Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOVE:2026:2008

Beroep en verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning binnenplanse afwijking Beroep gegrond en verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat het college het aangevraagde bouwplan heeft afgezet tegen de voorheen feitelijke situatie. Bij het bepalen van of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en meer specifiek de gevolgen voor de verkeersveilighe...

Rechtbank Overijssel 14 April 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:2008 text/xml public 2026-04-14T15:38:11 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-13 AK_26_875 en AK_26_851 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2008 text/html public 2026-04-14T15:37:45 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2008 Rechtbank Overijssel , 13-04-2026 / AK_26_875 en AK_26_851
Beroep en verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning binnenplanse afwijking

Beroep gegrond en verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat het college het aangevraagde bouwplan heeft afgezet tegen de voorheen feitelijke situatie.

Bij het bepalen van of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en meer specifiek de gevolgen voor de verkeersveiligheid ten gevolge van het plaatsen van de aangevraagde schutting, moet het aangevraagde bouwplan worden afgezet tegen wat op grond van het bestemmingsplan reeds maximaal mogelijk is.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: ZWO 26/851 en 26/875

uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser], uit [woonplaats 1], verzoeker/eiser,
(gemachtigde: mr. G.H. Blom),

en
het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Als derdepartij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] uit [woonplaats 2]
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan [derde belanghebbende] verleende omgevingsvergunning voor het verhogen van een erfafscheiding/schutting tot 2 meter op zijn perceel aan [adres 1]. [eiser] woont aan De [adres 2] en is het daar niet mee eens, omdat hij vreest voor de verkeersveiligheid in de straat. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening om het verhogen van de schutting te voorkomen, zolang geen uitspraak is gedaan op het beroep. [eiser] voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van [eiser] gegrond is vanwege de onzorgvuldige voorbereiding en onjuiste motivering van de vergunde verhoging van de erfafscheiding. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding: feiten en procesverloop 2.1
De woningen aan de [adres 3], [adres 2] en [adres 1] worden via een aparte zijweg op de hoofdrijbaan van [adres 1] ontsloten. Aan deze zijweg bevindt zich ook een aantal parkeerplaatsen. Ten zuiden van het perceel van [adres 1] van [derde belanghebbende] bevindt zich de toegang tot het perceel van De [adres 2] van [eiser]. Langs deze toegang heeft [derde belanghebbende] in december 2021 op de grens van zijn perceel zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning een erfafscheiding geplaatst van 30 meter lang en 2 meter hoog.
2.2
[eiser] heeft bij het college een verzoek om handhaving ingediend waarna het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor de schutting met uitzondering van het deel van de schutting dat loopt langs de bocht in de toegangsweg, op de hoek van de perceelsgrens van [adres 1], voor zover dat deel hoger is dan 1 meter. Dat vanwege de verkeersveiligheid.
2.3
Het college heeft aan [derde belanghebbende] in 2022 een last onder dwangsom opgelegd tot het verlagen van het deel van de schutting op de hoek van de perceelsgrens tot 1 meter.
2.4
Op 6 december 2022 heeft [derde belanghebbende] uitvoering gegeven aan de last onder dwangsom door het betreffende deel van de schutting te verlagen tot 1 meter.
2.5
Op 18 maart 2025 heeft [derde belanghebbende] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het wederom verhogen van het deel van de schutting op de hoek van de perceelsgrens van [adres 1] van 1 naar 2 meter.

Bij de aanvraag heeft [derde belanghebbende] het rapport overgelegd van [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1]) van 23 december 2022.
2.6
Met het besluit van 10 juli 2025 heeft het college aan [derde belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het verhogen van de erfafscheiding op zijn perceel aan [adres 1]. Hieraan heeft het college een drietal verkeerskundige adviezen ten grondslag gelegd: het rapport van [bedrijf 1] van 23 december 2022, de quickscan van [bedrijf 2] van 3 juli 2025 en het aanvullend advies van de gemeentelijke afdeling verkeer en mobiliteit van 3 april 2025.
2.7
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 juli 2025. Met het besluit van 11 februari 2026 op het bezwaar van [eiser] is het college onder aanvulling van de motivering bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleven.
2.8
[eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, zodat de erfafscheiding niet wordt gerealiseerd voordat op het beroep is beslist.
2.9
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [eiser] en zijn gemachtigde in het bijzijn van de echtgenote van [eiser]. Namens het college zijn verschenen:

[naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Vergunninghouder is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.1
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Spoedeisend belang
3.2
Volgens [eiser] is sprake van een spoedeisend belang, omdat [derde belanghebbende] niet met de realisatie van de erfafscheiding wil wachten totdat op het beroep is beslist en daardoor de verkeersveiligheid binnen afzienbare tijd in het gedrang komt.
3.3
De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op die omstandigheid en de inhoud van het bestreden besluit een spoedeisend belang bestaat bij de behandeling van het verzoek.

Ook uitspraak op het beroep
3.4
De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb meteen uitspraak te doen op het beroep van [eiser].

Gronden
3.5
Volgens [eiser] is de vergunde 2 meter hoge schutting verkeersonveilig en daarom niet acceptabel. Het college vond dat eerst ook, zoals blijkt uit het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom aan [derde belanghebbende] tot gedeeltelijke verlaging van de schutting tot 1 meter. In die last staat dat door de 2 meter hoge schutting een onwenselijke verkeersonveilige situatie ontstaat. Omdat de situatie in 2025/2026 niet anders is dan in 2022 vindt [eiser] het onbegrijpelijk dat het college nu een omgevingsvergunning verleent voor het verhogen van de schutting 2 meter.

Verder zijn de verkeerskundige adviezen die het college aan het bestreden besluit ten grondslag legt, gebaseerd op een onjuiste vraagstelling en voorstelling van zaken. In de adviezen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] wordt, volgens [eiser] ten onrechte, een schutting van 2 meter hoog vergeleken met de situatie van voor de plaatsing van de schutting eind 2021, toen op de perceelsgrens een haag/bosschage stond.

Motivering bestreden besluit
3.6
Het college heeft bij de vergunningverlening gebruik gemaakt van zijn in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid en geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij is het bouwplan getoetst op, voor zover van toepassing, de punten sociale veiligheid, duurzaamheid, milieusituatie, gezondheidssituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen, het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid. Voor zover in deze procedure van belang is ten aanzien van het straat- en bebouwingsbeeld aangegeven dat geen sprake is van een wijziging van het beeld indien voldaan wordt aan de voorwaarde dat de schutting wordt voorzien van beplanting.

Ten aanzien van de verkeersveiligheid heeft het college overwogen dat [derde belanghebbende] bij de vergunningaanvraag een door [bedrijf 1] opgesteld verkeersrapport heeft gevoegd en dat het college dat rapport heeft laten toetsen door [bedrijf 2], dat heeft geconcludeerd dat de situatie verkeerskundig niet of nauwelijks verandert en dat het (beperkte) zicht door de plaatsing van de schutting vrijwel gelijk blijft aan de oorspronkelijke situatie. Bij de beslissing op bezwaar heeft het college overwogen dat uit een drietal verkeerskundige adviezen volgt dat het zicht in de betreffende bocht aan [adres 1] al vóór het plaatsen van de erfafscheiding beperkt was door de aanwezige hoge begroeiing en dat de huidige situatie met een erfafscheiding van 2 meter in verkeerskundig opzicht geen wezenlijke verslechtering oplevert ten opzichte van deze eerdere feitelijke situatie. Hoewel de deskundigen opmerken dat een lagere erfafscheiding van 1 meter verkeerskundig gunstiger is, leidt dit niet automatisch tot het oordeel dat een erfafscheiding van 2 meter onaanvaardbaar is.

Juridisch kader
3.7
In artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. In artikel 8.0a, eerste lid van het besluit kwaliteit leefomgeving staat dat, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

Op het perceel waar de schutting wordt opgericht, geldt het omgevingsplan gemeente Olst-Wijhe. Op grond van het bestemmingsplan ‘Wijhe’ dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan is het deel van de schutting waar het in deze procedure om gaat gelegen binnen de bestemming ‘Tuin’. Ingevolge de planvoorschriften mogen ter plekke uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht met dien verstande dat voor ‘andere bouwwerken’, in dit geval de schutting, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 1 meter mag bedragen. Uit de planvoorschriften volgt verder dat van deze regel kan worden afgeweken om toe te staan dat een ‘ander bouwwerk’ wordt vergroot tot 10 meter.

Uit artikel 22.281 van het omgevingsplan vloeit voort dat het college in dit geval niet alleen moet beoordelen of de aanvraag voldoet aan de beoordelingsregels in het omgevingsplan, maar ook moet bezien of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij heeft het college beleidsruimte om te beslissen of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om tot vergunningverlening over te gaan.

Beoordeling
3.8
De voorzieningenrechter stelt vast dat het ambtelijk advies van 3 april 2025 niet ziet op de aangevraagde en vergunde situatie, maar op de situatie dat de schutting een meter uit de erfgrens wordt geplaatst. In het advies wordt overigens aangegeven dat er voldoende zicht is op dit punt van de weg als de schutting een meter vanaf de erfgrens geplaatst wordt; iets waar [eiser] zich in kan vinden. Een schutting op deze plek is evenwel niet aangevraagd en ligt hier niet ter beoordeling voor.
3.9
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat het bestemmingsplan een ‘ander bouwwerk’ met een hoogte van 1 meter toestaat. Dit betekent dat een dergelijk ‘ander bouwwerk’, en, onder meer, de hiermee gepaard gaande verkeersonveiligheid, in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locatie.

Bij het bepalen van of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en meer specifiek de gevolgen voor de verkeersveiligheid ten gevolge van het plaatsen van de aangevraagde schutting, moet het aangevraagde bouwplan worden afgezet tegen wat op grond van het bestemmingsplan reeds maximaal mogelijk is. Dit betekent in dit geval dat een schutting met een hoogte van 1 meter op de perceelsgrens moet worden vergeleken met een schutting met een hoogte van 2 meter op de perceelsgrens.
3.10
Uit de stukken blijkt dat in het rapport van [bedrijf 1] van 23 december 2022 een vergelijking is gemaakt tussen de aangevraagde schutting van 2 meter hoogte en de voor het plaatsen van de schutting feitelijke situatie op het perceel toen op de erfgrens een 3 meter hoge, brede en dichtbegroeide, haag stond.
3.11
[eiser] betwist dat in het verleden op de erfgrens een haag/bosschage heeft gestaan die qua dichtheid vergelijkbaar is met een schutting. De voorzieningenrechter laat dat in deze uitspraak in het midden. Wat er ook van zij, met [eiser] is de voorzieningenrechter van oordeel dat in de rapporten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een onjuiste vergelijking is gemaakt. Hierdoor kan op basis van deze rapporten niet zonder meer worden geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een nadere, toereikende, motivering op dit punt van het college ontbreekt. Ook aan het ambtelijk advies van 3 april 2025 komt geen betekenis toe nu dat niet ziet op de aangevraagde en vergunde erfafscheiding.
3.12
Uit het voorgaande volgt dat het college de gevolgen van de verhoging van de schutting van 1 tot 2 meter onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld en onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en in het bijzonder of die verhoging geen significante nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. Het beroep is gegrond.
Conclusie en gevolgen 4.1
Het beroep van [eiser] is gegrond vanwege de onzorgvuldige voorbereiding en onjuiste motivering van de vergunde verhoging van de erfafscheiding tot 2 meter.

Het bestreden besluit zal worden vernietigd en het college moet opnieuw op het bezwaar van [eiser] beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te schorsen totdat een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen. Omdat uitspraak wordt gedaan op het beroep, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
4.2
Omdat het beroep gegrond is en het primaire besluit wordt geschorst, bepaalt de voorzieningenrechter dat het college [eiser] het door hem betaalde griffierecht van zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening moet vergoeden.
4.3
Daarnaast zal het college worden veroordeeld in de door [eiser] gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de voorzieningenrechter deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep af;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 400,- aan [eiser] te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van

€ 2.802,-;

- schorst het primaire besluit van 10 juli 2025 met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb totdat opnieuw op bezwaar is beslist.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2024; ECLI:NL:RVS:2024:4624, r.o. 14 en 14.1

Artikel delen