Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOVE:2026:169

Deze uitspraak gaat over de vraag of aan eiser terecht een last onder dwangsom is opgelegd wegens de plaatsing van twee airco’s zonder omgevingsvergunning aan de voorgevel en op het dak van de tweede verdieping van zijn woning. Volgens het college is eiser in overtreding omdat hij niet beschikt over de benodigde omgevingsvergunningen. Het college wil dat de airco aan de voorgevel wordt verwijde...

Rechtbank Overijssel 16 January 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:169 text/xml public 2026-01-16T11:58:31 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-01-12 ak_25_1536 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:169 text/html public 2026-01-16T11:57:34 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:169 Rechtbank Overijssel , 12-01-2026 / ak_25_1536
Deze uitspraak gaat over de vraag of aan eiser terecht een last onder dwangsom is opgelegd wegens de plaatsing van twee airco’s zonder omgevingsvergunning aan de voorgevel en op het dak van de tweede verdieping van zijn woning. Volgens het college is eiser in overtreding omdat hij niet beschikt over de benodigde omgevingsvergunningen. Het college wil dat de airco aan de voorgevel wordt verwijderd en dat de airco op het dak van de tweede verdieping wordt verwijderd of dat daarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe onder meer aan dat het college in dit geval van handhaving had moeten afzien, omdat de melding die tot de handhaving heeft geleid afkomstig was van een eigen medewerker van de gemeente Hengelo. Door handhavingsverzoeken of meldingen in te laten dienen door eigen medewerkers kan het college zelf bepalen wanneer het gaat handhaven, dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college door handhavend op te treden tegen eiser naar aanleiding van een melding afkomstig van een eigen medewerker geen consistent handhavingsbeleid heeft gevoerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/1536
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats],
hierna: [eiser]

en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,
hierna: het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of aan [eiser] terecht een last onder dwangsom is opgelegd wegens de plaatsing van twee airco’s zonder omgevingsvergunning aan de voorgevel en op het dak van de tweede verdieping van zijn woning aan de [adres]. Volgens het college is [eiser] in overtreding omdat hij niet beschikt over de benodigde omgevingsvergunningen. Het college wil dat de airco aan de voorgevel wordt verwijderd en dat de airco op het dak van de tweede verdieping wordt verwijderd of dat daarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. [eiser] is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe onder meer aan dat het college in dit geval van handhaving had moeten afzien, omdat de melding die tot de handhaving heeft geleid afkomstig was van een eigen medewerker van de gemeente Hengelo. Door handhavingsverzoeken of meldingen in te laten dienen door eigen medewerkers kan het college zelf bepalen wanneer het gaat handhaven, dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college door handhavend op te treden tegen [eiser] naar aanleiding van een melding afkomstig van een eigen medewerker geen consistent handhavingsbeleid heeft gevoerd. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop 2.1.
[eiser] woont in een pand op het perceel aan de [adres] (hierna: het perceel). Op de gronden van het perceel is het voormalig bestemmingsplan ‘Vooroorlogsewijken 2016 (deel 1)’ en het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Hengelo’ van toepassing (hierna: het omgevingsplan).
2.2.
Bij de gemeente Hengelo (hierna: de gemeente) is op 2 januari 2023 een melding gedaan over meerdere airco’s aan de buitenkant van de woning op het perceel.
2.3.
Naar aanleiding van deze melding heeft een toezichthouder van de gemeente (hierna: de toezichthouder) op 26 januari 2023 een controle uitgevoerd op het perceel en geconstateerd dat recent drie airco’s zijn geplaatst. Tegen de voorgevel is een airco (1) geplaatst direct onder de uitgekraagde eerste verdieping. Boven op het platte dak op de tweede verdieping is een airco (2) geplaatst. Volgens de toezichthouder is voor deze beide lichtgrijze airco’s met een afmeting van 80x53x40cm een omgevingsvergunning benodigd. Tegen de achtergevel op het platte dak van de aanbouw is een airco (3) geplaatst die volgens de toezichthouder vergunningsvrij is.
2.4.
Bij brief van 16 februari 2023 heeft het college [eiser] een waarschuwing gestuurd over de airco’s zonder omgevingsvergunning. Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] op 10 maart 2023 telefonisch contact met de toezichthouder.
2.5.
[eiser] heeft op 10 maart 2023 een conceptverzoek ingediend voor het plaatsen van de airco aan de voorgevel van de woning op het perceel. Het college heeft het conceptverzoek voorgelegd aan de stadsbouwmeester van ‘Het Oversticht’ (hierna: de stadsbouwmeester). Op 26 juni 2023 heeft de stadsbouwmeester voorlopig negatief geadviseerd wegens strijd met de redelijke eisen van welstand. Bij brief van 7 juli 2023 heeft het college op het conceptverzoek gereageerd: de airco kan niet vergunningsvrij worden gerealiseerd. Vanwege het negatieve welstandsadvies wil het college ook geen medewerking verlenen aan het plaatsen van de airco.
2.6.
De toezichthouder heeft op 10 oktober 2023 opnieuw een controle uitgevoerd en geconstateerd dat de airco’s nog steeds aanwezig zijn.
2.7.
[eiser] heeft het college op 4 juni 2024 per e-mail gevraagd of het spuiten van de airco’s in een donkere kleur of het plaatsen van een kast om de airco’s de bezwaren tegen het verlenen van een omgevingsvergunning kan opheffen. Bij e-mail van 13 juni 2024 heeft het college in reactie hierop laten weten dat de stadsbouwmeester ook hierover een negatief advies heeft afgegeven.
2.8.
Bij brief van 24 juli 2024 heeft het college aan [eiser] laten weten dat het voornemens is een last onder dwangsom op te leggen wegens de airco’s zonder omgevingsvergunning. [eiser] heeft hiertegen een zienswijze ingediend.
2.9.
Met het besluit van 18 november 2024 heeft het college aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd omdat hij zonder omgevingsvergunning de airco aan de voorgevel en die op de tweede verdieping op het platte dak heeft geplaatst / laten plaatsen aan zijn woning op het perceel.
2.10.
[eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.11.
Bij brief van 16 december 2024 heeft het college de begunstigingstermijn opgeschort tot twee maanden na het nemen van de beslissing op het bezwaar.
2.12.
Ter beoordeling van het bezwaar heeft het college advies gevraagd aan de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Hengelo (hierna: de commissie). Zij heeft op 24 maart 2024 advies uitgebracht.
2.13.
Bij brief van 14 mei 2024 heeft het college [eiser] opnieuw een waarschuwing gestuurd over de airco’s zonder omgevingsvergunning.
2.14.
Het college heeft de stadsbouwmeester opnieuw om advies gevraagd over het aangepaste plan om de airco’s uit te voeren in een donkere kleur. De stadsbouwmeester heeft hierover op 14 april 2025 negatief geadviseerd vanwege strijd met de redelijke eisen van welstand.
2.15.
Met het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van [eiser] heeft het college het advies van de commissie gevolgd en de last onder dwangsom in stand gelaten.
2.16.
Bij brief van 11 juni 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot twee maanden na de datum van deze uitspraak.
2.17.
Bij brief van 13 juni 2025 en 20 juni 2025 heeft de rechtbank het college verzocht om toezending van niet-geanonimiseerde op de zaak betrekking hebbende stukken. Bij brief van 24 juni 2025 heeft het college hierop gereageerd en alsnog de niet-geanonimiseerde stukken verstrekt.
2.18.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.19.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.S. van Dijk en A.F.M. Wolthuis.
Beoordeling door de rechtbank
3. Aan de orde is of het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd.

4. [eiser] voert – onder meer en voor zover hier relevant – aan dat het college van handhaving had moeten afzien gelet op het gelijkheidsbeginsel. Het college geeft aan dat het een zogenaamd piepsysteem hanteert waarbij wordt gehandhaafd naar aanleiding van een handhavingsverzoek, als er sprake is van een overtreding. In dit geval is bij het college een vraag binnengekomen of er een omgevingsvergunning was verleend voor de airco’s. Het college heeft gesteld dat dit geen handhavingsverzoek was, maar heeft de vraag in behandeling genomen op basis van prioritering. De hogere prioritering omdat de woning van [eiser] een ‘waardevol pand’ is, was voor het college reden om ambtshalve op te treden. In dit geval blijkt echter uit de niet-geanonimiseerde melding dat deze afkomstig is van een medewerker van de gemeente zelf. Door handhavingsverzoeken of meldingen in te laten dienen door eigen medewerkers kan het college zelf bepalen wanneer het gaat handhaven, dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5. Het college stelt in het bestreden besluit dat het piepsysteem betekent dat naar aanleiding van binnengekomen handhavingsverzoeken wordt beoordeeld of wordt overgegaan tot handhavend optreden. In dat kader is het van belang of de verzoeker om handhaving een belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In andere gevallen worden meldingen in behandeling genomen op basis van prioritering. In dit geval is tot handhaving overgegaan, omdat de woning door het college is aangeduid als ‘waardevol pand’.

6. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
6.1.
Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) benadrukt daarbij dat de beginselplicht tot handhaving geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Een reden om toch van handhavend optreden af te zien kan zich voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het gelijkheidsbeginsel een consistent en doordacht bestuursbeleid vergt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in individuele gelijke gevallen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat is toegestaan dat in het kader van een handhavingsbeleid prioriteiten worden gesteld met het oog op doelmatige handhaving. Zo kan prioritering bepalend zijn voor de mate waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van voorschriften. Ook mag prioritering inhouden dat bij bepaalde overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden.
6.3.
In dit geval komt doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat de melding die aan het besluit tot handhaving vooraf is gegaan, afkomstig is van een medewerker van de gemeente (zo blijkt uit de niet-geanonimiseerde melding). Op 2 januari 2023 stuurt een medewerker van de gemeente een e-mail naar een juridisch adviseur handhaving van diezelfde gemeente. De medewerker geeft aan: “Ik heb nog geen foto van de airco aan de achterzijde van de woning. Maar ik mag toch hopen dat hier een omgevingsvergunning nodig is. Deze woning maakt onderdeel uit van drie geschakelde woningen. Bouwstijl is Amsterdamse school en ze hebben allen het predicaat waardevol pand gekregen. En persoonlijk vind ik de airco aan de voorzijde foei lelijk. Hoort totaal niet bij dit pand.”. Hierna heeft de toezichthouder op 26 januari 2023 een controle uitgevoerd op het perceel, hetgeen uiteindelijk tot oplegging van de last onder dwangsom aan [eiser] heeft geleid.
6.4.
Voorgaande werkwijze acht de rechtbank in strijd met het reactionaire handhavingsbeleid dat het college in dit geval voert en met het uitgangspunt dat een bestuursorgaan zorg heeft te dragen voor een consistent bestuursbeleid. Het beleid van het college dat alleen wordt opgetreden naar aanleiding van handhavingsverzoeken en meldingen, kan niet anders worden uitgelegd dan dat het moet gaan om handhavingsverzoeken of meldingen van (belanghebbende) derden. Het standpunt van het college, ingenomen ter zitting, dat het niet uitmaakt van wie de melding afkomstig is, ook wanneer dat een medewerker van de gemeente is, kan niet worden aanvaard. Op deze wijze heeft het college immers alsnog zelf in de hand of en wanneer het wel en wanneer het niet tot handhavend optreden overgaat. Dit zou de schijn van willekeur met zich kunnen brengen. Verder heeft het college ter zitting aangegeven dat toezichthouders van de gemeente ook zelf overtredingen constateren dus dat er wat dat betreft geen verschil is met onderhavige zaak. Er blijkt echter nergens uit dat het college ook een, als hiervoor bedoeld, actief handhavingsbeleid voert als het gaat om onderwerpen als deze.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat het handhavingsbeleid van het college zoals omschreven in het bestreden besluit, waarin staat dat de aanwijzing als waardevol pand reden geeft tot hogere prioritering, nergens is vastgelegd. Ter zitting heeft het college aangeven dat de hogere prioritering bij waardevolle panden niet is vastgelegd en dat in het beleid niet veel meer staat dan dat het college aan prioritering doet. Het college heeft de vrijheid om prioriteiten te stellen, maar het gelijkheidsbeginsel vergt wel een consistent bestuursbeleid waarover het college openheid van zaken dient te geven. Daarbij dient handhavingsbeleid, zoals in dit geval de gehanteerde prioriteitsstelling, in beginsel gepubliceerd te worden. Publicatie zorgt immers voor transparantie en rechtszekerheid, zodat burgers en bedrijven weten welke regels en criteria de overheid hanteert bij handhaving. Dit bevordert ook de gelijke behandeling en het vertrouwen in de overheid.
6.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college door handhavend op te treden tegen [eiser] in dit geval is afgeweken van zijn eigen reactionaire beleid, zonder dat daarvoor een toereikend argument is gegeven. Het college heeft geen doordacht consistent handhavingsbeleid gevoerd op dit punt. Daarmee is sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en de last onder dwangsom van 18 november 2024 herroepen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat [eiser] gelijk krijgt en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, in die zin dat de last onder dwangsom van 18 november 2024 wordt herroepen. Het college hoeft dus niet opnieuw te beslissen op het door [eiser] gemaakte bezwaar. Het voorgaande betekent dat de last onder dwangsom niet langer geldt.
7.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 18 november 2024;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser] moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van

mr. B.A.G. Bulte.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie hierover bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025,

ECLI:NL:RVS:2025:678 r.o. 6.1 en die van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5331.

Zie hierover bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982, die van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:849 en die van en die van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3256.

Artikel delen