Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Beroep ongegrond. Eiser is terecht door het college niet als belanghebbende aangemerkt.
Rechtbank Overijssel 6 March 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:1154
Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-03-2026
Datum publicatie
06-03-2026
Zaaknummer
ak_25_1196
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1154text/xmlpublic2026-03-06T17:13:342026-03-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Overijssel2026-03-04ak_25_1196UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1154text/htmlpublic2026-03-06T17:13:102026-03-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBOVE:2026:1154 Rechtbank Overijssel , 04-03-2026 / ak_25_1196 Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Beroep ongegrond. Eiser is terecht door het college niet als belanghebbende aangemerkt.
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1196
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , hierna in enkelvoud: [eisers] , en het college van burgemeester en wethouders van Deventer hierna: het college
(gemachtigde: mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het bezwaar van [eisers] tegen de omgevingsvergunning van 20 november 2024 kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Met deze vergunning wordt een broodjeszaak toegestaan in het pand aan de [adres 1] . Volgens het college heeft [eisers] geen objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang bij die vergunningverlening omdat zijn perceel te ver is gelegen van de broodjeszaak en [eisers] geen gevolgen van enige betekenis ondervindt door de vestiging daarvan. [eisers] is het daar niet mee eens en voert aan dat hij wel belanghebbende is bij de omgevingsvergunning omdat hij geur- en geluidsoverlast vreest. Ook is [eisers] van mening dat de monumentale uitstraling van het binnenterrein achter zijn pand verandert en de toegang daartoe wordt belemmerd als de broodjeszaak wordt geopend en een (illegaal) terras wordt neergezet. 1.1. De rechtbank oordeelt dat het college [eisers] in bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belanghebbende is. De percelen van [eisers] en de broodjeszaak grenzen niet aan elkaar en [eisers] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. [eisers] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 20 november 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een broodjeszaak in het pand aan de [adres 1] in Deventer. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 heeft het college het bezwaar van [eisers] tegen deze omgevingsvergunning kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. 2.1.
[eisers] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en zijn beroepsgronden later nader aangevuld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep 22 januari 2026 op zitting behandeld, tezamen met het beroep van [eisers] tegen een verleende exploitatievergunning met zaaknummer ZWO 25/1197. Aan de zitting hebben [eiser 2] en de gemachtigde van het college deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of het besluit van het college om het bezwaar van [eisers] niet-ontvankelijk te verklaren in stand kan blijven. De rechtbank geeft in deze procedure geen inhoudelijk oordeel over de vraag of het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. 4. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen een belanghebbende kan bezwaar indienen op grond van artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. 5. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft betrokkene geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de bestuursrechter naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Hij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 6. [eisers] betoogt dat het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. [eisers] is van mening dat hij door de omgevingsvergunning in zijn eigendomsbelangen wordt geraakt. [eisers] is eigenaar van het pand aan de [adres 2] in Deventer. Hij vreest dat de verhuurbaarheid en de waarde van zijn pand vermindert als gevolg van de omgevingsvergunning. Ook vreest [eisers] rechtstreekse gevolgen van de broodjeszaak door de toenemende passantenstroom en door geluid en geur. [eisers] stelt dat de afstand tussen de achtergevel van zijn pand en de broodjeszaak ongeveer 33 meter is. De panden worden slechts gescheiden door de Doopsgezinde Vermaning aan de [adres 3] . Vanuit zijn pand heeft [eisers] direct zicht op het hofje (binnenterrein) van de Doopsgezinde Vermaning en het dak van het pand waarin de broodjeszaak wordt gevestigd. [eisers] verwacht dat bezoekers van de broodjeszaak via de monumentale poort (Rijksmonumentnr. [nummer] ) het hofje zullen betreden. Ook voert [eisers] aan dat hij eerder wel als belanghebbende is aangemerkt in een procedure aangaande een exploitatievergunning voor een horecagelegenheid aan de [adres 2] in Deventer die op een vergelijkbare afstand van zijn pand is gelegen. Verder stelt [eisers] dat de cultuurhistorische waarden van de omgeving en zijn pand door de omgevingsvergunning worden aangetast. Tot slot is [eisers] van mening dat hij, in strijd met artikel 7:3, onder a, van de Awb, niet is gehoord. 7. Het college stelt dat [eisers] geen persoonlijk belang bij de omgevingsvergunning heeft omdat hij geen feitelijke gevolgen van dit besluit ondervindt. Voor zover [eisers] wel feitelijke gevolgen ondervindt, zijn deze gevolgen niet van enige betekenis zodat een persoonlijk belang bij de omgevingsvergunning ontbreekt. Het college wijst erop dat [eisers] vanuit zijn pand of vanaf zijn perceel geen direct zicht heeft op de broodjeszaak op de begane grond. Vanwege de tussenliggende bebouwing is het volgens het college niet aannemelijk dat [eisers] door de broodjeszaak (milieu)gevolgen zal ondervinden van geur en geluid. Het college heeft verder toegelicht dat de omgevingsvergunning weliswaar een ruimere horecacategorie voor de locatie [adres 1] toestaat dan op grond van het Omgevingsplan Deventer is bestemd, maar deze horecacategorie is al toegestaan voor het naastgelegen pand waarin de broodjeszaak voorheen was gevestigd. Mocht er door de verhuizing van de broodjeszaak naar het naastgelegen pand al enige verandering van geur of geluid plaatsvinden, dan is zo’n eventuele verandering dusdanig gering dat dit niet als een gevolg van enige betekenis kan worden beschouwd, aldus het college. Wat betreft het niet horen van [eisers] geeft het college aan dat hij op voorhand geen enkele twijfel had over de niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaar. 8. De rechtbank overweegt als volgt. 9. Het pand van [eisers] en de broodjeszaak, of hun percelen grond, grenzen niet aan elkaar. De afstand tussen de achterzijde van het pand en het perceel van [eisers] en de beoogde broodjeszaak is ongeveer 33 meter. Ondanks dat tussen beide panden een relatief korte afstand zit, heeft [eisers] niet aannemelijk gemaakt dat deze omstandigheid meebrengt dat hij gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van de broodjeszaak. Tussen het pand van [eisers] en de broodjeszaak zit het hofje van de Doorpsgezinde Vermaning. Vaststaat dat [eisers] geen zicht heeft op de (etalages van de) broodjeszaak, alleen van het dak daarvan. Beide panden zijn gelegen in de historische binnenstad van Deventer. Vanwege de aanwezigheid van winkels en horecagelegenheden is het aannemelijk dat [eisers] in enige mate gevolgen ondervindt van passanten en geuren en geluiden uit de directe omgeving. Dat geldt evenwel voor alle bewoners en bedrijven in de directe omgeving. [eisers] onderscheidt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende van anderen. Hoewel niet uitgesloten is dat [eisers] in het geheel geen feitelijke gevolgen van de broodjeszaak zal ondervinden, heeft [eisers] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij is van belang dat het pand aan de [adres 1] al een horecabestemming categorie 3b heeft. Met de omgevingsvergunning wordt enkel horeca categorie 3a toegestaan; wat inhoudt dat niet alleen facilitaire / ondersteunende horeca maar ook zelfstandige horeca mogelijk wordt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] onvoldoende geduid wat de gevolgen van deze wijziging voor hem zijn. 10. De rechtbank volgt [eisers] ook niet in zijn betoog dat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt omdat de omgevingsvergunning de cultuurhistorische waarden van zijn pand en de omliggende panden aantast. De rechtbank overweegt dat [eisers] alleen voor zijn eigen belang en niet voor het belang van anderen – namelijk de bewoners en eigenaren van de andere monumentale panden – kan opkomen. Voor zover [eisers] betoogt dat hij belanghebbende is bij de bestreden omgevingsvergunning omdat de vergunning de cultuurhistorische waarde van zijn pand aantast, slaagt dit betoog niet. De bestreden omgevingsvergunning brengt immers geen wijziging mee in het uiterlijk of aanzien van het pand van [eisers] , en overigens ook niet in dat van de beoogde broodjeszaak. 11. Zowel ten aanzien van de toegankelijkheid van het hofje achter zijn pand als de monumentale uitstraling van zijn eigen pand heeft [eisers] op zitting toegelicht dat hij vooral vreest dat (illegale) zitjes worden geplaatst door de broodjeszaak, omdat dit op de voormalige plek van dezelfde uitbater ook gebeurde. De rechtbank stelt evenwel vast dat met de omgevingsvergunning geen terras wordt toegestaan. Het mogelijk illegaal plaatsen van een terras leidt niet tot belanghebbendheid van [eisers] bij de vergunningverlening. 12. [eisers] heeft erop gewezen dat hij in een andere beroepsprocedure door de bestuursrechter van deze rechtbank als belanghebbende is aangemerkt bij de exploitatie- en terrasvergunning van het pand aan de [adres 4] . De rechtbank stelt vast dat zich in die andere procedure een andere feitelijke en juridische situatie voordeed. In de door [eisers] benoemde procedure was een exploitatie- en een terrasvergunning verleend. In die procedure kwam de rechtbank tot het oordeel dat [eisers] als belanghebbende moest worden aangemerkt omdat het voorstelbaar werd geacht dat, door het terras dat de burgemeester had vergund, de looprichting in de richting van het pand van [eisers] geblokkeerd kon worden. [eisers] kon daarom als gevolg van de exploitatie- en terrasvergunning gevolgen van enige betekenis ondervinden. In deze zaak staat echter geen terrasvergunning ter discussie. Daarbij wordt in dit geval de looprichting naar het pand van [eisers] niet door de bestreden omgevingsvergunning belemmerd. De vergelijking gaat kortom niet op. 13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eisers] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in deze zaak. Het college heeft [eisers] dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Omdat de rechtbank van oordeel is dat hierover geen twijfel bestond, mocht het college ervan afzien om [eisers] te horen over zijn bezwaar. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eisers] geen gelijk krijgt. [eisers] krijgen daarom het griffierecht niet terug. [eisers] krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4114. Rechtbank Overijssel van 29 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2615.