Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOVE:2026:688

Samenvatting: Het college heeft aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Daarin is bepaald dat eiser de schutting en het hekwerk die hij geplaatst heeft op zijn perceel dient te verwijderen of dient te verlagen tot wat is toegestaan volgens het omgevingsplan. Eiser is het met deze last onder dwangsom niet eens. Hij vindt dat er voor wat betreft de schutting geen sprake is van een overtreding...

Rechtbank Overijssel 25 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:688 text/xml public 2026-02-25T12:13:18 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-02-12 AK_25_3851_3852 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:688 text/html public 2026-02-25T12:12:23 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:688 Rechtbank Overijssel , 12-02-2026 / AK_25_3851_3852
Samenvatting: Het college heeft aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Daarin is bepaald dat eiser de schutting en het hekwerk die hij geplaatst heeft op zijn perceel dient te verwijderen of dient te verlagen tot wat is toegestaan volgens het omgevingsplan. Eiser is het met deze last onder dwangsom niet eens. Hij vindt dat er voor wat betreft de schutting geen sprake is van een overtreding. Ook vindt hij handhavend optreden onevenredig. Als hij het hekwerk en de schutting niet op deze wijze kan laten staan, kan hij zijn onderneming niet meer verzekeren, en zal hij gedwongen worden deze te staken op dit perceel. Daarnaast doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van het hekwerk. Omdat de begunstigingstermijn verliep, heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen gedurende de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond. Dit komt omdat het college het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Wel vindt de voorzieningenrechter dat ook in geval van de schutting sprake is van een overtreding, en dat het besluit voor het overige niet onevenredig is. De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht

zaaknummers: ZWO 25/3851 en ZWO 25/3852

uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats],

hierna: [eisers],

(gemachtigde: mr. P. Zoeten),

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

hierna: het college,

(gemachtigde: mr. V. Textor).
<nr>1</nr>Samenvatting 1.1.
Het college heeft aan [eisers] een last onder dwangsom opgelegd. Daarin is bepaald dat [eisers] de schutting en het hekwerk die hij geplaatst heeft op zijn perceel dient te verwijderen of dient te verlagen tot wat is toegestaan volgens het omgevingsplan. [eisers] is het met deze last onder dwangsom niet eens. Hij vindt dat er voor wat betreft de schutting geen sprake is van een overtreding. Ook vindt hij handhavend optreden onevenredig. Als hij het hekwerk en de schutting niet op deze wijze kan laten staan, kan hij zijn onderneming niet meer verzekeren, en zal hij gedwongen worden deze te staken op dit perceel. Daarnaast doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van het hekwerk. Omdat de begunstigingstermijn verliep, heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen gedurende de beroepsprocedure.
1.2.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond. Dit komt omdat het college het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Wel vindt de voorzieningenrechter dat ook in geval van de schutting sprake is van een overtreding, en dat het besluit voor het overige niet onevenredig is. De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
<nr>2</nr>Inleiding: feiten en procesverloop 2.1.
[eisers] is sinds 4 mei 2018 eigenaar van het perceel aan de [adres 1]. Op dit perceel staat een woning met daarachter loodsen, waarachter nog een groot open terrein ligt, dat omheind is door bosschages, een sloot en gaaswerk. [eisers] en zijn zoon exploiteren op dit perceel een handelsonderneming, waarin enerzijds gehandeld wordt in exclusieve klassieke auto’s, motoren, bromfietsen en tractoren en waarin anderzijds kleine reparaties aan dergelijke voertuigen worden uitgevoerd. De voertuigen zijn over het gehele terrein gestald, waarbij de inrit aan de voorkant van de woning dient als afleverlocatie voor de voertuigen. Ook de woning dient gedeeltelijk als opslagplaats voor de voertuigen. Daarin wordt nu niet gewoond.
2.2.
Ter plaatste geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg, de beheersverordening [adres 1], zoals vastgesteld op 28 februari 2017 (hierna: het omgevingsplan). Op het perceel van [eisers] rust de bestemming ‘Bedrijf’.
2.3.
Bij aankoop van het perceel was aan de rechterzijde op of tegen de perceelgrens met nr. 22 een coniferenhaag aanwezig, van circa 4.25 meter hoog. Aan de voorzijde van het perceel stond een hekwerk van minder dan één meter hoog.
2.4.
Na verschillende pogingen tot inbraak en een geslaagde inbraak heeft [eisers] na overleg met de verzekeraar ervoor gekozen om de coniferenhaag, die aan de zijde van de buurman ook al deels was afgestorven, waardoor het perceel van [eisers] makkelijk toegankelijk was, te vervangen door een schutting, en aan de voorzijde een nieuw hekwerk te plaatsen. Het hekwerk is in 2021 geplaatst over de gehele voorzijde van het perceel, grenzend aan de openbare weg, en is 1.80 meter hoog. De coniferenhaag aan de rechterzijde van het perceel heeft [eisers] in 2024 vervangen door de schutting, lopend van 2.30 meter hoog aan de achterzijde naar 1.80 meter aan de voorzijde. Na de plaatsing van de schutting en het hekwerk heeft er geen (poging tot) inbraak meer plaatsgevonden.
2.5.
Naar aanleiding van een melding over de schutting en het hekwerk heeft een toezichthouder van het college een controle uitgevoerd. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat het college heeft besloten aan [eisers] een last onder dwangsom op te leggen.
2.6.
Daarin is vermeld dat op het perceel van [eisers] alleen erfafscheidingen van maximaal twee meter achter de voorgevellijn (de voorkant van de woning) zijn toegestaan en voor de voorgevellijn van maximaal één meter hoogte. Dit betekent voor het perceel van [eisers] dat het hekwerk en het deel van de schutting die geplaatst zijn voor de voorgevellijn van de woning niet hoger mogen zijn dan één meter. Voor het gedeelte van de schutting dat geplaatst is achter de voorgevellijn van de woning geldt dat deze hoger mag zijn dan één meter, maar niet hoger dan twee meter.
2.6.1.
Omdat het college heeft geconstateerd dat het hekwerk en het gedeelte van de schutting voor de voorkant van de woning hoger zijn dan één meter, en de schutting achter de voorkant van de woning hoger is dan twee meter, heeft het college geconcludeerd dat deze bouwwerken niet zonder een omgevingsvergunning gerealiseerd mochten worden. Nu voorafgaand aan de plaatsing van deze bouwwerken een omgevingsvergunning niet is aangevraagd, heeft [eisers] volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (hierna: Ow) gehandeld. Daarin is bepaald dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Daarnaast had [eisers] voor het gedeelte van de schutting dat hoger is dan twee meter een bouwmelding moeten indienen. Omdat dit ook niet is gebeurd, handelt [eisers] daarmee volgens het college in strijd met artikel 2.18, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl), waarin dit is bepaald.
2.6.2.
[eisers] wordt in de last onder dwangsom gelast deze overtredingen te beëindigen, door:

1. De erfafscheiding vóór de lijn die langs de voorkant van de woning evenwijdig loopt met de weg, te (laten):

a) verlagen tot maximaal één meter; of;

b) te verwijderen, en;

2 De erfafscheiding achter de lijn die langs de voorkant van de woning evenwijdig loopt met de weg, te (laten):

a) verlagen tot maximaal twee meter, of;

b) te verwijderen.

Als [eisers] hieraan binnen de gestelde termijn niet of niet volledig voldoet, verbeurt hij per lastonderdeel een dwangsom van € 2.500,00 ineens. Het college ziet geen reden om van handhavend optreden af te zien.
2.6.3.
Verder heeft het college in de last onder dwangsom aangegeven dat hij niet bereid is om medewerking te verlenen voor afwijking van de regels voor de erfafscheidingen vóór de voorkant van de woning (het hekwerk en een gedeelte van de schutting, dat niet hoger mag zijn dan één meter), omdat de bedrijfswoning het beeldbepalende element moet zijn op dit erf. Met een erfafscheiding hoger dan één meter, staat volgens het college het beeldbepalende element (de woning) in de hekken, waardoor er een belemmering van het uitzicht is. Ten aanzien van de erfafscheiding achter de voorkant van de woning (het gedeelte van de schutting, dat in beginsel niet hoger mag zijn dan twee meter) is hij wel bereid om medewerking te verlenen aan een afwijking van de regels. [eisers] kan daartoe een omgevingsvergunning aanvragen.
2.7.
[eisers] heeft tegen de last onder dwangsom bezwaar gemaakt. De commissie bezwaarschriften heeft overwogen dat handhaving zodanig onevenredig is, dat het college daarvan moet afzien. De commissie heeft de gevolgen voor [eisers] als aan de last moet worden voldaan zwaarder laten wegen dan het belang van handhaving van de planregels. De commissie heeft zich ervan laten overtuigen dat [eisers] namelijk niet langer zal kunnen zijn verzekerd tegen inbraak en diefstal als het hekwerk en schutting verwijderd moeten worden, waardoor de bedrijfsactiviteiten op het perceel gestaakt zullen moeten worden. Dit zal grote financiële en sociale gevolgen voor [eisers] met zich meebrengen. Daarbij wordt betrokken dat het perceel de bestemming ‘Bedrijf’ heeft, en dat het [eisers] verminderd kon worden aangerekend dat hij op dat moment nog geen omgevingsvergunning(en) had aangevraagd, gezien aan hem is meegedeeld dat daaraan geen medewerking zou worden verleend. Geadviseerd wordt om het bezwaar gegrond te verklaren.
2.8.
In afwijking daarvan heeft het college besloten het bezwaar ongegrond te verklaren. Volgens het college heeft – kort weergeven – [eisers] namelijk niet voldoende onderbouwd dat handhaving grote financiële en sociale gevolgen voor hem heeft. Het college is er niet van overtuigd geraakt dat [eisers] zonder het hekwerk en de hogere schutting niet verzekerd zal kunnen worden tegen inbraak en diefstal en dat hij de bedrijfsactiviteiten dan zal moeten staken. Uit de daartoe later door het college verzochte en door [eisers] aangeleverde informatie kan dit ook niet worden opgemaakt. Handhaving is daarmee niet onevenredig.
2.9.
Na een verzoek daartoe door [eisers] heeft het college met het besluit van 19 mei 2025 de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot en met drie weken na de beslissing op bezwaar. De beslissing op bezwaar is genomen op 8 december 2025, waarmee de begunstigingstermijn liep tot en met 29 december 2025.
2.10.
[eisers] is het met de beslissing op bezwaar niet eens. Op 23 december 2025 heeft [eisers] daarom tegen dit besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.11.
Het college heeft desgevraagd op 24 december 2025 de begunstigingstermijn verlengd tot en met vrijdag 30 januari 2026. Op de zitting heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot en met 13 februari 2026.
2.12.
Op 8 januari 2026 heeft het college op het beroep en het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.13.
Op 13 januari 2026 heeft [eisers] het beroepschrift aangevuld.
2.14.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1], [eiser 2], bijgestaan door [naam 1], de gemachtigde van [eisers], het college, vertegenwoordigd door [naam 2], en de gemachtigde van het college.
2.15.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van [eisers] daartegen.
<nr>3</nr>Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

Het hekwerk – sprake van overtreding
3.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de hoogte van het hekwerk 1,80 meter is en dat deze kwalificeert als bouwwerk. Verder staat niet ter discussie dat [eisers] zonder vergunning het hekwerk heeft geplaatst en dat ter plaatse een hekwerk van niet hoger dan één meter is toegestaan op grond van het omgevingsplan. [eisers] heeft ter zitting nog verklaard dat voorheen op dezelfde locatie al een hekwerk heeft gestaan dat hoger was dan één meter en dat het nu in geding zijnde hekwerk ter vervanging van dat hekwerk dient. Ter zitting is aan de hand van een foto, die aan het dossier is toegevoegd, geconstateerd dat het voorheen aanwezige hekwerk qua karakter en uitvoering geheel verschillend is als het thans aanwezige hekwerk, en ook dat dat hekwerk naar het zich laat aanzien voldoet aan wat het omgevingsplan maximaal toelaat. Daarbij is voorts niet uitgesloten dat dat hekwerk op basis van overgangsrecht aanwezig mocht zijn en blijven. De voorzieningenrechter komt voor wat betreft het hekwerk dan ook tot het oordeel dat het thans aanwezige hekwerk in strijd is met het omgevingsplan en dat dat een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow oplevert. Het college was dan ook bevoegd om handhavend op te treden.

De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast dat [eisers] de hoogte van de dwangsom en de lengte van de begunstigingstermijn ten aanzien van het hekwerk niet heeft bestreden.

De schutting – sprake van overtreding
3.3.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de door het college genoemde hoogten (lopend van 2.30 tot 1.80 meter hoog) niet ter discussie staan en evenmin dat de schutting kwalificeert als een bouwwerk. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat [eisers] geen gronden heeft gericht tegen de vaststelling van het college dat in strijd met artikel 2.18, eerste lid, van het Bbl voor de schutting geen bouwmelding is gedaan. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat [eisers] de hoogte van de dwangsommen en de lengte van de geboden begunstigingstermijnen ook ten aanzien van de schutting niet heeft betwist.
3.4.
De voorzieningenrechter wijst erop dat de schutting in de last is opgesplitst. De eerste last ziet op de plaatsing van het deel van de schutting (lopend van 1.80 tot 2.30 meter hoog) vóór de voorgevellijn, en de tweede last ziet op het deel van de schutting dat is gerealiseerd achter de voorgevellijn (2.30 meter hoog).
3.5.
[eisers] heeft zich in het beroepschrift op het standpunt gesteld dat de schutting zonder vergunning gebouwd mag worden, en dat er daarmee geen sprake is van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. [eisers] voert – kort weergegeven – aan dat de schutting op grond van artikel 6.2, eerste lid, onder c, van de beheersverordening [adres 1] (hierna: beheersverordening) vergunningsvrij mocht worden gebouwd. In dat artikel is bepaald:

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

1. er zijn uitsluitend vergunningsvrije erf- en perceelafscheidingen toegestaan overeenkomstig artikel 2 van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (zoals dat geldt op het moment van vaststelling van deze beheersverordening), met dien verstande dat de bestaande hoogte van erf- en perceelafscheidingen eveneens zijn toegestaan;

[eisers] heeft aangevoerd dat de schutting dient ter vervanging van de coniferenhaag van circa 4,25 meter hoog. Hij heeft erop gewezen dat met de zinsnede ‘reeds aanwezige erf- en perceelafscheidingen’ uit het artikel niet enkel gedoeld wordt op perceelafscheidingen die als bouwwerk kwalificeren. Een coniferenhaag kan dus ook als zodanig worden aangemerkt. Aangezien de schutting een stuk lager is dan de coniferenhaag die altijd aanwezig is geweest, is de schutting niet gebouwd in strijd met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow.
3.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Hij overweegt daartoe als volgt.
3.6.1.
In artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is een activiteit waarvoor in het omgevingsplan een verbod staat en/of een activiteit die in strijd is het met omgevingsplan. Hoofdregel is dus dat het omgevingsplan bepaalt voor welke omgevingsplanactiviteiten een vergunning nodig is. Een uitzondering daarop kan voor een erf- en perceelafscheiding gevonden worden in artikel 2.29, aanhef en onder j, van het Bbl, maar tussen partijen is niet in geschil dat die uitzondering in dit geval niet van toepassing is.
3.6.2.
In artikel 22.26 van het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Vervolgens is in artikel 22.27, aanhef en onder f, van het omgevingsplan bepaald dat het verbod uit artikel 22.26 niet geldt voor de betreffende activiteiten, als die betrekking hebben op:

een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied;
3.6.3.
Omdat de schutting zowel achter als voor de voorkant van de woning hoger is dan twee meter, voldoet deze niet aan de gestelde eisen en is het daarmee niet uitgezonderd van het verbod in artikel 22.26 van het omgevingsplan. Er is dus op grond van artikel 22.27 geen sprake van een vergunningsvrij bouwwerk.
3.6.4.
De voorzieningenrechter zal zich hierna beperken tot de uitleg van artikel 6.2, eerste lid, onder c, van de planregels voor zover die uitleg relevant is voor deze zaak.
3.6.5.
De voorzieningenrechter volgt [eisers] niet in zijn redenering dat de schutting op grond van artikel 6.2, eerste lid, onder c, van de beheersverordening is toegestaan. De voorzieningenrechter leest namelijk in het artikel niet dat die bepaling ook betrekking heeft op erfafscheidingen in de vorm van beplanting. De voorzieningenrechter leidt dit allereerst af uit de omstandigheid dat het artikel onderdeel vormt van de bouwregels van de beheersverordening. De voorzieningenrechter vermag niet in te zien waarom de planwetgever in een bepaling over bouwregels ook de aanwezigheid van beplanting zou betrekken. Ook niet waar het de hoogte van die beplanting zou betreffen. De voorzieningenrechter ziet daarnaast voor de uitleg van artikel 6.2, eerste lid, onder c, van de planregels ook bevestiging in de verwijzing in dat artikel naar artikel 2 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, aangezien die bepaling ook betrekking heeft op bouwwerken. Ook in het gebruik van de woorden ‘met dien verstande’ in artikel 6.2, eerste lid, onder c, van de planregels leest de voorzieningenrechter bevestiging voor die uitleg aangezien die woorden verwijzen naar erfafscheidingen, die kwalificeren als bouwwerken. Voor het standpunt van [eisers] dat een gebouwde erfafscheiding tot een hogere hoogte dan twee meter (achter de voorgevellijn) dan wel 1,80 meter (voor de voorgevellijn) is toegestaan ter vervanging van een afscheiding die bestaat uit beplanting vindt de voorzieningenrechter dan ook geen aanknopingspunten in de tekst van de aangehaalde bepalingen.
3.7.
[eisers] heeft op zitting kenbaar gemaakt dat hij niet langer vasthoudt aan zijn argumentatie ten aanzien van artikel 22.1, eerste lid, van het omgevingsplan. Dit zal in deze uitspraak daarom niet verder besproken worden.
3.8.
De voorzieningenrechter komt met wat hiervoor is overwogen tot het oordeel dat ook de schutting is geplaatst in strijd met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Er is daarmee sprake van een overtreding. Het college is dan ook bevoegd tot handhavend optreden.

Handhavend optreden – evenredigheid
3.9.
Het is vaste rechtspraak dat bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van de bevoegdheid om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding. Dit heet de beginselplicht tot handhaving. De reden voor dit uitgangspunt is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Bij de vraag of van handhavend optreden moet worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, of bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Geen concreet zicht op legalisering
3.10.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen concreet zicht op legalisering. [eisers] heeft op 15 april 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend bij het college om het hekwerk (inclusief poort) te legaliseren. Het college heeft op 22 mei 2025 [eisers] gevraagd om voor 19 juni 2025 aanvullende gegevens over te leggen. Het college heeft in zijn verweerschrift in bezwaar van 13 juni 2025 vermeld dat op dat moment niet werd voldaan aan de criteria voor concreet zicht op legalisering omdat er geen sprake was van een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning. Het college heeft in zijn voornemen van 29 juli 2025 kenbaar gemaakt niet bereid te zijn om af te wijken van de regels van het omgevingsplan, en voornemens te zijn de aanvraag om die reden af te wijzen. Het college wijst opnieuw op de woning als het beeldbepalende element en dat een erfafscheiding hoger dan een meter het zicht op dat beeldbepalende element verstoort. Het college ziet voorts – kort gezegd – niet in waarom de (omvang van de) bedrijfsactiviteiten en de beveiligingsaspecten het noodzakelijk maken dat het hekwerk (ruim) vóór de voorgevel van de woning dient te staan. Tijdens de zitting van 13 januari 2026 heeft het college dit standpunt herhaald. Het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan te verlenen, volstaat voorts in beginsel voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. De voorzieningenrechter heeft daarbij geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt onjuist is. Daarmee ontbreekt een concreet zicht op legalisering.
3.10.1.
Ook voor wat betreft de schutting is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van concreet zicht op legalisering. Ten aanzien van het gedeelte van de schutting vóór de voorgevellijn is gebleken dat [eisers] daartoe geen aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Daarnaast heeft het college kenbaar gemaakt niet bereid te zijn medewerking te verlenen voor een afwijking van de planregels. Gelet hierop is er voor dit deel van de schutting geen concreet zicht op legalisering. Ook ten aanzien van het gedeelte van de schutting achter de voorgevellijn ontbreekt dit. Het college heeft in zijn besluiten kenbaar gemaakt dat hij bereid is voor het gedeelte van de schutting achter de voorgevellijn medewerking te verlenen aan een afwijking van de planregels. Uit het verweerschrift van 13 juni 2025 in bezwaar heeft de voorzieningenrechter begrepen dat [eisers] op 15 april 2025 voor alleen dit gedeelte een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Op 1 mei 2025 heeft het college om aanvullende gegevens verzocht. [eisers] had tot 12 juni 2025 de tijd om die aanvullende gegevens aan te leveren. Naar de voorzieningenrechter heeft begrepen heeft [eisers] daaraan niet voldaan en is de aanvraag buiten behandeling gesteld. [eisers] heeft daartegen bezwaar gemaakt en op dat bezwaar is nog niet beslist. Deze informatie leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat er geen sprake is van een ontvankelijke legaliserende aanvraag voor een omgevingsvergunning voor wat betreft de schutting achter de voorgevellijn.

Verzekering
3.11.
Verder heeft [eisers] in het kader van de beoordeling van de evenredigheid naar voren gebracht dat het onevenredig bezwarend zal zijn als aan de lasten moet worden voldaan. [eisers] heeft toegelicht dat de locatie van het hekwerk en de schutting is gekozen omdat de verzekeraar ervan is uitgegaan dat [eisers] ook voertuigen vóór de woning neerzet, een gedeelte van de woning gebruikt als opslagruimte, en dat men via de woning gemakkelijk kan doorlopen naar de loods. Daarbij dienen het hekwerk en de schutting voor de verzekering volgens de verzekeraar minimaal 1.80 meter hoog te zijn. Als deze verlaagd of verwijderd moeten worden, kan de onderneming niet meer aan de voorwaarden van de verzekering voldoen, dan wel zal sprake zijn van een dusdanig hoge premie dat het voor de onderneming ondoenlijk is deze te betalen. Het voldoen aan de lasten zal daarmee tot gevolg hebben dat [eisers] de onderneming niet meer kan verzekeren en de onderneming op deze locatie niet meer kan worden voortgezet, met een gedwongen verhuizing van het bedrijf naar elders (indien mogelijk) tot gevolg. Dit maakt het handhavend optreden onevenredig bezwarend.
3.11.1.
In wat [eisers] heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling biedt de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd, geen grond voor het oordeel dat dit optreden daardoor reeds onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen en dat het bestuursorgaan daarvan daarom behoorde af te zien. Dat het handhavend optreden voor [eisers] gevolgen zal hebben voor (de verzekering van) zijn onderneming, kan dan ook niet van doorslaggevende betekenis zijn. Dat is een risico dat voor rekening van [eisers] moet komen, omdat het hekwerk en de schutting zonder voorafgaand onderzoek bij de gemeente door [eisers] en zonder de daartoe benodigde omgevingsvergunning is geplaatst. [eisers] heeft zich alleen gericht op de eisen die door de verzekeraar worden gesteld en heeft daarbij voorbijgezien aan de eisen die voortvloeien uit het omgevingsplan. Overigens heeft [eisers] de ernstige (financiële) gevolgen voor zijn bedrijf, zoals hij die heeft benoemd, niet met (financiële) stukken nader onderbouwd.
3.11.2.
De voorzieningenrechter is, gelet op wat hiervoor is overwogen, er niet van overtuigd geraakt dat de bedrijfsvoering van de onderneming zodanig nadelig zal worden beïnvloed of geraakt, als het hekwerk achter de voorgevellijn wordt geplaatst en de schutting vanaf daar begint. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband nog op dat het gerealiseerde hekwerk aan de voorkant van de woning niet vergunningsvrij is toegestaan en dat een hekwerk van de gerealiseerde hoogte wel vergunningsvrij mag worden geplaatst net achter de voorgevellijn van de woning. Uit de ter zitting gegeven toelichting is niet aannemelijk geworden waarom die locatie geen bruikbaar alternatief vormt. Immers is gebleken dat de toegangsdeur naar de woning ook dan is gelegen achter het hek en de ramen aan de voorzijde van de woning zijn geen openslaande ramen. Niet is voorts aannemelijk geworden waarom met aanvullende beveiligingsmiddelen het vereiste veiligheidsniveau niet zou kunnen worden bereikt. De door [eisers] overgelegde handreiking ‘bedrijfsmaatregelen voor Buitenterreinen Mobiliteitsbedrijven’ en het clausuleblad (pagina 10) bij de polis van de garageverzekering vermelden daarbij enkel de hoogte van het hekwerk, maar niet waar deze moet worden geplaatst. Verder is niet onderbouwd dat de verzekeraar elke andere positie van het hekwerk afwijst. Evenmin is gebleken dat [eisers] een andere positie van het hekwerk heeft besproken met de verzekeraar. Verder valt uit de overgelegde e-mails niet op te maken dat in het geval dat het hekwerk op een op grond van het omgevingsplan juiste locatie zou worden geplaatst het afsluiten van een verzekering onmogelijk is noch dat de premie daardoor hoger wordt dan wel zo hoog wordt dat deze voor [eisers] niet is op te brengen. Ook is uit de toelichting van [eisers] op zitting niet aannemelijk geworden dat hij zijn bedrijfsvoering niet zodanig kan aanpassen, bijvoorbeeld door voertuigen in ieder geval na sluitingstijd op een nader beveiligd deel van zijn terrein aan de achterzijde te stallen, waardoor zowel aan de eisen van de verzekeraar als aan de eisen uit het omgevingsplan kan worden voldaan. Daarbij komt dat als het hekwerk wordt verplaatst naar de toegestane locatie, het voorterrein de huidige functie binnen de bedrijfsvoering van [eisers] verliest waardoor de noodzaak van een hogere schutting dan door [eisers] gewenst en geplaatst voor de voorgevellijn komt te vervallen

Gelijkheidsbeginsel
3.12.
In zijn beroepschrift voert [eisers] aan dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel en dat het college ten onrechte in de beslissing op bezwaar niet is ingegaan op zijn beroep daarop. [eisers] heeft in bezwaar naar voren gebracht dat aan de [adres 2] eveneens een te hoog hekwerk aanwezig is aan de voorzijde van het perceel.
3.12.1.
De voorzieningenrechter is het met [eisers] eens dat het college in bezwaar niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Door het college is erkend dat aan de [adres 2] ook een te hoog hekwerk is gerealiseerd. Het had dan ook in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel op de weg van het college gelegen om in elk geval in het bestreden besluit uitsluitsel te geven over zijn besluitvorming ten aanzien van dat hekwerk. Het college heeft dat niet gedaan. Niet duidelijk is geworden of het college vindt dat er sprake is van een zodanig gelijk geval dat daartegen eveneens handhavend zal worden opgetreden. Dat het college daar nog geen concreet standpunt over heeft ingenomen en heeft volstaan met te wijzen op een verschil tussen het hekwerk bij [eisers] en dat op [adres 2], namelijk dat bij [eisers] er sprake is van een combinatie van een hekwerk en een te hoge schutting, overtuigt de voorzieningenrechter niet. In beide gevallen is er namelijk sprake van een woning dat als beeldbepalend element op het perceel kan worden aangemerkt en in beide gevallen is sprake van een hoog stalen hekwerk. In het voornemen van 20 februari 2025 heeft het college volstaan met de motivering “staat het beeldbepalende element in de hekken. Er is daardoor een belemmering van het uitzicht”. Dat ziet alleen op de invloed van het hekwerk op het zicht op het beeldbepalende element, te weten de woning. De voorzieningenrechter vermag zonder nadere motivering niet in te zien waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Het enkele feit dat in het geval van [eisers] er sprake is geweest van een melding van een omwonende en in het geval van Schutsweg 14 er geen sprake is van een melding volstaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als motivering. Uit de motivering van het college is dan ook niet overtuigend gebleken op welke relevante wijze de situatie aan de [adres 2] verschilt met de situatie bij [eisers], waardoor daar ten tijde van het bestreden besluit nog is afgezien van in elk geval nader onderzoek.
3.12.2.
In de aanvulling op zijn beroepschrift heeft [eisers] naar voren gebracht dat kort voor de zitting, namelijk op 13 januari 2026, ook bij [adres 2] een toezichthouder van het college een controle heeft uitgevoerd. Het college heeft dit op zitting ook bevestigd. In zoverre is er sprake van een begin van onderzoek. Onduidelijk is gebleven waartoe dat onderzoek zal leiden. Daarmee heeft het college ook ten tijde van de behandeling ter zitting geen duidelijkheid gegeven van zijn standpunt met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
3.12.3.
[eisers] heeft twee dagen voor de zitting in de aanvulling op zijn beroepsgronden ook gewezen op de [adres 3], [adres 4] en [adres 5], waarbij sprake zou zijn van een te hoog hekwerk en/of poort. Ook heeft [eisers] daarin vermeld dat hij in zijn zienswijze van 26 augustus 2025 gericht tegen het voornemen tot de afwijzing van de aanvraag van de omgevingsvergunning van 29 juli 2025 heeft gewezen op de poort en het hekwerk aan de [adres 4]. Het college heeft daar voorafgaand aan de beslissing op bezwaar in het handhavingstraject ten onrechte ook niet op geacteerd.
3.12.4.
De voorzieningenrechter zal de genoemde adressen echter niet betrekken bij de beoordeling van het beroep van [eisers] op het gelijkheidsbeginsel. Het kan het college niet verweten worden dat de situatie aan de [adres 3] en [adres 5] niet zijn onderzocht, aangezien deze slechts twee dagen voor de zitting door [eisers] zijn ingebracht. Ditzelfde geldt voor de [adres 4]. Weliswaar heeft [eisers] dit adres genoemd in zijn zienswijze gericht tegen het voornemen tot de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning, maar in zijn bezwaarschrift en beroepschrift in het handhavingstraject heeft hij daarop niet meer gewezen. Daarbij heeft het college ter zitting aangegeven dat de procedure omtrent de omgevingsvergunning al geruime tijd stilligt in afwachting van de uitkomst van dit handhavingstraject.

Verzoek om voorlopige voorziening
3.13.
De voorzieningenrechter ziet in wat hiervoor is overwogen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst er in dat kader op dat het college ter zitting de begunstigingstermijn met betrekking tot beide lasten heeft verlengd tot 13 februari 2026. Nu deze uitspraak op of kort voor die datum wordt uitgesproken zal zonder het treffen van een voorlopige voorziening het ertoe kunnen leiden dat [eisers] meteen al dwangsommen verbeurt op het moment dat hij kennis krijgt van de uitspraak. De voorzieningenrechter ziet daarin voldoende reden om te bepalen dat de begunstigingstermijnen worden verlengd tot en met 27 maart 2026. Dat geeft partijen ook tijd om, voor zover zij dat wensen, hoger beroep in te stellen en in dat geval zo nodig een nieuwe voorlopige voorziening te vragen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
<nr>4</nr>Conclusie en gevolgen 4.1.
Gelet op wat in rechtsoverweging 3.12.1. en 3.12.2. is overwogen is het beroep gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het besluit vanwege strijd met artikel 3:46 van de Awb. De voorzieningenrechter is gebleken dat het college vlak voor de zitting een onderzoek is gestart in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van het hekwerk op het perceel Schutslaan 14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had dat onderzoek eerder, namelijk in het kader van de voorliggende besluitvorming plaats moeten vinden. Nu dat niet is gebeurd ontbeert het bestreden besluit op dat punt een voldoende motivering. Het bestreden besluit kan in zoverre niet in stand worden gelaten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het bestreden besluit voor het overige in stand blijven.
4.2.
Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart en het verzoek om voorlopige voorziening toewijst, moet het college aan [eisers] het door hem betaalde griffierecht in beroep en het verzoek om voorlopige voorziening vergoeden.
4.3.
Omdat het beroep gegrond is en het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, krijgt [eisers] een vergoeding voor de door hem gemaakte proceskosten. [eisers] heeft in beroep tevens verzocht om toekenning van proceskosten voor de bezwaarfase. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde in beroep en bij het verzoek levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Elk punt heeft een waarde van € 934,- en wegingsfactor 1. De bijstand door een gemachtigde in bezwaar levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting). Elke punt heeft een waarde van € 666,- en wegingsfactor 1. De vergoeding wordt daarmee vastgesteld op € 4.134,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover de eerste last van de last onder dwangsom betrekking heeft op het hekwerk;

- bepaalt dat het college opnieuw op de bezwaren van [eisers] dient te beslissen voor wat betreft het hekwerk;

- bepaalt dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 388,- aan [eisers] te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van [eisers] tot een bedrag van € 4.134,-;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en verlengt de begunstigingstermijn tot en met 27 maart 2026.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3892.

Zie de uitspraak van 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1828.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel delen