Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOBR:2026:2502

Omgevingswet. Bouw van bedrijfsverzamelgebouw op industrieterrein in Vught. Naar welk gebruik moet worden gekeken bij het bepalen van toepasselijke parkeernorm? Krappe voorziene parkeersituatie en beoordelingsruimte college daarbij. Proceskostenvergoeding in bezwaar wanneer eisers zelf een bezwaarschrift indienen dat vervolgens in betekenisvolle mate wordt aangevuld door gemachtigde.

Rechtbank Oost-Brabant 28 April 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOBR:2026:2502 text/xml public 2026-04-28T10:46:04 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-22 25/2623 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2502 text/html public 2026-04-28T10:34:43 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2502 Rechtbank Oost-Brabant , 22-04-2026 / 25/2623
Omgevingswet. Bouw van bedrijfsverzamelgebouw op industrieterrein in Vught. Naar welk gebruik moet worden gekeken bij het bepalen van toepasselijke parkeernorm? Krappe voorziene parkeersituatie en beoordelingsruimte college daarbij. Proceskostenvergoeding in bezwaar wanneer eisers zelf een bezwaarschrift indienen dat vervolgens in betekenisvolle mate wordt aangevuld door gemachtigde.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/2623 OWBOUW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] ,
[eiser 2],
beiden uit [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. P.A.J. Huijbregts),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught
(gemachtigde: [naam]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats] (de vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor de realisatie van een bedrijfsverzamelgebouw in [plaats]. Eisers zijn het niet eens met de vergunningverlening. Volgens hen heeft het college de parkeertechnische aspecten van het plan verkeerd beoordeeld. Daarnaast vinden eisers dat zij in bezwaar een te lage proceskostenvergoeding hebben gekregen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet de juiste maatvoering heeft gehanteerd voor de te realiseren parkeerplaatsen. Het college heeft verder een te lage proceskostenvergoeding toegekend. De rechtbank neemt op deze punten zelf een beslissing door een vergunningvoorschrift op te nemen waarin een juiste maatvoering staat voor de parkeerplaatsen. Daarnaast kent de rechtbank zelf de juiste proceskostenvergoeding in bezwaar toe. Voor het overige heeft het college op de juiste manier toepassing gegeven aan de parkeertechnische plan- en beleidsregels en blijft het besluit in stand. Eisers krijgen dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Op 15 juni 2024 heeft de vergunninghouder een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning bouw. Op 26 november 2024 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend.

3. Met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de verlening van de vergunning gebleven. Wel heeft het college naar aanleiding van het bezwaar een vergunningvoorschrift opgenomen waarin staat waar de te realiseren parkeerplaatsen aan moeten voldoen.
3.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. M.A.C. Ceelen (waarnemer van de gemachtigde van eisers), de gemachtigde van het college en namens de vergunninghouder [naam] en [naam].
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding

4. De vergunning is aangevraagd voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw in [plaats] van 320m2. Op dit perceel bevindt zich al een bedrijfspand van de vergunninghouder. Op de beoogde locatie van het bedrijfsverzamelgebouw liggen nu parkeerplaatsen. Eisers vrezen dat de gebruikers en bezoekers van het nieuwe bedrijfsverzamelgebouw op de openbare weg zullen parkeren en dat de verkeersveiligheid daardoor in gevaar komt.

Voldoet het plan aan de parkeernormen?

Welke parkeernorm is van toepassing?

5. Eisers voeren aan dat het project in strijd is met de parkeerregels uit het omgevingsplan. Het college heeft volgens hen een verkeerde parkeernorm gehanteerd van 13 parkeerplaatsen. Dat zouden er 14 moeten zijn. Het college is ten onrechte uitgegaan van de norm die behoort bij een arbeids- en bezoekersextensief gebruik van een deel van het bestaande bedrijfsgebouw. Het college had uit moeten gaan van de maximale planologische gebruiksmogelijkheden van het gebouw en die gebruiksmogelijkheden zijn niet extensief van aard.
5.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het de toepasselijke norm moet bepalen op basis van het feitelijke gebruik en niet op basis van de maximale planologische mogelijkheden. Het college heeft dit feitelijke gebruik vastgesteld aan de hand van de in het handelsregister opgenomen bedrijfsactiviteiten. Daarnaast heeft het college parkeeronderzoek ter plaatse gedaan aan de hand van tellingen. Het college is op basis van dit onderzoek tot de conclusie gekomen dat sprake is van een arbeids- en bezoekersextensief gebruik van het relevante gedeelte van het bedrijfsgebouw.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.3.
Op de bouwlocatie is het Parapluplan Parkeren (het Parapluplan) van toepassing. Dat bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Vught (het Omgevingsplan). Op grond van 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het Omgevingsplan, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen van bouwwerken. Op grond van artikel 3.1 van het Parapluplan moeten bij een omgevingsvergunning bouw voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein worden gerealiseerd. De daarbij te hanteren parkeernorm wordt bepaald aan de hand van het document ‘Parkeerbeleid en Parkeernota 2013-2022’ (het parkeerbeleid).
5.4.
In paragraaf 5.8, onder 1, van het parkeerbeleid staat dat de parkeernormen worden toegepast die zijn opgenomen in de tabel in paragraaf 11.2 van het parkeerbeleid. In deze tabel is per gebruiksfunctie en locatie een parkeernorm vastgesteld. Partijen zijn het erover eens dat de vraag of een parkeernorm van 13 of 14 van toepassing is, afhangt van de vraag of het bestaande bedrijfsgebouw een arbeids- en bezoekersextensieve gebruiksfunctie heeft.
5.4.1.
Het parkeerbeleid bepaalt niet hoe moet worden bepaald welke gebruiksfunctie op een gebouw van toepassing is. Hiervoor ontbreken ook aanknopingspunten in het Parapluplan en de toelichting daarbij. De rechtbank is van oordeel dat het parkeerbeleid zo moet worden uitgelegd, dat bij de beoordeling van de toepasselijke gebruiksfunctie moet worden uitgegaan van het feitelijk gebruik van de bestaande bouw. Dat doet namelijk het meest recht aan de bedoeling van de gemeenteraad als planregelgever en vaststeller van het parkeerbeleid: ervoor zorgen dat de parkeerbehoefte van een gebouw, gegeven de gebruiksfunctie daarvan, op eigen terrein wordt opgelost.
5.4.2.
Er hoeft dus niet te worden gekeken naar het maximale planologische gebruik van de bestaande bouw. Als de planregels zo zouden moeten worden uitgelegd, dan zou dat het niet voor de hand liggende gevolg hebben dat het onderscheid in verschillende gebruiksfuncties dat de regelgever in de tabel in paragraaf 11.2 heeft gemaakt, feitelijk nooit toepassing zou vinden. Het omgevingsplan kan namelijk niet bepalen of een gebouw bijvoorbeeld dure koop is of goedkope huur en ook niet hoe een gebouw in de praktijk wordt gebruikt en dus of dat gebruik extensief is of niet. Een woning zou dan altijd moeten worden beschouwd als dure koop met de bijbehorende norm en bedrijfsgebouwen zouden nooit gebruiksextensief kunnen zijn. Als de planregelgever of de beleidsregelgever zo’n een methodiek voor ogen zou hebben gestaan waarin het beleid voor een deel op voorhand niet kan worden toegepast, dan had het op zijn weg gelegen om dat te expliciteren.
5.5.
Het college is dus terecht uitgegaan van het feitelijke gebruik van het bestaande bedrijfsgebouw. Het heeft op basis van eigen onderzoek geoordeeld dat dit feitelijke gebruik arbeids- en bezoekersextensief is. Eisers hebben weliswaar tegen het onderzoek van het college ingebracht dat er regelmatig ‘veel’ auto’s staan op het bestaande parkeerterrein, maar zij hebben dit niet onderbouwd met een concrete parkeertelling. De rechtbank ziet in dit betoog van eisers daarom geen aanleiding om te twijfelen aan het onderzoek dat het college heeft gedaan. Het college kon dus tot de conclusie komen dat het totaal aan op eigen terrein te realiseren parkeerplaatsen 13 bedraagt.

Kan de parkeernorm feitelijk worden gerealiseerd?
5.6.
Eisers voeren aan dat het college er ten onrechte van uitgaat dat het mogelijk is om aan de lagere norm van 13 te voldoen op eigen terrein. Eisers verwijzen daarbij naar een in hun opdracht door VAGN uitgevoerd verkeersonderzoek. In dit onderzoek is VAGN ingegaan op een tekening die onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag en die illustreert hoe de te realiseren parkeerplaats kunnen worden ingepast. Ook gaat het onderzoek in op het vergunningvoorschrift dat het college in bezwaar heeft toegevoegd. VAGN constateert dat:

in het voorschrift wordt afgeweken van de CROW-normlengte voor haakse parkeervakken, die bedraagt namelijk 5,13 meter en niet 5,00 meter;

in het voorschrift wordt afgeweken van de CROW-normbreedte voor langsparkeerplaatsen, die bedraagt namelijk 2,00 meter en niet 1,80 meter;

de in de tekening zijn de haakse parkeervlakken 2,40 meter breed en niet, zoals het voorschrift in overeenstemming met de CROW-normbreedte bepaalt, 2,50 meter;

de in de tekening uitgevoerde parkeersimulatie hanteert een andere maatvoering voor het voertuig dan het CROW hanteert, namelijk 4,30 meter lang en 1,78 meter breed in plaats van 4,88 meter lang en 1,83 meter breed;

de langsparkeerplaatsen kunnen feitelijk alleen worden gebruikt als voertuigen met de voorzijde richting de straat worden geparkeerd, aangezien de bestuurder zijn bestuurdersportier anders niet open krijgt in verband met het direct naar de parkeervakken gelegen hekwerk;

de ruimte tussen de haakse en langsparkeerplaatsen is in de praktijk beduidend smaller dan de weergegeven 6 meter omdat de gebruikers van de parkeerplaatsen realistischerwijs niet binnen de parkeervakken zullen blijven;

de parkeerplaatsen zijn nu zo gesitueerd, dat twee van de drie roldeuren van het bestaande bedrijfsverzamelgebouw onbereikbaar raken op het moment dat de parkeercapaciteit volledig wordt benut;

de situering van de parkeerplaatsen ook op andere manieren niet optimaal zijn, bijvoorbeeld doordat de fietsparkeerders moeilijk bij de fietsenstalling komen en een vluchtroute moeilijker bereikbaar wordt gemaakt.
5.7.
Het college erkent dat de maatvoering van de parkeerplaatsen ten onrechte niet in overeenstemming is met de door het CROW opgestelde normen, waar het beleidsmatig bij aan pleegt te sluiten. Het college heeft naar aanleiding van het onderzoek van VAGN een nieuwe situatietekening in het geding gebracht waarin de parkeerplaatsen en de daarop toegepaste parkeersimulatie met CROW-normconforme maatvoeringen zijn opgenomen. Het college erkent ook dat de daarin verbeelde parkeersituatie krap is, maar niet in strijd met de parkeernorm. Het college beperkt zich bij het beoordelen van de parkeersituatie namelijk tot de vraag of de te realiseren parkeerplaatsen bereikbaar zijn. Volgens het college is dat het geval.
5.8.
De beroepsgrond slaagt voor zover deze zich richt tot de maatvoering van de parkeerplaatsen. Het college heeft immers erkend dat het op grond van zijn eigen beleid aan had moeten sluiten bij de CROW-normen. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd voor zover het college als voorschrift heeft opgenomen dat dertien parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd en duurzaam in stand worden gehouden, waarvan zeven met een afmeting van 2,50 x 5,00 meter en zes met een afmeting van 1,80 x 6,00 meter. De rechtbank heeft partijen gevraagd of het geconstateerde gebrek wordt hersteld als de maatvoeringsvoorschriften in overeenstemming met de CROW-normen worden aangepast naar zeven parkeerplaatsen met een afmeting van 2,50 x 5,13 meter en zes met een afmeting van 2,00 x 6,00. Partijen hebben aangegeven dat dit het geval is. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en een voorschrift met deze inhoud opnemen in de vergunning.
5.9.
De beroepsgrond slaagt echter niet voor zover deze inhoudt dat de parkeerplaatsen feitelijk niet ten volle benutbaar zullen zijn. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.10.
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zijn bij de uitleg van een bestemmingsplan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en aanduidingen en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Pas als een planregel, op zichzelf en in samenhang met de andere planregels, niet duidelijk is, komt betekenis toe aan de plantoelichting.
5.11.
Artikel 3.1 van het Parapluplan stelt als eis dat parkeervoorzieningen in voldoende mate op eigen terrein worden gerealiseerd om in de parkeerbehoefte te voorzien, maar in het Parapluplan worden hierover verder geen criteria gegeven. Op pagina 6 van de plantoelichting wordt vermeld dat sprake is van ‘voldoende’ parkeergelegenheid, indien wordt voldaan aan de in het parkeerbeleid genoemde functies met bijbehorende normen. Daarmee heeft de planregelgever echter nog geen duidelijkheid verschaft over de bruikbaarheidseisen waar een parkeerplaats aan moet voldoen. In het parkeerbeleid zijn hiervoor ook geen aanknopingspunten te vinden.
5.12.
Uit het voorgaande volgt dat de planregelgever niet heeft geregeld aan welke eisen een parkeerplaats moet voldoen, maar slechts dat een aantal parkeerplaatsen moet worden gerealiseerd in overeenstemming met de geldende parkeernorm. Het college komt beoordelingsruimte toe bij beantwoording van de vraag wanneer een parkeerplaats plantechnisch kan worden meegerekend als parkeervoorziening. De rechtbank is van oordeel dat het college zich bij het beoordelen van een parkeersituatie in redelijkheid kan beperken tot de vraag of de te benutten parkeerplaatsen bereikbaar zijn. Het college heeft ook beoordelingsruimte bij het bepalen van de bereikbaarheid van een parkeerplaats. Het rapport van VAGN biedt weliswaar aanknopingspunten voor het oordeel dat de parkeersituatie krap zal zijn, maar het college hoefde hierin geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de parkeerplaatsen feitelijk niet bereikbaar zijn.

Eén punt proceskostenvergoeding voor de aanvulling van het bezwaarschrift?

6. Eisers voeren aan dat zij in bezwaar niet de juiste proceskostenvergoeding hebben gekregen. Volgens hen had het college één punt toe moeten kennen voor het door de gemachtigde van eisers aanvullen van het door eisers ingediende bezwaarschrift.
6.1.
Het college heeft aangevoerd dat er geen punt dient te worden gerekend voor het indienen van een bezwaarschrift, aangezien eisers zelf het aanvankelijke bezwaarschrift hebben ingediend en niet hun gemachtigde. Een aanvulling van een bezwaarschrift kan volgens het college niet gelijk worden gesteld aan het indienen van een bezwaarschrift.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank legt hierna uit waarom.
6.3.
Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de een bezwaarmaker in verband met het gemaakte bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van artikel 7:15, vierde lid, van de Awb kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
6.4.
In artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de bijlage bij het Bpb is limitatief opgesomd welke proceshandelingen voor vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in aanmerking komen. De bijlage van het Bpb noemt onder A5 als proceshandeling ‘bezwaarschrift’, met verwijzing naar artikel 6:4 van de Awb, dat gaat over het maken van bezwaar door middel van het indienen van een bezwaarschrift. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van Bpb-regeling rondom de proceskostenvergoeding in bezwaar wijst erop dat de Bpb-regelgever ervan uit is gegaan dat deze vergoeding betrekking heeft op het indienen van een bezwaarschrift.
6.5.
De Bpb-regelgever heeft echter niet verhelderd wat wel en wat niet geacht kan worden geschaard onder ‘het indienen van een bezwaarschrift’. De Bpb-regelgever heeft ook geen aandacht besteed aan een situatie als deze, waarin een bezwaarschrift in eerste instantie is ingediend zonder een professionele gemachtigde, waarop het bezwaarschrift vervolgens door een professionele gemachtigde in betekenisvolle mate wordt aangevuld. Het college wijst er dus weliswaar terecht op dat het indienen van een aanvulling op een bezwaarschrift in deze regeling als zodanig niet is genoemd, maar de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling wijzen er evenmin met zoveel woorden op dat de regelgever hiervoor een vergoeding heeft willen uitsluiten. De rechtbank is van oordeel dat het Bpb zo moet worden uitgelegd, dat ook aanleiding bestaat voor een vergoeding voor het indienen van een bezwaarschrift indien een professionele gemachtigde een betekenisvolle aanvulling doet op een door een bezwaarmaker zelf ingediend bezwaarschrift. De strekking van artikel 7:15 van de Awb is immers dat een bezwaarmaker een vergoeding krijgt voor kosten die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in het kader van de behandeling van het bezwaar.
6.6.
Het college had, nu hij in bezwaar het besluit van 26 november 2024 heeft herroepen, een proceskostenvergoeding moeten toekennen voor het indienen van de aanvulling op het bezwaarschrift. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen voor zover het college dit heeft nagelaten en zal zelf in de zaak voorzien door eisers een vergoeding toe te kennen van € 666,-. Dat is het bedrag dat ten tijde van het bestreden besluit overeenkwam met één punt in bezwaar.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat het college in het bestreden besluit heeft nagelaten een voorschrift te verbinden aan de omgevingsvergunning ter borging van de dertien parkeerplaatsen met een voldoende maatvoering. Het college heeft daarnaast gehandeld in strijd met artikel 7:15 van de Awb door geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor het indienen van het bezwaarschrift. De rechtbank vernietigt daarom in zoverre het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing op deze punten. De rechtbank zal een vergunningvoorschrift toevoegen dat wel voldoet aan het beleid. Daarnaast zal de rechtbank een proceskostenvergoeding in bezwaar toekennen van € 666,- voor het indienen van het bezwaarschrift. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten in beroep.

Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Bpb berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
7.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor de door eisers verzochte hogere vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb heeft de rechtbank de bevoegdheid om af te wijken van de vaste bedragen per proceshandeling als sprake is van bijzondere omstandigheden. Eisers hebben als bijzondere omstandigheid aangevoerd dat het college grof onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank acht de mate van onzorgvuldigheid aan de zijde van het college echter niet dusdanig bijzonder, dat een hogere proceskostenvergoeding moet worden toegekend.
7.3.
De kosten die eisers hebben gemaakt voor het inschakelen van VAGN komen op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb, voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten bedragen, gelet op de door eisers in het geding gebrachte factuur, € 627,51.
7.4.
Al met al wordt een bedrag van 1.868,00 + 627,51 = € 2.495,51 aan proceskostenvergoeding in beroep toegekend.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin aan het besluit van 26 november 2024 een voorschrift is toegevoegd, luidende:

o “Op eigen terrein moeten in totaal 13 parkeerplaatsen, waarvan 7 met een afmeting van 2,50 x 5,00 meter en 6 met een afmeting van 1,80 x 6,00 meter, worden gerealiseerd en duurzaam in stand worden gehouden. De parkeerplaatsen mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan parkeren.”

- bepaalt dat aan het besluit van 26 november 2024 een voorschrift wordt toegevoegd, luidende:

o “Op eigen terrein moeten in totaal 13 parkeerplaatsen, waarvan 7 met een afmeting van 2,50 x 5,13 meter en 6 met een afmeting van 2,00 x 6,00 meter, worden gerealiseerd en duurzaam in stand worden gehouden. De parkeerplaatsen mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan parkeren.”

vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geen proceskostenvergoeding is toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift;

bepaalt dat aan eisers een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor het bezwaarschrift van € 666,-;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;

veroordeelt het college tot betaling aan eisers van € 2.495,51 aan proceskosten in beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van H.J. van der Meiden, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

de griffier is verhinderd omdeze uitspraak te ondertekenen

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Dat is zo op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Zie bijvoorbeeld ABRvS 7 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3201, overweging 5.4.

Zie daarvoor de Nota van Toelichting bij het Besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep (Stb. 2002, 113).

Artikel delen