Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2022:7828

21 December 2022

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie Breda

zaaknummer C/02/ 404253/HA RK 22-238

beslissing van 19 december 2022 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen verzoeker.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

- de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier met zaaknummer

02-233122-22;

- het wrakingsverzoek ontvangen op 12 december 2022.

Het verzoek en de gronden van het verzoek

2.1.Door verzoekster is, kort weergegeven, aangevoerd dat een schijn van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de rechter bestaat door het navolgende.

2.2.In zijn wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende opgenomen: “Er staat een dagvaarding gepland voor 20 december. Ik wil bi deze de rechter wraken omdat hij lid is van een criminele organisatie namelijk: de rechtspraak”. Verder voert verzoeker onder meer aan dat “de rechtspraak zelf is corrupt (…)” en “Niets deugt er hier en zolang klachten niet juist behandeld worden en opgelost, mag iedere burger de rechtspraak wraken op grond van deze objectieve motieven”.

De beoordeling

3.1.Op grond van artikel 512 Sv kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.3.De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.

3.4.Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit geen van de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden, ook niet in onderlinge samenhang bezien, een zwaarwegende omstandigheid als bedoeld in overweging 3.3. worden afgeleid. De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt.

3.5.Uit het verzoek volgt dat geen concreet verwijt is gemaakt aan de rechter die zijn zaak behandelt. Door verzoeker zijn geen specifieke feiten en omstandigheden aan het verzoek ten grondslag gelegd waaruit is op te maken dat de rechter partijdig is dan wel dat terechte vrees van vooringenomenheid van de rechter bestaat. Verzoeker heeft slechts zijn ongenoegen geuit over de rechtspraak in het algemeen en over de aanloop van en naar de behandeling van zijn zaak die op 20 december 2022 gepland staat op zitting.

3.6.Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard. Weliswaar is door verzoeker aangevoerd dat hij de rechter wraakt die zijn zaak op 20 december 2022 zal behandelen, echter overweegt de wrakingskamer dat het verzoek eraan voorbij gaat dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in de feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Daar is in dit geval geen sprake van

3.7.Omdat sprake is van kennelijk ongegrondheid laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid 2 sub c van het wrakingsprotocol van deze rechtbank (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, ga naar: rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).

De beslissing

De rechtbank:

  • verklaart verzoeker kennelijk ongegrond in zijn verzoek tot wraking;

  • bepaalt dat de behandeling van de zaak waar het wrakingsverzoek betrekking op heeft zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 19 december 2022 door mr. Peters, mr. Van Kralingen en mr. Broeders , en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Artikel delen