Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:1349

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat er onvoldoende aanleiding is te veronderstellen dat de vergunning in bezwaar niet in stand kan blijven. Het is niet evident dat een vergunning nodig is voor een Natura2000 activiteit.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:1349 text/xml public 2026-03-13T12:54:58 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-09 26/722 en 26/927 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1349 text/html public 2026-03-13T10:55:28 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1349 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-03-2026 / 26/722 en 26/927
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat er onvoldoende aanleiding is te veronderstellen dat de vergunning in bezwaar niet in stand kan blijven. Het is niet evident dat een vergunning nodig is voor een Natura2000 activiteit.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/722 en 26/927
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2026 in de zaken tussen Milieuvereniging De Groene Koepel, uit Breda,
en
Mommy Holding B.V. uit Oisterwijk,
(gemachtigde: mr. R. Evens).

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: BTT Real Estate B.V. uit Tilburg

(gemachtigde: mr. B.M.A. van Lith).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de het verlenen van een vergunning voor de bouw van een distributiecentrum aan de [adres 1] . De Groene Koepel en Mommy Holding (gezamenlijk: verzoekers) zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vragen beantwoordt hij met name aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te veronderstellen dat het bestreden besluit na aanvulling van de motivering in bezwaar niet in stand kan blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. BTT Real Estate heeft op 29 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor het bouwen van een distributiecentrum. Het college heeft de vergunning met het besluit van 28 november 2025 verleend. Verzoekers hebben hiertegen op 8 januari 2026, ieder voor zich, bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Op 15 januari 2026 legt het college BTT Real Estate een bouwstop op omdat de omgevingsdienst nog geen goedkeuring heeft gegeven voor het gebruik van het nieuwe gebouw en de bijbehorende verharding als saneringsmaatregel waarmee de verontreiniging wordt afgedekt. Op 4 februari 2026 wordt de bouwstop opgeheven, omdat de goedkeuring is gegeven.
2.2.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] namens De Groene Koepel, de gemachtigde van Mommy Holding, mr. S.M.J. Janssens en [gemachtigde 2] namens het college, en [vertegenwoordiger] namens BTT Real Estate, samen met haar gemachtigde.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader

3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente.
3.1.
Het bouwen of verbouwen van een bedrijfsgebouw is een omgevingsplanactiviteit. Uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat, als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning, het college de omgevingsvergunning moet verlenen. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het afwijken van regels in het omgevingsplan op grond van regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, moet getoetst worden aan de regels die het tijdelijk deel van het omgevingsplan hiervoor geeft. Het college heeft beleidsruimte bij de afweging of hieraan voldaan wordt. De voorzieningenrechter mag slechts beoordelen of het college in redelijkheid kon oordelen dat de aanvraag in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.2.
Naast een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen en afwijken van het omgevingsplan is ook een vergunning verleend voor het uitvoeren van werken, niet zijnde bouwwerken en voor het aanleggen van uitwegen.
3.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Het omgevingsplan

4. Het omgevingsplan gemeente Gilze en Rijen bestaat voor nu uit een tijdelijk deel. De regels van het voormalig bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Broekakkers’ maken onderdeel uit van het (tijdelijk) omgevingsplan. Volgens dat bestemmingsplan geldt op het perceel de bestemming ‘Bedrijventerrein’. Voor het perceel geldt volgens de regels van het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 12 meter. Het bebouwd oppervlak van het perceel mag maximaal 70% bedragen. Erfafscheidingen voor de voorgevellijn mogen maximaal 1 meter hoog zijn. Op eigen terrein dient voorzien te zijn in voldoende parkeeraccommodatie alsmede laad- en losruimte.
4.1.
Het college kan bij omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de maximale hoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn met dien verstande dat deze maximaal 2 meter mag bedragen indien het straatbeeld daardoor ruimtelijk niet meer wordt aangetast en/of de verkeerssituatie zich daartegen niet verzet. Daarnaast mag het college in het algemeen afwijkingen van maximaal 10 % toestaan.
4.2.
Daarnaast is ‘Paraplubestemmingsplan Gilze en Rijen 2023’ als tijdelijk deel van het bestemmingsplan van toepassing op dit perceel. Op grond van dit bestemmingsplan rust op de gronden ook de bestemmingen ‘Waarde Archeologie – 2a’ (straatzijde) en ‘Waarde Archeologie – 3a’ (achterzijde van het perceel). Op grond van deze bestemmingen mag alleen gebouwd worden als aan bepaalde voorwaarden met betrekking tot archeologie is voldaan.

De procedure

5. De Groene Koepel stelt dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. Dit had wel gemoeten omdat duidelijk is dat ook een omgevingsvergunning voor een Natura2000 activiteit nodig is.
5.1.
Deze bezwaargrond slaagt niet. Onder de Omgevingswet is de zogeheten onlosmakelijke samenhang zoals die gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) komen te vervallen. Onder de Wabo moest kortgezegd in één keer voor alle activiteiten die onlosmakelijk samenhangen een omgevingsvergunning worden aangevraagd en verleend. Het systeem van de Omgevingswet is zo dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Hier heeft BTT Real Estate voor een aantal activiteiten een vergunning gevraagd en gekregen. Zij heeft dit niet aangevraagd voor de Natura2000 activiteit. Als de voorzieningenrechter in de termen van de Omgevingswet vertaald wat verzoekster in haar verzoek naar voren heeft gebracht, komt het er kortgezegd op neer dat zij meent dat voor de bouw van het distributiecentrum óók een omgevingsvergunning voor een Natura2000 activiteit noodzakelijk is. Bij de bouw en het gebruik van dit gebouw komt immers stikstof vrij die invloed kan hebben op nabijgelegen Natura2000 gebieden. Dat is echter niet de activiteit waarvoor hier vergunning is gevraagd en gekregen. Zoals hiervoor uitgelegd, is het onder de Omgevingswet ook niet meer verplicht om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bepaald type activiteit gelijktijdig ook voor andere eventueel noodzakelijke activiteiten een omgevingsvergunning aan te vragen. Dit heeft tot gevolg dat voor de voorzieningenrechter in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voor de gevraagde en verleende activiteiten ter beoordeling voor ligt. Wat De Groene Koepel aanvoert valt buiten de reikwijdte van die vergunning. De voorzieningenrechter kan zich niet uitlaten over de vraag of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de Natura2000 activiteit noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend. Zelfs als hij zou vinden dat naar zijn voorlopig oordeel voor het bouwen van een distributiecentrum ook nog een omgevingsvergunning voor de Natura2000 activiteit moet worden aangevraagd en verleend, tast dit de rechtmatigheid van de voorliggende vergunning niet aan. Dit leidt er dus niet toe dat hij de omgevingsvergunning voor de overige activiteit kan schorsen. Omdat het gaat om een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit moet bij de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel worden gemotiveerd waarom de Natura2000-activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. De voorzieningenrechter zal dat later in deze uitspraak toetsen. Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, volstaat hij met de waarschuwing aan BTT Real Estate dat zij van de verleende omgevingsvergunning, ook indien de voorzieningenrechter tot het oordeel zou komen dat die op zichzelf rechtmatig is verleend, geen gebruik mag maken als voor de bouw van het distributiecentrum een omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit nodig is.
5.2.
Op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet geldt de regulier procedure tenzij op grond van artikel 16.65 van de Omgevingswet de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Er is geen wettelijke bepaling of besluit dat ertoe leidt dat hier, op grond van artikel 16.65 van de Omgevingswet de uitgebreide procedure van toepassing is.

Bebouwingspercentage

6. De Groene Koepel stelt dat duidelijk is dat het perceel voor 81% bebouwd wordt. Dat is meer dan de toegestane 70%. Ze heeft dit nagerekend met de meettool op het omgevingsloket. Ze rekent het laaddok en het gebouw aan de zuidzijde ook mee als bebouwing.
6.1.
Het college stelt in het verweerschrift dat volgens haar berekening aan de 70% bebouwingsnorm wordt voldaan. Ter zitting onderbouwt hij dit nader op grond van de oppervlakte van de drie percelen (bij elkaar 22.968 m²) en het te bebouwen oppervlakte (15.965 m²). Daarbij rekent hij het gebouw aan de zuidzijde van het perceel mee, maar het laaddok niet.
6.2.
Op basis van de door het college aangegeven gegevens komt het bebouwingspercentage uit op 15.965 : 22.968 = 69,5%. Daarmee wordt onder de vereiste 70% gebleven. Het laaddok hoeft hierbij niet meegerekend te worden. Dat heeft geen dak en is daarmee geen gebouw. Het college heeft hiermee voorlopig voldoende aannemelijk gemaakt dat binnen het toegestane bebouwingspercentage wordt gebleven. In de beslissing op bezwaar kan hij dat nader uitwerken.

Bouwhoogte

7. De Groene Koepel stelt dat het gebouw hoger wordt dan vergund, doordat de grond wordt opgehoogd met vrijgekomen puingranulaat en doordat er een dikke betonnen vloer wordt toegepast. Bovendien is onvoldoende onderbouwd waarom hoger gebouwd mag worden. Elk bedrijf wil wel meer opslagruimte.
7.1.
BTT Real Estate geeft aan dat op hetzelfde peil wordt gebouwd als de voorgaande bebouwing. Er zal niet hoger gebouwd worden dan de vergunde 12,4 meter.
7.2.
De voorzieningenrechter moet de vergunning beoordelen zoals die is verleend. Voor zover in afwijking van de vergunning wordt gebouwd, is dat een handhavingskwestie. Op voorhand ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om er vanuit te gaan dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om een 40 centimeter hogere goothoogte toe te staan. Hij ziet hierin dan ook geen aanleiding de voorziening toe te kennen.

Hogere perceelafscheiding

8. Verzoekers stellen dat de erfafscheiding voor de voorgevellijn te hoog is en dat dat in strijd is met redelijke eisen van welstand en de welstandsnota. Zichtlijnen worden belemmerd wat de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Beide partijen geven aan dat dit niet het belangrijkste punt van hun bezwaar is.
8.1.
BTT Real Estate heeft ter zitting aangegeven dat de oude hekwerken, die nog aanwezig zijn, ook al een hoogte hadden van 2 meter.
8.2.
De voorzieningenrechter ziet dat het college de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid heeft gebruikt om een hogere perceelafscheiding mogelijk te maken. Op voorhand lijkt dat niet onredelijk. Bovendien is een perceelafscheiding niet zo onomkeerbaar dat dat het schorsen van het besluit rechtvaardigt.

Parkeren

9. Volgens verzoekers worden er te weinig parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De borging dat op lange termijn op het perceel [adres 2] kan worden geparkeerd is onvoldoende om dit mee te nemen. Ten onrechte is geen privaatrechtelijke overeenkomst gevraagd. Door dit zo te doen, is er sprake van salamitactiek. Dit kan alleen als het volgende project gelijk meegenomen wordt.
9.1.
Het college wijst erop dat het terrein waarop de parkeerplaatsen worden gerealiseerd dezelfde eigenaar heeft als het terrein waarop de werkzaamheden plaatsvinden. Een privaatrechtelijke overeenkomst is daarom niet mogelijk. In de vergunning zijn wel voorschriften opgenomen waarmee wordt geborgd dat op het terrein [adres 2] 81 parkeerplaatsen ten behoeve van de ontwikkeling op de [adres 1] moeten worden aangelegd en in stand gehouden.
9.2.
Naar verwachting slaagt deze bezwaargrond niet. Het college heeft de parkeersituatie beoordeeld en voorschriften aan de vergunning verbonden om te borgen dat er voldoende parkeerplaatsen zijn en beschikbaar blijven voor het vergunde distributiecentrum.

Bodemverontreiniging

10. De grond onder het te bouwen pand is volgens verzoekers zodanig verontreinigd dat die afgevoerd had moeten worden. Dat blijkt ook uit het rapport van [adviesbureau] van 2 september 2025. Door dit niet te doen is niet voldaan aan art. 3.2.22 van het Bal.
10.1.
Het college heeft in een eerder stadium de bouw stilgelegd, om te zorgen dat op een zorgvuldige manier met bodemverontreiniging wordt omgegaan. Op 4 februari 2026 werd bekend dat omgevingsdienst toestemming heeft gegeven om de verontreiniging te saneren door de grond af te dekken met verharding in de vorm van het afdekken met een gebouw en terreinverharding. Dit is in overeenstemming met het advies van [adviesbureau] van 2 september 2025. Daarin is aangegeven dat het bedrijfspand inclusief terreinverharding zal fungeren als saneringsmaatregel voor de aanwezige bodemverontreiniging. Hierdoor worden contactmogelijkheden en verspreiding voorkomen. Een deel van de verontreinigde grond, met name ter plaatse van de laaddokken, is afgevoerd naar het naastgelegen terrein.
10.2.
De voorzieningenrechter ziet op deze grond geen aanleiding voor het toekennen van de voorziening. De verontreinigende grond is verwijderd waar die niet mag blijven zitten en is elders inmiddels afgedekt. Dat betekent dat er op dit moment geen risico is van verspreiding van de verontreiniging en dat schorsing van de vergunning niet bijdraagt aan het beperken van eventuele fouten die in het voortraject zijn gemaakt met betrekking tot de bodemverontreiniging.

Archeologie

11. Verzoekers geven aan dat er middelhoge verwachtingswaarde in het kader van archeologie zijn. [onderzoeksbureau 1] heeft dan ook een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Dit is ten onrechte niet uitgevoerd. Mommy Holding vult aan dat een regionale adviseur heeft geadviseerd geen proefsleuvenonderzoek te eisen en het terrein vrij te geven omdat de kans op vindplaatsen klein is. Dat is in strijd met de conclusies van [onderzoeksbureau 1] . Onduidelijk is hoe de regionale adviseur hierbij komt. Er is ten onrechte alleen is getoetst aan 6.2.1 en niet aan 8.2.1 van de bestemmingsplanbepalingen. Op een deel van het perceel is immers ook ‘Waarde – Archeologie 3a’ van toepassing.
11.1.
De rechtbank ziet in de archeologische bepalingen ook geen grond om het bestreden besluit te schorsen. Ook hier geldt dat de graafwerkzaamheden inmiddels zijn afgerond en dat het voortzetten van de bouwwerkzaamheden geen verdere schade toe zullen brengen aan archeologische objecten. Voor zover verzoekers nog aan de orde stellen dat niet aan de juiste bestemmingsplanbepalingen is getoetst of ten onrechte naar bepaalde adviseurs is geluisterd, kan dit in de bezwaarprocedure alsnog aan de orde gesteld worden en mogelijk hersteld worden.

Stikstof

12. Verzoekers stellen dat het stikstofonderzoek onvoldoende is om vast te stellen dat er geen vergunning nodig is voor een Natura2000 activiteit. Er had dus eerst een vergunning voor de Natura2000-activiteit moeten worden aangevraagd en verleend voordat de onderhavigevergunning verleend kon worden. Het is momenteel zo evident dat de vergunning niet verleend kan worden, dat op grond van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen binnenplanse afwijking had kunnen worden toegestaan.
12.1.
Ook dit argument leidt niet tot de conclusie dat de vergunning moet worden geschorst. In het kader van de beoordeling of toepassing kan worden gegeven aan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid moet getoetst worden of voldaan blijft worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit kan betekenen dat een vergunning niet kan worden verleend als evident is dat de vergunde ontwikkeling niet plaats kan vinden omdat een vereiste vergunning voor een Natura2000-activiteit niet kan worden verleend. De voorzieningenrechter constateert enerzijds dat de hiervoor relevante afwijking slechts bestaat uit een 40 centimeter hogere bouwhoogte en een perceelafscheiding die 1 meter hoger wordt dan rechtstreeks passend in het omgevingsplan en dat er anderzijds een stikstofberekening ligt van [onderzoeksbureau 2] en een rapport van bevindingen van de Omgevingsdienst Brabant Noord waarin wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een vergunningplicht voor een Natura2000-activiteit. Verzoekers plaatsen hier kritische kanttekeningen bij. Dit maakt echter wel dat het niet evident is dat er toch een vergunning voor een Natura2000-activiteit nodig is om op grond daarvan tot het oordeel te komen dat de bestreden vergunning niet verleend mocht worden.

Technische bouwactiviteit

12. Mommy Holding stelt dat onduidelijk is of sonderingsrapporten en aanvullende berekeningen en tekeningen al zijn aangeleverd. Zij heeft graag nog informatie over de sprinklerinstallatie en de goedkeuring daarvan door een geaccrediteerde inspectie-instelling. In het kader van een gelijkwaardige brandveiligheid zijn de gelijkwaardige maatregelen te vrijblijvend geformuleerd en moeten de adviezen van de brandweer als afdwingbare voorschriften aan de vergunning worden verbonden. De voorschriften a tot en met h op p. 17 van de vergunning zijn wel verplicht.
12.1.
Het college heeft aangegeven dat bepaalde belangrijke voorschriften verplicht zijn gesteld, maar erkent dat er ook adviezen zijn gegeven die niet bindend zijn.
12.2.
De voorzieningenrechter constateert dat het college ruime aandacht heeft besteed aan het aspect brandveiligheid. Zo is de gelijkwaardigheid van de sprinklerinstallatie, onder bepaalde voorwaarden, aan brandcompartimentering in de afweging opgenomen. Evenals de voorschriften dat die drie weken voor de start van de werkzaamheden goedgekeurd moet worden en dat voor ingebruikname van het pand een inspectie en goedkeuring moet plaatsvinden. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding in de bezwaren van Mommy holding om op basis hiervan de bestreden vergunning te schorsen.

Uitwegen

13. Mommy Holding geeft aan dat er ten onrechte vier uitwegen zijn toegestaan. Op grond van art. 2:12 aanhef en onder f van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Gilze en Rijen 2024 (de Apv) hadden de vergunningen voor meerdere uitwegen moeten worden geweigerd. Er zijn immers vier uitwegen en de aanleg van de uitwegen gaat ten koste van enkele openbare parkeerplaatsen en openbaar groen, doordat de groenstrook deels komt te vervallen.
13.1.
Het college geeft aan dat er weliswaar in de berm wordt geparkeerd, maar dat dat geen officiële openbare parkeerplaatsen zijn, waardoor die niet komen te vervallen. Bovendien komen vier uitwegen te vervallen. Daar komen drie nieuwe uitwegen voor terug. De totale breedte van de nieuwe uitwegen is 36 m tegenover 57 m in de oude situatie. Per saldo komt er dus berm bij en is er geen sprake van nadelige gevolgen voor het openbaar groen.
13.2.
De genoemde weigeringsgrond is facultatief. De combinatie ‘wordt slechts geweigerd’ duidt erop dat er geen andere weigeringsgronden zijn toegestaan, maar niet per sé dat op grond van deze weigeringsgronden moet worden geweigerd. Zo legt het college dat in de redactie van het besluit ook uit (kan). Het college stelt daarbij dat geen van de weigeringsgronden van toepassing is. De f-grond kan echter wel degelijk van toepassing zijn. Het college heeft niet duidelijk gemotiveerd waarom ze vier uitwegen aanvaardbaar acht, anders dan dat deze bij elkaar smaller zijn dan de uitwegen in de voorgaande situatie. De aanleg van deze uitwegen is echter niet onomkeerbaar. Voor zover het college in de beslissing op bezwaar tot de conclusie komt dat niet voor alle vier de uitwegen vergunning verleend kan worden, moet BTT Real Estate voor eigen rekening en risico de uitweg verwijderen. Ook dit geeft daarom geen aanleiding om de vergunning te schorsen.

Daadkrachtige handhaving

14. Mommy Holding geeft aan dat de gemeente niet daadkrachtig handhaaft. Zo wordt de verbeurde dwangsom in verband met overtreding van de bouwstop niet ingevorderd. Ze beseft zich wel dat dit geen onderdeel is van de besluitvorming. Ook is er nog geen vergunning voor de Natura2000-activiteit, terwijl de Omgevingsdienst Midden en West Brabant al heeft aangegeven dat niet is aangetoond dat geen stikstofdepositie plaats zal vinden. Het college van gedeputeerde staten is gevraagd handhavend op te treden, maar heeft dat vooralsnog niet gedaan.
14.1.
Handhaving is geen onderdeel van de besluitvorming bij de omgevingsvergunning. Dat geldt zowel voor de bouwstop als de Natura2000 activiteit. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de verzuchting van verzoekers dat het huidige wettelijke systeem het lastig maakt om als belanghebbende daadkrachtig op te treden of daadkrachtig optreden af te dwingen tegen vergunde bouwwerkzaamheden als de vergunning voor de Natura2000-activiteit ontbreekt en die mogelijk wel nodig is. Dat is inherent aan de wetgeving en dat kan de voorzieningenrechter niet oplossen.
Conclusie en gevolgen
15. Het bestreden besluit bevat nog enkele punten die verbetering of aanvulling van de motivering behoeven. De voorzieningenrechter gaat er echter vanuit dat deze punten of nog hersteld kunnen worden of tot een gewijzigd bouwplan leiden, waarbij de bouw (achteraf) nog aangepast moet worden. Dat is dan voor rekening en risico van de vergunninghouder. De voorzieningenrechter vindt dit onvoldoende om tot schorsing van de omgevingsvergunning over te gaan.
15.1.
Omdat de verzoeken om voorlopige voorziening zijn afgewezen, is er geen aanleiding om het college te veroordelen in het vergoeden van het griffierecht.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier op 9 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet

Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

een omgevingsplanactiviteit,

een rijksmonumentenactiviteit,

een ontgrondingsactiviteit,

een stortingsactiviteit op zee,

en Natura 2000-activiteit,

een jachtgeweeractiviteit,

een valkeniersactiviteit,

tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

[.]

Bedrijventerrein Broekakkers (als tijdelijk deel van het omgevingsplan Gilze en Rijen)

5.2.2 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;

de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste het met de maatvoeringaanduiding aangegeven bebouwingspercentage van het bouwperceel;

e afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is minimaal 3 meter.

5.2.5 Parkeren

Bij het oprichten van gebouwen of het veranderen in gebruik dient de inrichting van elk perceel zodanig te zijn dat voldoende ruimte aanwezig is om zowel het parkeren als het eventueel laden en lossen op eigen terrein te kunnen afwikkelen. Op eigen terrein dient voorzien te zijn in voldoende parkeeraccommodatie alsmede laad- en losruimte conform de parkeerrichtlijnen opgenomen als Bijlage 1.

5.4.1 Erfafscheiding

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van het bepaalde in lid 5.2.4 onder a ten behoeve van de hoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn met dien verstande dat deze maximaal 2 meter mag bedragen en indien het straatbeeld daardoor ruimtelijk niet meer wordt aangetast en/of de verkeerssituatie zich daartegen niet verzet.

Artikel 18 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan , mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden bij omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van:

a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; [.]

Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Gilze en rijen 2024

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

als de aanleg van de uitweg leidt tot strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of

als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 5.1, eerste lid onder a van de Omgevingswet.

Artikel 5.2.5 van de bestemmingsplanbepalingen.

Artikel 5.4.1 van de bestemmingsplanbepalingen.

Artikel 18, onder a van de bestemmingsplanbepalingen.

Artikel delen