te gaan. Het college heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. [eiseres] heeft dat op 23 oktober 2024 gedaan. Vervolgens heeft het college op 9 januari 2025 het invorderingsbesluit genomen, onder weerleging van de zienswijzen van [eiseres]. Daarin stelt het college zich, onder verwijzing naar het rapport van bevindingen van 27 augustus 2024, op het standpunt dat op 19 augustus 2024sprake is van overschrijding van de vergunde opslagcapaciteit (van 1.250 ton) met 237,86 ton. Voor de volledigheid merkt het college op dat de overschrijding aanzienlijk hoger is indien het (in plaats van zijn eigen bepaling van het soortelijk gewicht) de soortelijke gewichten hanteert die in de aanvraag om een revisievergunning worden aangehouden. Voor het vaststellen van de overschrijding is het college echter uitgegaan van de voor [eiseres] voordeligste berekening, te weten de overschrijding van 237,86 ton.

Bespreking van de beroepsgronden

Bijzondere omstandigheden

3. [eiseres] voert aan dat de (volledige) invordering van een dwangsom van € 105.000,00 onevenredig is. Volgens [eiseres] zijn er bijzondere omstandigheden die invordering van een fors gematigd dwangsombedrag rechtvaardigen. [eiseres] voert daartoe de volgende omstandigheden aan.

-Op 19 februari 2025 was al een legaliserende revisievergunning verleend. Ten tijde van de controle op 19 augustus 2024 was een aanvraag daarvoor in behandeling. Op 23 december 2024 is het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. In de revisievergunning is een maximale opslag van (afgerond) iets minder dan 10.000 ton aan metaalafvalstoffen vergund.

-De 1.250 ton zoals opgenomen in de aanvraag die heeft geleid tot de vergunning uit 2001 berustte op een kennelijke verschrijving. Beoogd was 12.500 ton aan te vragen. Weliswaar heeft de Afdeling onherroepelijk geoordeeld dat dit geen reden is om van handhaving af te zien, maar [eiseres] meent dat dit in het kader van de invordering niet onvermeld kan blijven. Van enig ander (milieu)belang dan brandveiligheid dat strikte handhaving rechtvaardigt is geen sprake.

-In een eerder geldende vergunning was een maximale opslagcapaciteit van 5.000 ton schroot zonder voorgeschreven compartimentering, opgenomen.

-Het college had al eerder een volledige dwangsom ingevorderd, naar aanleiding van de overtreding op 3 januari 2022.

-[eiseres] ontplooit inmiddels geen activiteiten meer, omdat het bedrijf is verkocht.

-Op 19 augustus 2024 waren de compartimenten voor een brandveilige opslag van schroot opgericht en functioneel. Schroot werd gecompartimenteerd opgeslagen. Ten tijde van de last en de eerste verbeurte van de dwangsom (op 3 januari 2022) waren de compartimenten nog niet opgericht. [eiseres] heeft een 24/7-brandwacht ingesteld, zodat direct adequaat kan worden ingegrepen. De controle van inkomende partijen metaalafvalstoffen op de aanwezigheid van batterijen en accu’s en het aanspreken van leveranciers is verbeterd. Leveranciers die toch afvalstoffen aanbieden waarin batterijen en accu’s blijken te zitten worden contractueel beboet. Inkomend schroot wordt zo snel mogelijk verwerkt zodat de opslagduur zo beperkt als mogelijk is.

-De aard en omvang van het verwerkingsproces en de afhankelijkheid van de logistiek (beschikbaarheid van vrachtwagens en schepen) waren bepalende factoren waarop [eiseres] niet altijd invloed heeft gehad.

-19 augustus 2024 was in zoverre een incident, waarbij de opslag grotendeels een gereed product betrof (compartiment G zoals genoemd in de aanvraag revisievergunning), dat naar zijn aard niet brandgevaarlijk is.

-In reactie op de redenen waarom het college van mening is dat geen sprake is van onevenredigheid, wijst [eiseres] erop dat de situatie ten opzichte van 2021 enorm is veranderd. [eiseres] is alerter op mogelijke branden en er zijn diverse maatrelen getroffen. De brand in maart 2025 bij een metaalverwerkingsbedrijf in Helmond waarnaar het college heeft verwezen, betreft een ander bedrijf op een andere locatie, waar zich broeibrandjes hebben voorgedaan in shredderresidu. Ten aanzien van de brandcompartimentering is geenszins sprake geweest van een gevaarlijke (brand)situatie. Die heeft te gelden als adequate voorziening en maatregel, mede gezien de beperkte overschrijding van de maximale opslag van 1.250 ton, waar een veelvoud aan opslag inmiddels is vergund. Dat de compartimentering later pas is gelegaliseerd doet niet ter zake nu deze op 19 augustus 2024 opgericht en functioneel was. De gestelde afwijking in maatvoering heeft geen afbreuk gedaan aan de effectiviteit van de voorziening.

Dat op 19 augustus 2024 formeel nog geen concreet zicht op legalisatie bestond doet daarom niet af aan de onevenredigheid van het invorderingsbesluit. Volgens [eiseres] heeft de dwangsom feitelijk een punitief karakter gekregen. Hiervoor is het instrumentarium van de herstelmaatregel niet bedoeld. [eiseres] vindt steun voor haar standpunt in vaste rechtspraak. Al in de bezwaarfase is gewezen op de conclusie van 4 april 2018 van advocaat-generaal Wattel die daarin uitgebreid ingaat op verschillende omstandigheden die als bijzondere omstandigheden gekwalificeerd kunnen worden.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
3.2.
[eiseres] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. Er is de rechtbank ook niet gebleken van dergelijke omstandigheden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
3.3.
Tegen een invorderingsbesluit kunnen in beginsel niet met succes gronden naar voren kunnen worden gebracht die al tegen het besluit tot opleggen van de last onder dwangsom naar voren gebracht hadden kunnen worden. Dat kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of de betrokkene geen overtreder is.

De aangevoerde omstandigheden:

-dat in de eerdere vergunning een maximale opslagcapaciteit van 5.000 ton schroot zonder voorgeschreven compartimentering was opgenomen;

-dat de aangevraagde en vergunde capaciteit van 1.250 ton een kennelijke verschrijving betreft;

-dat de aard en omvang van het verwerkingsproces en de afhankelijkheid van de logistiek bepalende factoren zijn waarop [eiseres] niet altijd invloed heeft gehad;

heeft [eiseres] tegen het opleggen van de last onder dwangsom naar voren kunnen brengen.

Die gronden kan [eiseres] daarom niet met succes in deze procedure aanvoeren tegen het bestreden besluit, waarin het alleen om de invordering van de verbeurde dwangsommen gaat.
3.4.
Het college stelt verder naar het oordeel van de rechtbank terecht vast dat niet in geschil is dat op het moment van de controle nog geen sprake was van een in werking zijnde vergunning die een grotere opslagcapaciteit legaliseert, of van een concreet zicht op legalisatie. Een concreet zicht op legalisatie is overigens ook geen omstandigheid die aanleiding moet geven tot het afzien van invordering. [eiseres] moest zich op dat moment aan de toen vergunde opslagcapaciteit houden. Het college heeft onweersproken gesteld dat zij zich na het opleggen van de last altijd op het standpunt heeft gesteld dat deze opslagcapaciteit nageleefd diende te worden en [eiseres] had dat op 19 augustus 2024 duidelijk moeten zijn geweest. Bovendien kon er na de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024 geen twijfel over bestaan over handhaving op de opslagcapaciteit.
3.5.
Uit vaste jurisprudentie volgt verder dat de enkele omstandigheid dat inmiddels geen sprake meer is van een illegale situatie, niet maakt dat invorderen van reeds verbeurde dwangsommen onredelijk is.
3.6.
Dat [eiseres] inmiddels het bedrijf heeft verkocht is niet relevant. Ten tijde van de constatering van verbeurte op 19 augustus 2024 exploiteerde [eiseres] het bedrijf en had het in haar macht om de overtreding te voorkomen. De latere wijziging van de tenaamstelling van de vergunning kan aan invordering niet in de weg staan.
3.7.
Het feit dat al eerder een dwangsom is ingevorderd is evenmin een bijzondere omstandigheid die maakt dat (volledige) invordering onevenredig zou zijn.
3.8.
Daargelaten of de geconstateerde overschrijding als gering kan worden aangemerkt, is sprake van een overschrijding van de vergunde opslagcapaciteit en is als gevolg daarvan een dwangsom verbeurd. Ook dit is geen bijzondere omstandigheid.
3.9.
Dat het schroot op 3 januari 2022 naar gesteld was gecompartimenteerd en dat andere maatregelen zijn getroffen in het kader van brandveiligheid, is niet relevant, omdat de last niet verplicht tot het compartimenteren van schroot, zoals de Afdeling eerder ook al heeft overwogen in de uitspraak van 24 juli 2024. Voorts dienen de compartimentering, de brandwacht en de controlemaatregelen om het ontstaan en de gevolgen van brand bij de destijds vergunde capaciteit van 1.250 ton te beperken.
3.10.
Dat sprake zou zijn geweest van een incidentele overschrijding op 19 augustus 2024 doet ook niet af aan het feit dat sprake is van een overtreding. De op dat moment aan [eiseres] vergunde opslagcapaciteit houdt in dat op het perceel nooit meer dan 1.250 ton bewerkt en onbewerkt schroot mag worden opgeslagen.
3.11.
Van bijzondere omstandigheden die maken dat de (volledige) invordering van de verbeurde dwangsom onevenredig is, is dus geen sprake. Het college heeft bij haar oordeel over evenredigheid de grote impact van de branden bij [eiseres] in 2021 mogen betrekken.

Dit betoog faalt.

Bestreden besluit en invorderingsbesluit in strijd met handhavingsbeleid
3.12.
[eiseres] voert aan dat het college geen rekening heeft gehouden met de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht 2022 (LHSO) en met de Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen 2023 (de Leidraad). Daarin is opgenomen dat bij handhavingstrajecten evenredig dient te worden gehandeld en onder omstandigheden van (gedeeltelijke) invordering kan worden afgezien. Volgens deze beleidsregels moet de gekozen interventie in verhouding staan tot de aard, zwaarte, oorzaken en gevolgen van de overtreding en het beoogde effect van de interventie. Het toepassen van maatwerk wordt in de beleidsregels als uitgangspunt genomen. Het college kiest echter voor een te rigide aanpak, waardoor [eiseres] onnodig en onterecht wordt benadeeld.
3.13.
Volgens het college wordt de LHSO met name betrokken bij het opleggen van een last onder dwangsom, terwijl in de onderhavige procedure enkel nog de invordering ter discussie staat. De last staat niet meer ter discussie, nu deze met de uitspraak van de Afdeling in stand is gebleven, waardoor de formele rechtskracht hiervan vaststaat.

De LHSO en de hierbij behorende handhavingsmatrix bieden handvaten voor passende handhavingsmaatregelen. Onder omstandigheden kan - ook binnen de kaders van de

hiervoor geldende jurisprudentie - van invordering worden afgezien. Binnen de LHSO schaalt het college de overtreding (in samenhang met het naleefgedrag van [eiseres]) hoog in, gelet op de eerdere branden. Ook aan de invordering wordt daarmee een groot belang toegekend, nu hiervan een prikkel moet uitgaan tot verdere naleving van de last. Van de beginselplicht tot invordering kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken. In de beroepsgronden ziet het college die omstandigheden niet. [eiseres] maakt overigens ook niet concreet wat de strijdigheid met de LHSO is.
3.14.
De rechtbank volgt het college hierin. [eiseres] heeft geen concrete aanknopingspunten geboden voor het oordeel dat sprake is van invordering in strijd met het handhavingsbeleid.
3.15.
Het college heeft zich dus terecht bevoegd geacht om de verbeurde dwangsom in te vorderen. De rechtbank vindt dat het college ook tot invordering mocht overgaan. De rechtbank merkt daarbij op dat ook indien ten tijde van het nemen van de invorderingsbeschikking concreet zicht is op legalisering van de illegale situatie, dit geen bijzondere omstandigheid oplevert om van invordering af te zien.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] ongelijk krijgt. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, rechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ECLI:NL:RVS:2022:285

Uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1405), r.o. 2.2, 15 januari 2014 (ECLJ:NL:RVS:2014:32), r.o. 2 e.v., 23 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM2616), 2.3 e.v., rechtbank Almelo van 22 februari 2012 (ECLI:NL:RBALM:2012:BV7750), r.o. 3 en rechtbank Utrecht van 25 mei 2010 (ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5649), r.o. 2.13 e.v.

ECLI:NL:RVS:2018:1152

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, en 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:846.

Uitspraak van de Afdeling van 3 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1844)

idem

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1945) en van 12 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2686).

Artikel delen