Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBROT:2026:872

Omgevingswet. Vovo hangende bezwaar. Het college heeft het verzoek van verzoeker om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast van de PowerNEST-installatie afgewezen. De PowerNEST-installatie staat op het dak van het appartementencomplex, waarin de woning van verzoeker is gevestigd. Appartement is in 2022 casco opgeleverd. Verzoeker is niet woonachtig in de woning vanwege de (geluid)hinder...

Rechtbank Rotterdam 2 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:872 text/xml public 2026-02-02T14:19:41 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-23 ROT 25/10083 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:872 text/html public 2026-02-02T14:17:58 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:872 Rechtbank Rotterdam , 23-01-2026 / ROT 25/10083
Omgevingswet. Vovo hangende bezwaar. Het college heeft het verzoek van verzoeker om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast van de PowerNEST-installatie afgewezen. De PowerNEST-installatie staat op het dak van het appartementencomplex, waarin de woning van verzoeker is gevestigd. Appartement is in 2022 casco opgeleverd. Verzoeker is niet woonachtig in de woning vanwege de (geluid)hinder. Verzoeker woont daarom noodgedwongen ergens anders en heeft hierdoor dubbele woonlasten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker spoedeisend belang. Geen sprake van een overtreding van artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012. Handhavingsverzoek is ingediend na 1 januari 2024. Voorzieningenrechter is van oordeel dat de norm van 30 dB voor nieuwbouw uit artikel 4.108 van het Bbl nog steeds van toepassing op de PowerNEST-installatie. Norm van 30 dB voor nieuwbouw uit artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012 is overgenomen in artikel 4.108 van het Bbl. De PowerNEST-installatie komt niet voor op de lijst met installaties in artikel 4.108 van het Bbl. De voorzieningenrechter leidt uit de nota van toelichting bij afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012 af dat artikel 4.108 van het Bbl, dat nagenoeg gelijkluidend is met artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012, zo moet worden uitgelegd dat het ook is bedoeld om gelijksoortige overlast van een vergelijkbare installatie voor op hetzelfde perceel gelegen gebruiksfuncties te beperken. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat de in artikel 4.108, tweede lid, van het Bbl opgenomen normering van 30 dB van toepassing is op de PowerNEST-installatie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de PowerNEST-installatie de norm overschrijdt en dat er aldus sprake is van een overtreding van artikel 4.108, tweede lid, van het Bbl. Verzoek afgewezen.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/10083
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit Almere , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [bouwbedrijf X] ( [afkorting bouwbedrijf X] ) (gemachtigde: mr. C.A.B. Geertman) en de Vereniging van Eigenaars [naam VvE] te Rotterdam (belanghebbenden).
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de activiteit bouwen van een appartementencomplex, waarin de woning van verzoeker is gevestigd. Op het dak van het appartementengebouw is een PowerNEST-installatie gerealiseerd.

Bij besluit van 5 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het verzoek van verzoeker om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast van de PowerNEST-installatie afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft hierop schriftelijk gereageerd. Ook [afkorting bouwbedrijf X] heeft schriftelijk gereageerd.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college, vergezeld door bouwinspecteur [persoon A] en [persoon B] , en de gemachtigde van [afkorting bouwbedrijf X] , vergezeld door [persoon C] en [persoon D] .

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adres] in Rotterdam. Het door verzoeker gekochte appartement is in mei 2022 casco opgeleverd. Verzoeker stond van 1 mei 2025 tot 25 oktober 2025 ingeschreven op dit adres. Verzoeker is woonachtig in Almere.
3.1.
Op 29 oktober 2025 heeft verzoeker het college verzocht om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast van de PowerNEST-installatie. De PowerNEST-installatie bestaat uit een geïntegreerd systeem van windturbines, zonnepanelen en aerodynamische lamellen.
3.2.
Bij het bestreden besluit heeft het college het verzoek om handhaving van verzoeker afgewezen. Volgens het college is er geen sprake van een overtreding.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.

5. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Spoedeisend belang

6. Het college en [afkorting bouwbedrijf X] stellen zich op het standpunt dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat verzoeker niet woont in zijn woning aan de [adres] maar woonachtig is in Almere. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat zijn woning aan de [adres] weliswaar al in 2022 is opgeleverd maar dat hij sindsdien niet in deze heeft gewoond vanwege de (geluid)hinder die hij ervaart van het in werking zijn van de PowerNEST-installatie. Om die reden woont hij noodgedwongen in Almere en heeft hij dubbele woonlasten. Verzoeker heeft te kennen gegeven dat hij graag in zijn woning in Rotterdam wil wonen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker daarom zo snel mogelijkheid duidelijkheid wil over de vraag of er nu wel of geen sprake is van een overtreding. Gelet hierop heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening.

Is er sprake van een overtreding?

7. Verzoeker betoogt dat er sprake is van een overtreding. Al sinds de oplevering van zijn woning ervaart verzoeker geluidoverlast. Volgens verzoeker overschrijdt de PowerNEST-installatie de in artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen norm van 30 dB. Hierbij wijst verzoeker op het geluidrapport van 29 april 2025 van LBP Sight waaruit volgt dat bij windsnelheden van 12 m/s de norm van 30 dB al wordt overschreden. Het college heeft ten onrechte niet onderzocht of de norm met het in werking zijn van de installatie wordt overschreden.
7.1.
Voor zover verzoeker stelt dat er sprake is van een overtreding van artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012, volgt de voorzieningenrechter dat standpunt niet. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet zijn in deze procedure de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Bbl) van toepassing, omdat het handhavingsverzoek is ingediend na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Gelet op hetgeen verzoeker inhoudelijk heeft aangevoerd, begrijpt de voorzieningenrechter het zo dat verzoeker betoogt dat er sprake is van een overtreding van artikel 4.108 van het Bbl omdat er sprake is van geluidoverlast op hetzelfde bouwwerkperceel.
7.2.
Op grond van artikel 4.108, eerste lid, van het Bbl geldt voor een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een installatie voor warmte- of koudeopwekking, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde bouwwerkperceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB.

Op grond van artikel 4.108, tweede lid, van het Bbl geldt voor een mechanische voorziening voor luchtverversing of warmterugwinning, of een installatie voor warmte- of koudeopwekking veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van de gebruiksfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste, voor zover hier relevant, 30 dB.
7.3.
De voorzieningenrechter ziet zich eerst voor de vraag gesteld of artikel 4.108 van het Bbl van toepassing is. [afkorting bouwbedrijf X] en het college stellen zich in dit verband op het standpunt dat dat niet het geval is.
7.4.
De voorzieningenrechter volgt [afkorting bouwbedrijf X] niet in haar stelling dat er sprake is van “bestaande bouw” en dat daarom artikel 4.108 van het Bbl niet van toepassing is. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de PowerNEST-installatie bij de oplevering in 2022 moest voldoen aan de norm van 30 dB voor nieuwbouw uit artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012 en dat deze bepaling is overgenomen in artikel 4.108 van het Bbl. In zoverre geldt dus nog steeds dezelfde normering van 30 dB. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de norm van 30 dB voor nieuwbouw uit artikel 4.108 van het Bbl nog steeds van toepassing op de PowerNEST-installatie.
7.5.
De voorzieningenrechter volgt [afkorting bouwbedrijf X] en het college evenmin in het standpunt dat de PowerNEST-installatie niet valt onder de installaties die in artikel 4.108 van het Bbl worden genoemd. Alhoewel de voorzieningenrechter het met [afkorting bouwbedrijf X] en het college eens is dat een PowerNEST-installatie niet voorkomt op de lijst met installaties in artikel 4.108, eerste of tweede lid, van het Bbl, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een PowerNEST-installatie vergelijkbaar is met een “mechanische voorziening voor warmteterugwinning” uit het tweede lid van dit artikel. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat een mechanische voorziening voor warmteterugwinning en een PowerNEST-installatie eenzelfde soort geluidhinder kan veroorzaken en dat er in beide gevallen sprake is van een energievoorziening voor de bewoners. In de nota van toelichting bij Afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012 is opgemerkt dat voor de woonfunctie voortaan ook voorschriften zijn opgenomen ter voorkoming van geluidoverlast van de eigen gebouwinstallaties. Dat is volgens de nota van toelichting vooral van belang omdat men met het oog op energiezuinigheid en de kwaliteit van het binnenmilieu steeds meer afhankelijk wordt van installaties. Geluidoverlast van dergelijke installaties kan de gezondheid schaden, hetzij door het geluid zelf, hetzij doordat men de installatie uitschakelt om de geluidhinder te beperken. Artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012 is volgens de nota van toelichting opgenomen ter beperking van overlast van installaties voor op het zelfde perceel gelegen gebruiksfuncties. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat artikel 4.108 van het Bbl, dat nagenoeg gelijkluidend is aan artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012, zo moet worden uitgelegd dat het ook is bedoeld om gelijksoortige overlast van vergelijkbare installaties voor op hetzelfde perceel gelegen gebruiksfuncties te beperken. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat er geen bescherming wordt geboden tegen geluidhinder in gevallen als deze. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat de in artikel 4.108, tweede lid, van het Bbl opgenomen normering van 30 dB van toepassing is.
7.6.
De volgende vraag die de voorzieningenrechter dient te beantwoorden is de vraag of er sprake is van een overtreding van artikel 4.108 van het Bbl. Het college en [afkorting bouwbedrijf X] stellen dat dat niet het geval is.
7.7.
Het college stelt onder verwijzing naar het geluidrapport van 29 april 2025 van LBP Sight (het geluidrapport) dat geen sprake is van een overschrijding van de norm van 30 dB. LBP Sight heeft geluidmetingen uitgevoerd in december 2024 om de geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de PowerNEST-installatie vast te stellen. Daaruit is gebleken dat de norm van 30 dB niet wordt overschreden zolang er geen windsnelheden hoger dan 14 m/s worden gehaald. Uit het geluidrapport volgt dat deze waarden kunnen worden beschouwd als “worst-case scenario”. Deze windsnelheden komen niet vaak voor. [afkorting bouwbedrijf X] heeft toegelicht dat de turbines worden afgeschakeld bij windsnelheden hoger dan 14 m/s. In hetgeen verzoeker tegen het geluidrapport heeft ingebracht ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de metingen niet representatief zijn geweest voor de geluidbelasting van de installatie of dat moet worden getwijfeld aan de uitkomsten van het rapport. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat verzoeker niet met eigen metingen aannemelijk heeft gemaakt dat de norm wordt overschreden bij windsnelheden van 12 m/s.
7.8.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de PowerNEST-installatie de norm van 30 dB overschrijdt en dat er aldus sprake is van een overtreding van artikel 4.108, tweede lid, van het Bbl. Dat betekent dat het college zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd was om handhavend op te treden.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Stb. 2011, nr. 416, blz. 253 en 254.

Artikel delen