Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:1424

Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een verhard pad, het slopen van een bestaande schuur en het bouwen van een garage.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:1424 text/xml public 2026-03-11T11:16:33 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-05 AWB 26_387 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1424 text/html public 2026-03-11T11:16:25 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1424 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-03-2026 / AWB 26_387
Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een verhard pad, het slopen van een bestaande schuur en het bouwen van een garage.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 26/387 en 26/388

einduitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. K.M. Peters),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, het college.

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel: [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] uit [woonplaats] (gemachtigde: [gemachtigde] ) (vergunninghouders).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een verhard pad, het slopen van een bestaande schuur en het bouwen van een garage. Verzoeker is het daarmee niet eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Verzoeker krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 23 december 2025 op het bezwaar van verzoeker heeft het college de omgevingsvergunning van 2 december 2024 ingetrokken en een nieuwe omgevingsvergunning verleend. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.1.
Vergunninghouders hebben hierop schriftelijk gereageerd. Verzoeker heeft aanvullende stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker met zijn [partner] , de gemachtigde van verzoeker, mr. S.E.J. Wuijts namens het college, vergunninghouders en de gemachtigde van vergunninghouders.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoeker daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De niet betwiste feiten

3. Verzoeker woont aan de [adres 1] . Vergunninghouders wonen aan de [adres 2] .
3.1.
Vergunninghouders hebben op 21 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een garage op het achtererfgebied aan de [adres 2] .
3.2.
Met het besluit van 2 december 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.3.
Met het besluit van 7 augustus 2025 heeft het college besloten de omgevingsvergunning in stand te laten onder aangepaste motivering. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
3.4.
De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 4 september 2025 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 augustus 2025 vernietigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
3.5.
Het college heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
3.6.
Met de tussenuitspraak van 23 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit geschorst bij wijze van ordemaatregel tot de einduitspraak van de voorzieningenrechter op het inhoudelijke verzoek.

Spoedeisend belang

4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Het bestreden besluit voorziet in de sloop van een bestaand schuurtje. Vergunninghouders hebben kenbaar gemaakt direct te willen starten met de sloopwerkzaamheden. Met de tussenuitspraak van 23 januari 2026 is het bestreden besluit geschorst tot deze einduitspraak.

Toetsingskader

5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op het perceel van vergunninghouders (hierna: het perceel) is het omgevingsplan van de gemeente Oosterhout van toepassing. Het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ maakt daar onderdeel van uit. Uit het bestemmingsplan volgt dat aan het perceel de functies ‘Wonen’ en ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’ zijn toegekend.
5.2.
In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet gedefinieerd als:

a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
5.3.
In de algemene regels die in het omgevingsplan worden opgenomen, kan worden bepaald dat voor bepaalde activiteiten een verbod behoudens omgevingsvergunning geldt. Het omgevingsplan moet in zo’n geval ook de beoordelingsregels bevatten. Als een activiteit strookt met die beoordelingsregels, is sprake van een omgevingsplanactiviteit als bedoeld onder a. Is de activiteit in strijd met de in het omgevingsplan opgenomen beoordelingsregels of is anderszins sprake van strijd met het omgevingsplan, dan is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld onder b en c.
5.4.
De omgevingsplanactiviteit is verleend voor de aanleg van verharding, het slopen van het aanwezige schuurtje en het bouwen van een garage.

Relativiteitsvereiste

6. Verzoeker heeft diverse gronden aangevoerd die zien op het feit dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de regels die gelden voor percelen met de functie ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’.
6.1.
Het college heeft aangevoerd dat deze normen niet strekken tot bescherming van het belang van verzoeker, maar enkel tot het algemeen belang dat daarmee is gediend. Het relativiteitsvereiste verzet zich tegen vernietiging van het bestreden besluit op basis van deze gronden.
6.2.
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot belangen van degene die zich daarop beroept. Dit wordt het relativiteitsvereiste genoemd.
6.3.
De regels uit het bestemmingplan die van toepassing zijn op het beschermd dorpsgezicht zien op het beschermen van het algemeen belang van het behoud van dat dorpsgezicht. De regels strekken niet ter bescherming van de belangen van een individu, tenzij de gevreesde aantasting van het beschermde dorpsgezicht plaatsvindt in een gebied dat kan worden aangemerkt als de directe woon- en leefomgeving van de belanghebbende. In een dergelijk geval bestaat een zo nauwe verwevenheid tussen het belang van de belanghebbende bij behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving en het algemeen belang dat aan de orde is bij de bescherming van het beschermd dorpsgezicht, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belang.
6.4.
In dit geval woont verzoeker op het aangrenzende perceel en heeft hij zicht op het aan te leggen pad, de te slopen schuur en de te bouwen garage. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter een nauwe verwevenheid tussen de belangen van verzoeker bij een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving en het algemeen belang dat is gediend met bescherming van het dorpsgezicht. Dat betekent dat het relativiteitsvereiste zich niet verzet tegen een eventuele vernietiging op basis van de aangevoerde gronden.

Advies commissie

7. Aan het bestreden besluit ligt een advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Oosterhout (hierna: commissie) ten grondslag. Het college heeft twee verschillende versies van het advies overgelegd, beide gedateerd op 26 september 2025. Volgens het bestreden besluit is het advies op 19 december 2025 aangevuld. Dat advies bevat aanvullingen met een rood en blauw gekleurd lettertype.
7.1.
Verzoeker heeft betoogd dat aan de wijze van totstandkoming van het advies van de commissie dusdanige gebreken kleven dat het advies niet ten grondslag kon worden gelegd aan het bestreden besluit. Het is onduidelijk wie het oorspronkelijke advies heeft aangepast en op wiens verzoek dat is geschied. Verzoeker is hier op geen enkele wijze in gekend.
7.2.
Het college heeft op zitting toegelicht dat een eerste versie van het advies door het college is ontvangen op 26 september 2025. Het college heeft op dat moment vastgesteld dat het advies niet voldoende onderbouwing gaf voor het bestreden besluit en heeft hierover daarom verschillende vragen gesteld aan de commissie. Het advies van 26 september 2025 is naar aanleiding van die vragen aangevuld op 19 december 2025. In het kader van transparantie zijn de aanvullingen opgenomen in het originele advies met blauw en rood. Het is de rechtbank niet gebleken dat hiermee een gebrek kleeft aan het advies van de commissie dat ertoe zou moeten leiden dat deze niet ten grondslag gelegd kon worden aan het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Aanleg verharding

8. Op grond van artikel 14.4.1 van het bestemmingsplan is het verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in deze gronden gelegen bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen, verhardingen aan te leggen en bestaande paden en wegen te verleggen. Hieruit volgt dat een omgevingsvergunning is vereist voor het aanleggen van de verharding. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien noodzakelijk voor het in de andere daar voorkomende bestemmingen toegestane gebruik van de grond, en in geval van gedeeltelijke sloop, indien door de sloopwerkzaamheden en/of aanlegwerkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.4.1. van het bestemmingsplan wordt advies ingewonnen bij de commissie voor welstand en monumenten omtrent de mogelijke aantasting van de karakteristiek van het beschermd dorpsgezicht.
8.1.
Verzoeker heeft betoogd dat het college geen omgevingsvergunning mocht verlenen voor de aanleg van de verharding. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat de aanleg van de verharding noodzakelijk is om de functie ‘Wonen’ te kunnen uitoefenen op het perceel. Bovendien is niet gebleken dat een onverhard pad naar de garage niet zou volstaan. Daarnaast is, met het advies van de commissie, onvoldoende onderbouwd dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied. In het advies is namelijk onvoldoende erkend dat het achtererfgebied ook onderdeel uitmaakt van het beschermd dorpsgezicht.
8.2.
Het college heeft gesteld dat de aanleg van de verharding noodzakelijk is om het gebruik van de garage mogelijk te maken. Daarnaast is advies ingewonnen bij de commissie en zij heeft geen enkel bezwaar geuit tegen het ingediende plan omdat geen sprake is van een aantasting van het beschermd dorpsgezicht.
8.3.
Verzoeker en het college verschillen van mening over de vraag hoe artikel 14.4.2 van het bestemmingsplan moet worden uitgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) moeten planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd. De rechtszekerheid vereist immers dat van wat in het bestemmingsplan is bepaald, in beginsel moet worden uitgegaan.
8.4.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat uit de letterlijke lezing van artikel 14.4.2 van het bestemmingsplan volgt dat ten aanzien van de aanleg van verharding enkel is vereist dat wordt voldaan aan de noodzakelijkheidseis en dat advies wordt ingewonnen bij de commissie. Uit de planregel volgt namelijk dat enkel in het geval van gedeeltelijke sloop moet worden onderbouwd dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied. Daarvan is in dit geval geen sprake, aangezien een omgevingsvergunning is verleend voor de aanleg van verharding en volledige sloop van de schuur. De voorzieningenrechter zal haar beoordeling dan ook beperken tot de vraag of het college voldoende heeft onderbouwd dat wordt voldaan aan de noodzakelijkheidseis en of advies is ingewonnen bij de commissie.
8.5.
Ten aanzien van de noodzakelijkheideis kan de planregel niet anders worden gelezen en uitgelegd dan dat de aanleg noodzakelijk moet zijn binnen het toegestane gebruik binnen de bestemming ‘Wonen’. Binnen de bestemming is de bouw en het gebruik van een garage – voor opslag van oldtimers – toegestaan. De aanleg van de verharding moet daarmee noodzakelijk zijn voor het feitelijke gebruik van de garage. In tegenstelling tot wat verzoeker stelt, is dus niet vereist dat de aanleg van de verharding noodzakelijk is om het perceel te kunnen gebruiken voor de bestemming ‘Wonen’. Het college heeft, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, voldoende onderbouwd dat het gebruik van de garage zonder de aanleg van de verharding feitelijk niet mogelijk of niet reëel uitvoerbaar is omdat een verhard pad nodig is om de garage met voertuigen te kunnen gebruiken.
8.6.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat het college advies heeft ingewonnen bij de commissie. Nu wordt voldaan aan beide vereisten van artikel 14.4.2 van het bestemmingsplan, kon het college – indien sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wat verder in deze uitspraak zal worden beoordeeld – een omgevingsvergunning verlenen voor de aanleg van de verharding.

Sloop schuur

9. Verzoeker heeft betoogd dat het college geen omgevingsvergunning mocht verlenen voor de sloop van de schuur. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat de sloop van de schuur noodzakelijk is om de functie ‘Wonen’ te kunnen uitoefenen op het perceel. Bovendien had de garage ook op een andere plek gerealiseerd kunnen worden, waardoor de schuur had kunnen blijven staan. Daarnaast is, met het advies van de commissie, onvoldoende onderbouwd dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt in de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied. In het advies is onvoldoende erkend dat het achtererfgebied ook onderdeel uitmaakt van het beschermd dorpsgezicht.
9.1.
Het college heeft gesteld dat de sloop van de schuur noodzakelijk is om de garage te kunnen realiseren. De schuur bevindt zich namelijk op dezelfde plaats als waar de garage zal worden gerealiseerd. Daarnaast is advies ingewonnen bij de commissie en zij heeft geen enkel bezwaar geuit tegen het ingediende plan omdat geen sprake is van een aantasting van het beschermd dorpsgezicht.
9.2.
Uit overweging 8.4 volgt dat wordt voldaan aan artikel 14.4.2 van het bestemmingsplan indien wordt voldaan aan de noodzakelijkheidseis en indien advies is ingewonnen bij de commissie. Het college heeft voldoende onderbouwd dat de sloop noodzakelijk is binnen het toegestane gebruik in de vorm van een garage. Buiten het bouwvlak mogen overal bijgebouwen – zoals een garage – worden gerealiseerd. In dit geval wordt de garage gerealiseerd op de plaats van de aanwezige schuur. De sloop van de schuur is daarmee noodzakelijk voor het realiseren van de garage. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat het college advies heeft ingewonnen bij de commissie.
9.3.
Nu wordt voldaan aan beide vereisten van artikel 14.4.2 van het bestemmingsplan, kon het college – indien sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wat verder in deze uitspraak zal worden beoordeeld – een omgevingsvergunning verlenen voor de sloop van de schuur.

Bouw garage

Bouwmassa

10. Op grond van artikel 14.2 van het bestemmingsplan mag aan de gronden en de bebouwing, voor zover gelegen binnen de functie ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’, geen verandering worden aangebracht in de bestaande situatie ten aanzien van de bouwmassa van gebouwen. Tussen partijen is niet in geschil dat een verandering wordt aangebracht in de bouwmassa van gebouwen met de bouw van de garage.

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het afwijken van bovenstaande, mits de door de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht te waarborgen belangen niet onevenredig worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de commissie voor welstand en monumenten.
10.1.
Verzoeker heeft betoogd dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de door de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht te waarborgen belangen niet onevenredig worden aangetast. De commissie heeft haar beoordeling beperkt tot de vraag of de garage passend is binnen de lintbebouwing en heeft miskend dat het achtererfgebied onderdeel uitmaakt van het beschermd stadsgezicht. Bovendien is de garage zichtbaar vanaf het zogenoemde Kerkepadje en het open landschap aan de achterzijde van het perceel.
10.2.
Het college heeft gesteld dat uit het advies van de commissie volgt dat de door de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht te waarborgen belangen niet onevenredig worden aangetast. Daarbij heeft de commissie zich niet enkel beperkt tot de beoordeling van de garage binnen de aanwezige lintbebouwing.
10.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat het college op een advies van de commissie mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat de door de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht te waarborgen belangen niet onevenredig worden aangetast. Het college heeft advies ingewonnen bij de commissie. De commissie heeft onder meer gesteld dat de garage qua hoofdvorm in de directe omgeving gebruikelijk is en dat de garage in samenhang met de aanwezige bebouwing geen negatieve invloed heeft op de historische karakteristieken zoals beschreven in de aanwijzing tot beschermd gezicht. De nieuwe bebouwing voegt zich uitstekend in het bestaande dorpslint. Daarnaast is de garage voldoende ondergeschikt, zodat het hoofdgebouw voldoende herkenbaar blijft. Ten slotte is het materiaal- en kleurgebruik van de garage traditioneel en passend bij het woonhuis en wat in de omgeving gebruikelijk is. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, is de beoordeling van de vraag of sprake is van onevenredige aantasting door de commissie niet beperkt tot de plaatsing van de garage ten opzichte van de lintbebouwing, maar heeft de commissie de garage beoordeeld binnen het beeld van de volledige omgeving. De voorzieningenrechter ziet gelet hierop geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de inhoud van het advies en merkt hierbij op dat verzoeker ook geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Vrije zijstrook
10.4.
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak geldt verder dat bij vrijstaande woningen tenminste één zijde van de zijstroken vrij van gebouwen en overkappingen dient te blijven. Indien in afwijking hiervan ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan legaal een kleinere afstand aanwezig was dan wel de betreffende zijstrook niet (geheel) vrij van gebouwen en overkappingen was, mag die afstand respectievelijk situatie worden gehandhaafd.
10.5.
Verzoeker heeft betoogd dat het college ten onrechte heeft gesteld dat gebruik kon worden gemaakt van de uitzonderingsregel. Ten eerste heeft het college met het bestreden besluit enkel onderbouwd dat de betreffende zijstrook in de huidige situatie niet geheel vrij is van bebouwing en niet beoordeeld of deze vrij was ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan. Daarnaast is deze stelling onjuist, aangezien de aanwezige schuur momenteel is gesitueerd op meer dan drie meter van de erfgrens, terwijl de garage dichter bij de erfgrens zal worden gerealiseerd. Er treedt daarmee een verslechtering op.
10.6.
In tegenstelling tot wat verzoeker stelt, is het, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, voor de uitzonderingsregel niet van belang dat de huidige schuur verder van de erfgrens is gesitueerd dan waar de garage zal worden gerealiseerd. Het gaat namelijk om de vraag of de zijstrook in zijn geheel vrij was van gebouwen. Dat is niet het geval door de woning en daaraan aansluitende aanbouw die aanwezig is aan de voorkant van het perceel.
10.7.
Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat wordt voldaan aan de uitzonderingsregel omdat in de huidige situatie de zijstrook niet geheel vrij is van gebouwen. Ten onrechte is niet beoordeeld of de zijstrook vrij was van gebouwen ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel en kleeft aan het bestreden besluit een gebrek.
10.8.
De voorzieningenrechter kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb en zal dat in dit geval ook doen. Het is niet aannemelijk dat verzoeker door schending van het motiveringsbeginsel is benadeeld. In het verweerschrift heeft het college alsnog gemotiveerd dat de betreffende zijstrook niet geheel vrij was van gebouwen ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan. Het ontwerp van het bestemmingsplan is namelijk ter inzage gelegd op 13 december 2018 en de aanwezige schuur dateert oorspronkelijk uit 1921. In 1976 is daar een wagenloods aangebouwd, wat (ook) geruime tijd is vóór terinzagelegging van het ontwerp. De voorzieningenrechter passeert daarom het gebrek.

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

11. Uit de Omgevingswet blijkt dat in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beoordelingsregels zijn gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat: voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de beoordelingsregels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

In een geval als deze, waarin de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in het omgevingsplan staat als gevolg van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, geldt op grond van artikel 22.275 van het omgevingsplan dat het college ook moet beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Die bepaling is als onderdeel van de bruidsschat opgenomen in het omgevingsplan. Dit betekent dat het college in dat geval een belangenafweging moet maken en ook dient te beoordelen of het verlenen van de omgevingsvergunning op grond van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Die verplichting geldt op grond van artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl niet als een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet als tijdelijk deel van het omgevingsplan in het omgevingsplan staat.

Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Het college moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
11.1.
Verzoeker heeft betoogd dat het college niet heeft beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft in het bestreden besluit enkel verwezen naar de overwegingen ter zake van de door de voorzieningenrechter geconstateerde gebreken in de vernietigde beslissing op bezwaar van 7 augustus 2025 en verwezen naar het advies van de commissie. Er niet is gebleken van enige belangenafweging, laat staan dat de belangen van verzoeker zijn meegewogen.
11.2.
Het college heeft gesteld dat in het bestreden besluit voldoende is onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alle betrokken belangen zijn zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Verzoeker heeft niet naar voren gebracht in welk opzicht zijn belangen zijn geschaad.
11.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft met het bestreden besluit gemotiveerd dat het perceel een perceel betreft met daarop een woning. De garage wordt gerealiseerd in overeenstemming met de woonbestemming en brengt daar geen wijziging in. Verder is de aanleg van de verharding en de sloop van de schuur noodzakelijk voor het bouwen en kunnen gebruiken van de garage. Er is daarbij niet gebleken dat de omgevingsvergunning zal leiden tot een onevenredige aantasting van andere belangen, waaronder die van omwonenden zoals verzoeker.
11.4.
Bovendien dient het college enkel een beoordeling te maken of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter brengt in herinnering dat binnen de bestemming ‘Wonen’ de bouw en het gebruik van een garage is toegestaan. Er wordt enkel afgeweken van het bestemmingsplan voor zover wordt gehandeld in strijd met de regels die zien op de dubbelbestemming ‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’. Verzoeker heeft niet onderbouwd waarom zijn belang in dat kader onvoldoende door het college is meegewogen.
11.5.
Nu het college voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.

Bestreden besluit onvolledig

12. Verzoeker heeft betoogd dat het bestreden besluit onvolledig is. Met het bestreden besluit is de oude omgevingsvergunning van 2 december 2024 – en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen – ingetrokken. In het bestreden besluit zijn die overwegingen echter niet opnieuw opgenomen.
12.1.
Het college heeft gesteld dat het ervoor heeft gekozen om naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter de oude omgevingsvergunning in te trekken en een nieuw overzichtelijk en compleet besluit te nemen. Verzoeker heeft niet onderbouwd in welk opzicht de nieuwe omgevingsvergunning niet compleet zou zijn.
12.2.
Uit voorgaande overwegingen volgt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Verzoeker heeft niet concreet gemaakt welke overwegingen ontbreken in het bestreden besluit. Deze beroepsgrond daarom slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het college moet wel het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Dit omdat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, maar dit gebrek wordt gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Awb. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet

Artikel 1.1, eerste lid, van de Omgevingswet

activiteit, inhoudende:

een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;

Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: een omgevingsplanactiviteit.

Omgevingsplan (bestemmingsplan [bestemmingsplan] )

Artikel 12.1 van de planregels

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

wonen;

aan de woonfunctie ondergeschikte activiteiten in de vorm van:

aan huis verbonden beroepen of bedrijven;

gastouderschap;

tuinen, erven en verhardingen;

groenvoorzieningen;

nutsvoorzieningen;

ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

een bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedijf';

dienstverlening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening';

water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

alsmede voor:

de bescherming en instandhouding van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ (sba-rm) / ‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ (sba-gm) aangegeven gebouwen.

Artikel 12.2.3, onder c en f, van de planregels

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

c. Bij vrijstaande woningen dient tenminste aan één zijde van de zijstroken vrij van gebouwen en overkappingen te blijven.

f. Indien in afwijking van het bepaalde onder a en c ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan legaal een kleinere afstand aanwezig was dan wel de betreffende zijstrook niet (geheel) vrij van gebouwen en overkappingen was, mag die afstand respectievelijk situatie worden gehandhaafd.

Artikel 14.2 van de planregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen van deze gronden, mag aan de gronden en de bebouwing, voor zover gelegen binnen deze bestemming, geen verandering worden aangebracht in de bestaande situatie ten aanzien van de volgende karakteristieken en kenmerken:

rooilijnen;

(minimale en maximale) goothoogte van gebouwen, de bouwhoogte van gebouwen en de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

bouwmassa van gebouwen;

dakhelling van gebouwen.

Artikel 14.3 van de planregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 14.2, mits de door de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht te waarborgen belangen niet onevenredig worden aangetast.

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de commissie voor welstand en monumenten.

Artikel 14.4.1 van de planregels

Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in deze gronden gelegen bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen, verhardingen aan te leggen en bestaande paden en wegen te verleggen.

Artikel 14.4.2 van de planregels

De in sub 14.4.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien noodzakelijk voor het in de andere daar voorkomende bestemmingen toegestane gebruik van de grond, en in geval van gedeeltelijke sloop, indien door de sloopwerkzaamheden en/of aanlegwerkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied.

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.4.1 wordt advies ingewonnen bij de commissie voor welstand en monumenten omtrent de mogelijke aantasting van de karakteristiek van het beschermd dorpsgezicht.

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

ECLI:NL:RBZWB:2025:5946.

ECLI:NL:RBZWB:2026:472.

Zie voetnoot 3.

Artikel 22.1, aanhef en onder a en b, van de Omgevingswet.

Artikel 8:69a van de Awb.

Artikel 14.4.2, onder a, van het bestemmingsplan.

Artikel 14.4.2, onder b, van het bestemmingsplan.

ABRvS 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1897.

Zie hiervoor de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5946, r.o. 9.7.

Artikel 14.3, onder a, van het bestemmingsplan.

Artikel 14.3, onder b, van het bestemmingsplan.

Artikel 12.2.3, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan.

Artikel 12.2.3, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan.

Artikel 5.18, eerste lid, en artikel 5.21 van de Omgevingswet.

Artikel 22.1, onder c, in samenhang met artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit omgevingswet en het daarin opgenomen artikel 22.275 van het omgevingsplan. De rechtbank merkt op dat dit volgens het Staatsblad 2020, 400, geregeld wordt in artikel 22.281 van de bruidsschat.

Zie voetnoot 10.

Zie r.o. 8.5.

Artikel delen