Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2025:13854

Voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit ‘het vellen van een boom’. Verzoekers menen dat voor het kappen en verplaatsen van de bomen óók een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. De onlosmakelijke samenhang uit de Wabo is losgelaten onder de Omgevingswet. De voorzieningenrechter laat zich niet over de vraag of een omg...

Rechtbank Rotterdam 28 November 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:13854 text/xml public 2025-11-28T15:17:49 2025-11-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-11-28 ROT 25/8728, ROT 25/9459, ROT 25/9461 en ROT 25/9463 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:13854 text/html public 2025-11-28T15:12:13 2025-11-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:13854 Rechtbank Rotterdam , 28-11-2025 / ROT 25/8728, ROT 25/9459, ROT 25/9461 en ROT 25/9463
Voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit ‘het vellen van een boom’. Verzoekers menen dat voor het kappen en verplaatsen van de bomen óók een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. De onlosmakelijke samenhang uit de Wabo is losgelaten onder de Omgevingswet. De voorzieningenrechter laat zich niet over de vraag of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de flora- en fauna-activiteit uit artikel 5.1, tweede lid, onder g van de Ow, noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend. Want als de conclusie zou zijn dat naar zijn voorlopig oordeel voor het kappen en verplaatsen van de bomen vanwege de desbetreffende verbodsbepalingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving ook nog een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd en verleend, raakt dit niet de rechtmatigheid van de voorliggende vergunning. Dit levert in juridische zin geen grondslag op om de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit te schorsen. Wel waarschuwt de voorzieningenrechter vergunninghoudster dat dat zij van de verleende omgevingsvergunning, ook indien de voorzieningenrechter tot het oordeel zou komen dat die op zichzelf rechtmatig is verleend, geen gebruik mag maken als voor het kappen en verplaatsen van de bomen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet geen van de weigeringsgronden uit artikel 4:11b van de APV zich voor waarop het college de kapvergunning had moeten weigeren. Verzoek afgewezen.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 25/8728, ROT 25/9459, ROT 25/9461 en ROT 25/9463
<?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 november 2025 in de zaak tussen
1. [verzoeker 1],
2. [verzoeker 2],
3. [verzoeker 3] ([verzoeker 3]),
4. [verzoeker 4],
allen uit Rotterdam, verzoekers

(gemachtigde: [naam 1]),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: gemeente Rotterdam (vergunninghoudster) en Schiestraat Ontwikkeling B.V. (gemachtigde: mr. C.J. Dekker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen en verplaatsen van bomen nabij Delftseplein 32 in Rotterdam.
1.1.
Met het primaire besluit van 13 februari 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het kappen van 9 bomen en het verplanten van 24 bomen op locatie(s) nabij Delftseplein 32 in het centrum van Rotterdam.
1.2.
Met de bestreden besluiten van 22 september 2025 heeft het college het bezwaar van [verzoeker 1] (bestreden besluit I), [verzoeker 2] (bestreden besluit II) en [verzoeker 3] (bestreden besluit III) niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit IIII van 23 september 2025 heeft het college het bezwaar van [verzoeker 4] ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Verzoekers hebben tegen alle bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Verzoekers hebben nadere reacties ingediend. Het college heeft hierop gereageerd.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college vergezeld door [naam 2] en bomendeskundige [naam 3], en de gemachtigde van Schiestraat Ontwikkeling B.V. vergezeld door plantonwikkelaar [naam 4].
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekers, als volgt af.

Spoedeisend belang

3. Verzoekers hebben gezamenlijk één bezwaarschrift ingediend en gezamenlijk één beroep- en verzoekschrift ingediend. Het college heeft voor elk van de bezwaarmakers afzonderlijk een besluit op het bezwaar genomen. De voorzieningenrechter laat in het midden of [verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3] belanghebbende zijn bij het primaire besluit. De beantwoording van die vraag kan in de bodemprocedure aan de orde komen. Omdat in ieder geval de [verzoeker 4] als belanghebbende bij de in bezwaar bestreden omgevingsvergunning is aangemerkt door het college en het college daarom ook een inhoudelijk oordeel heeft gegeven op het bezwaar van verzoekers, zal de voorzieningenrechter het door verzoekers ingediende verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk behandelen. Om die reden bestaat er geen spoedeisend belang om in deze spoedprocedure een oordeel te geven over de belanghebbendheid van [verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3] bij de omgevingsvergunning. Dat spoedeisend belang is er uiteraard wel voor zover het gaat om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de omgevingsvergunning. Als de omgevingsvergunning niet wordt geschorst, is vergunninghouder van plan om daarvan binnen afzienbare termijn gebruik te maken en de bomen te kappen of te verplaatsen.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (de Ow) is het verboden zonder een omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Op grond van artikel 22.8 van de Ow geldt, voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Ow, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod om zonder een omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow.
4.1.
Op grond van artikel 4:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (de APV) is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een boom te vellen of te doen vellen indien de stamomtrek, of bij meerstammigheid de omtrek van de dikste stam, minimaal 50 centimeter is op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld of een overige houtopstand te vellen of te doen vellen. De vergunning kan op grond van artikel 4:11b, vierde lid, van de APV worden geweigerd op grond van:

natuur- en milieuwaarden;

landschappelijke waarden;

cultuurhistorische waarden;

waarde van stads- en dorpsschoon;

waarden voor recreatie en leefbaarheid.

Op grond van artikel 4:11f van de APV kan het bevoegd gezag een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Meer precies is het de omgevingsplanactiviteit ‘het vellen van een boom’ (een kapvergunning). Onder de Omgevingswet is de zogeheten onlosmakelijke samenhang zoals die gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) komen te vervallen. Onder de Wabo moest kortgezegd in één keer voor alle activiteiten die onlosmakelijk samenhangen een omgevingsvergunning worden aangevraagd en verleend. Het systeem van de Omgevingswet is zo dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Hier heeft vergunninghoudster alleen voor de omgevingsplanactiviteit een vergunning gevraagd en gekregen. Als de voorzieningenrechter in de termen van de Omgevingswet vertaald wat verzoekers in hun verzoek naar voren hebben gebracht, komt het er kortgezegd op neer dat zij menen dat voor het kappen en verplaatsen van de bomen óók een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. De bomen zijn volgens hen namelijk onderdeel van een verblijfplaats of foerageergebied van vleermuizen en slechtvalken, zodat het kappen en verplaatsen van de bomen een verstorende handeling is die niet zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit mag worden verricht. Dat is echter niet de activiteit waarvoor hier vergunning is gevraagd en gekregen. Zoals hiervoor uitgelegd, is het onder de Omgevingswet ook niet meer verplicht om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bepaald type activiteit gelijktijdig ook voor andere eventueel noodzakelijke activiteiten een omgevingsvergunning aan te vragen. Dit heeft tot gevolg dat voor de voorzieningenrechter in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (de kapvergunning) zoals die nu is verleend ter beoordeling voor ligt. Wat verzoekers aanvoeren valt buiten de reikwijdte van die vergunning. De voorzieningenrechter kan zich niet uitlaten over de vraag of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de flora- en fauna-activiteit uit artikel 5.1, tweede lid, onder g van de Ow, noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend. Althans, hij kan zich er natuurlijk wel over uitlaten maar het punt is dat, als de conclusie zou zijn dat naar zijn voorlopig oordeel voor het kappen en verplaatsen van de bomen vanwege de desbetreffende verbodsbepalingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving ook nog een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd en verleend, dit niet de rechtmatigheid van de voorliggende vergunning raakt. Met andere woorden: dit levert in juridische zin geen grondslag op om de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit te schorsen. Dat zou nog anders kunnen zijn als het gaat om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit omdat bij de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel moet worden gemotiveerd waarom de flora- en fauna-activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. Dit betreft de uitvoerbaarheidstoets. Maar voor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de voorliggende kapvergunning is echt alleen het stelsel van weigeringsgronden uit artikel 4:11b van de APV relevant. Vergunninghoudster heeft op dit moment geen omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit aangevraagd bij het daartoe bevoegde gezag, het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, volstaat hij met de waarschuwing aan vergunninghoudster dat zij van de verleende omgevingsvergunning, ook indien de voorzieningenrechter tot het oordeel zou komen dat die op zichzelf rechtmatig is verleend, geen gebruik mag maken als voor het kappen en verplaatsen van de bomen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is.

Weigeringsgronden uit artikel 4:11b van de APV

6. Verzoekers zijn het niet eens met de kap van de 9 bomen en het verplanten van de 24 bomen. Zij wijzen op het belang van de bomen voor de omgeving. Volgens verzoekers is het onderzoek van Econsultancy niet representatief omdat een te klein gebied is onderzocht en het onderzoek verouderd is. Daarbij wijzen verzoekers op het second opinion Bionet natuuronderzoek. Uit de Flora- en faunatoets blijkt dat de rij populieren de potentie heeft als essentiële vliegroute, essentieel fourageergebied en als essentieel onderdeel van mogelijk in de bebouwing aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is hiervoor geen ontheffing verleend. Ook is er geen onderzoek gedaan naar de slechtvalk. Voor wat betreft de twee zwarte populieren voeren verzoekers aan dat deze op de beschermde lijst staan en daarom van waarde zijn.

7. Het college heeft in het bestreden besluit IIII overwogen dat de belangen en waarden genoemd in artikel 4:11b, vierde lid, van de APV in voldoende mate zijn vastgesteld en op inzichtelijke wijze tegen elkaar zijn afgewogen. Het college heeft toegelicht dat de omgevingsvergunning voor de kap en het verplanten van de bomen is verleend omdat dit noodzakelijk is om de nieuwbouw volgens het stedenbouwkundig matenplan “Schieblocks The Bluezone Offices” te kunnen realiseren. Onder verwijzing naar het Verplantbaarheidsonderzoek van Bomenwacht Nederland van juni 2024 heeft het college toegelicht dat de 9 bomen niet verplant kunnen worden vanwege de soort en de standplaats van de bomen. De bomen hebben een matige tot slechte conditie en staan (gedeeltelijk) op het toekomstige bouwterrein. Voor wat betreft de 24 platanen heeft Bomenwacht verklaard dat deze de verplanting goed aan kunnen en dat ze beperkte ecologische waarde hebben. In het ecologisch onderzoek van Econsultancy van 12 juli 2023 staat dat er geen beschermde flora aanwezig is in het plangebied en dat er voor wat betreft de aanwezige fauna geen essentiële verblijf- of foerageergebieden zijn. Er is wel een paarverblijf van de ruige dwergvleermuis aangetroffen in een gebouw aan de Delftsestraat in Rotterdam. Ter zitting heeft het college toegelicht dat er geen slechtvalk is waargenomen in het gebied van de te kappen bomen.

8. De voorzieningenrechter begrijpt de aangevoerde gronden zo dat verzoekers zich beroepen op de natuur- en milieuwaarden van de bomen (artikel 4:11b, vierde lid, onder a van de APV). In het bestreden besluit IIII is het college ingegaan op deze waarden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon het college zich op basis van het ecologisch onderzoek van Econsultancy en het verplantingsonderzoek van Bomenwacht op het standpunt stellen dat de natuur- en milieuwaarden niet zodanig worden aangetast dat de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd. De voorzieningenrechter wijst erop dat zelfs wanneer één van de weigeringsgronden uit artikel 4:11b, vierde lid, van de APV zich voordoet, het college alsnog de bevoegdheid heeft om de omgevingsvergunning te verlenen. In wat verzoekers hebben aangevoerd, ook met het second opinion Bionet natuuronderzoek, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de natuur- en milieuwaarden onvoldoende in beeld heeft gehad. Zo blijkt uit het onderzoek van Bomenwacht dat de te kappen polieren van matige kwaliteit zijn en dat de levensduur van de meeste populieren 5-15 jaar is. Verder is uit het onderzoek van Econsultancy niet gebleken dat er op de desbetreffende locatie slechtvalken verblijven. In de bebouwing aan de Delftsestraat is alleen één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis aangetroffen. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen wat verzoekers hebben aangevoerd geen concrete aanwijzingen om te twijfelen aan de actualiteit van het onderzoek van Econsultancy. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de omgevingsvergunning een voorschrift is opgenomen voor het laten uitvoeren van een quickscan voordat de kap en verplanting plaatsvindt.
8.1.
De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun standpunt dat door de kap van de 9 bomen de waarde voor recreatie- en leefbaarheid zodanig wordt aangetast dat het college om die reden de omgevingsvergunning had moeten weigeren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers dit onvoldoende hebben onderbouwd. Het college heeft bovendien toegelicht dat het gebied klimaat-adaptief zal worden ingericht en er gevarieerde beplanting zal terugkomen die gunstig is voor de biodiversiteit en het tegengaan van hittestress. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat er een herplantplicht is opgelegd voor de 9 te kappen bomen.
8.2.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning blijft gelden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.

De griffier is verhinderd te tekenen. De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen