Tussenuitspraak van de voorzieningenrechter. Handhavingsverzoek wegens geluidsoverlast van een pannaveldje. Overschrijding van het maximale geluidsniveau.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 March 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:1564
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2026
Datum publicatie
13-03-2026
Zaaknummer
BRE 25/6572 en BRE 25/6573
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBZWB:2026:1564text/xmlpublic2026-03-13T15:25:022026-03-09Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Zeeland-West-Brabant2026-03-09BRE 25/6572 en BRE 25/6573UitspraakVoorlopige voorzieningNLBredaBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1564text/htmlpublic2026-03-13T15:24:002026-03-13Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBZWB:2026:1564 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-03-2026 / BRE 25/6572 en BRE 25/6573 Tussenuitspraak van de voorzieningenrechter. Handhavingsverzoek wegens geluidsoverlast van een pannaveldje. Overschrijding van het maximale geluidsniveau.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 25/6572 en 25/6573
tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2026 op het beroep en op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers (gemachtigde: mr. M.J. Posset), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college. Samenvatting 1. Deze tussenuitspraak op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast afkomstig van het gebruik van het pannaveldje aan [straat 1] in [plaats] . Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van het handhavingsverzoek. 1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een gebrek vertoont en stelt het college in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt toegewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Verzoekers hebben op 19 maart 2024 het handhavingsverzoek bij het college ingediend. Het college heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 1 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 november 2025 op het bezwaar van verzoekers is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven. 2.1. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en mr. M. Verzandvoort en mr. S. Bijsterveld namens het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter Het pannaveldje
3. Verzoekers wonen op het [adres] . Direct naast de woning van verzoekers is in 2020 een pannaveldje van circa 8,5 x 12 meter aangelegd. Vanaf 2021 zijn bij de gemeente Oisterwijk klachten van omwonenden binnengekomen over het gebruik van dit pannaveldje. Deze klachten hebben met name, maar niet uitsluitend, betrekking op geluidsoverlast veroorzaakt door balspelen, zoals voetbal en hockey. 3.1. Naar aanleiding van deze klachten hebben onder meer meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen de gemeente en verzoekers. Daarnaast heeft de gemeente de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) verzocht om een geluidsonderzoek uit te voeren bij het pannaveldje. Op 19 juli 2022 heeft de OMWB een geluidsmeting uitgevoerd. De resultaten van deze meting zijn op 23 januari 2023 vastgelegd in een geluidsnotitie en getoetst aan het toetsingskader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In de geluidsnotitie is vastgesteld dat de grenswaarde voor de dagperiode tweemaal met maximaal 2 dB is overschreden. Bij toetsing aan de avondperiode bleek in meer dan de helft van de metingen sprake van een overschrijding, met een maximum van 7 dB. 3.2. Op 11 april 2023 heeft de OMWB opnieuw een geluidsmeting uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in de geluidsnotitie van 14 april 2023. Uit de metingen volgt dat de grenswaarde voor het maximale geluidsniveau wordt overschreden. Bij het schieten met een hockeybal is sprake van een spreiding van meer dan 10 dB tussen de gemeten pieken, waarbij de hoogste piek afgerond 79 dB(A) bedraagt. Het handhavingsverzoek
4. Verzoekers hebben het college verzocht handhavend op te treden wegens overschrijding van de eerder geldende geluidsnormen en de daaruit voortvloeiende overlast die zij ondervinden. Ter onderbouwing van dit verzoek hebben zij verwezen naar de door de OMWB in 2022 en 2023 uitgevoerde geluidsonderzoeken. 4.1. Het college heeft het verzoek afgewezen, omdat het van oordeel is dat geen sprake was van een overtreding. In dat verband is aan de hand van de door de OMWB uitgevoerde geluidsonderzoeken beoordeeld of het gebruik van het pannaveldje in strijd is met artikel 4:5 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oisterwijk (hierna: de APV). 4.2. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De bezwaarschriftencommissie van de gemeente Oisterwijk heeft daarover op 19 december 2024 een advies uitgebracht. 4.3. In maart 2025 zijn het college en verzoekers een mediationtraject gestart, waarbij is gekeken naar een alternatieve inrichting van het pannaveldje: zonder de mogelijkheid van balspelen, maar met andere speelelementen voor kinderen. Het mediationtraject is voortijdig beëindigd en heeft niet tot een oplossing geleid. 4.4. Vervolgens heeft het college de OMWB opnieuw verzocht het geluidsniveau bij het pannaveldje te onderzoeken. De OMWB heeft in de periode van 20 augustus tot en met september 2025 permanente geluidsmetingen uitgevoerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een notitie van 24 september 2025. In deze notitie is opgenomen dat als gevolg van de activiteiten op het pannaveldje, te weten voetbal en hockey, het maximale (piek)geluidsniveau varieert tussen 80 en 90 dB(A). Daarmee wordt de richtwaarde uit de (vervallen) Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna: de Handreiking), alsmede de normstelling uit het geldende Omgevingsplan gemeente Oisterwijk ruimschoots overschreden. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van hockey en voetbal blijft daarentegen (ruimschoots) onder de 40 dB(A). De maximale en langtijdgemiddelde geluidsniveaus als gevolg van roepen en schreeuwen van kinderen zijn niet getoetst aan de Handreiking of het Omgevingsplan. Stemgeluiden van spelende kinderen zullen immers altijd in enige mate aanwezig zijn. 4.5. In een door het college aangevraagde second opinion van [naam] van 17 november 2025 is op basis van de eerder uitgevoerde geluidsonderzoeken geconcludeerd dat het gebruik van het pannaveldje leidt tot maximale geluidsniveaus die de grenswaarden ruimschoots overschrijden. De geluidsoverlast wordt daarmee door [naam] zeer aannemelijk geacht. Voor deze situatie kunnen geen passende maatregelen worden gerealiseerd. 4.6. Met het bestreden besluit heeft het college de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Daaraan legt het college de notitie van de OMWB van 24 september 2025 en de second opinion van [naam] ten grondslag. Uit de geluidsmetingen volgt dat er overschrijdingen zijn van de piekgeluiden van balspelgeluiden. Voor het langtijdgemiddelde zijn er geen overschrijdingen geconstateerd voor zover dit ziet op het uitoefen van balspelen. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van de balspelgeluiden blijft onder de geluidsnormen. Verder overweegt het college dat het ontbreken van een passende speelplek in de [wijk] strijdig is met het lokale beleid. Bij het verdwijnen van het pannaveldje is er geen alternatieve locatie waar, met name oudere, kinderen balspelen kunnen beoefenen. Ook is het ontbreken van een passende speelplek strijdig met doelstellingen uit het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Ten slotte overweegt het college dat er binnen de wijk een breed gedragen wens is om het pannaveldje te behouden. Het beroep: BRE 25/6573
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat ook geen beletsel om uitspraak te doen in de beroepszaak. Artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt de voorzieningenrechter die mogelijkheid.
Welke verzoeks- en beroepsgronden voeren verzoekers aan?
6. Verzoekers stellen, samengevat, dat uit alle uitgevoerde geluidsonderzoeken blijkt dat sprake is van een onaanvaardbare overschrijding van de geldende geluidsnormen, waardoor hun woongenot langdurig wordt aangetast. Volgens verzoekers heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom desondanks van handhavend optreden wordt afgezien en is bovendien sprake van een onzorgvuldige belangenafweging. Met een enkele abstracte verwijzing naar het lokale beleid kon het college niet tot dit besluit komen. Daarnaast betreft volgens verzoekers artikel 31 van het IVRK een relatief recht en verplicht het niet om op deze locatie balspelen toe te staan. Verzoekers hebben er in dit kader op gewezen dat er in de [wijk] wel degelijk alternatieve speelplekken voor kinderen zijn. Wat is het toetsingskader?
7. De voorzieningenrechter overweegt dat het college pas bevoegd is om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding. In de Awb wordt onder een overtreding verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. 7.1. In artikel 4:5, eerste lid, van de APV staat dat het verboden is buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten, dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 7.2. In de APV is niet omschreven wanneer sprake is van geluidhinder. Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de APV komt het college beoordelingsvrijheid toe. Die beoordeling dient door de rechter terughoudend te worden getoetst. Dit ontslaat het college echter niet van de verplichting ter invulling van het begrip geluidhinder een normering te kiezen die bruikbaar is en recht doet aan de omstandigheden van het geval. 7.3. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat voor de vraag of sprake is van geluidhinder in de zin van artikel 4:5, eerste lid, van de APV, aansluiting wordt gezocht bij de Handreiking. De aanbevolen richtwaarden komen hierin overeen met de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde en maximale geluidsniveau zoals opgenomen in artikel 22.63 van het Omgevingsplan van de gemeente Oisterwijk. Het gaat hierbij om de volgende tabel: 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) Geluidshinder?
8. Verzoekers stellen dat uit de geluidsonderzoeken gebleken is dat het maximale geluidsniveau wordt overschreden. Daarmee is volgens hen sprake van een overtreding. Dat het langtijdgemiddelde geluidsniveau onder de norm zou blijven is irrelevant. Juist bij balspelen met harde impulsen – zoals hockey en voetbal – is immers het maximale geluidsniveau bepalend voor de hinder en overlast. Volgens verzoekers bevestigen zowel de OMWB als [naam] dat dit type overlast niet adequaat kan worden beoordeeld via gemiddelden. Het college had dus de feitelijke piekbelasting als beoordelingsgrondslag moeten hanteren. 8.1. Het college heeft tijdens de zitting het in het bestreden besluit ingenomen standpunt nader toegelicht en gesteld dat volgens hem geen sprake is van geluidshinder als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de APV. Daarbij heeft het college in algemene zin verwezen naar de geluidsrapporten. Omdat de APV geen concrete geluidsnormen bevat, is aansluiting gezocht bij de geluidsnormen uit de Handreiking als second-best normeringskader. Het college stelt dat geen sprake is van een overtreding. Hoewel de maximale geluidsniveaus worden overschreden, blijft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van de balspelgeluiden onder de geluidsnormen. Het college acht zich daarom niet bevoegd handhavend op te treden. 8.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat bij het gebruik van het pannaveldje voor balspelen de maximale geluidsniveaus uit de Handreiking worden overschreden. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of die overschrijding meebrengt dat sprake is van geluidshinder als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de APV, en daarmee van een overtreding waartegen het college handhavend bevoegd is op te treden. 8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een overtreding. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van het college aldus dat een overschrijding van maximale geluidsniveaus niet zonder meer betekent dat sprake is van geluidshinder in de zin van artikel 4:5, eerste lid, van de APV. Gelet op de beoordelingsruimte die het college toekomt bij de invulling van het begrip geluidshinder, is dat uitgangspunt op zichzelf niet onbegrijpelijk. 8.4. In het bestreden besluit heeft het college echter expliciet aansluiting gezocht bij de Handreiking. In de toelichting daarop staat dat geluiden die kortstondig optreden (maximale geluidsniveaus), in het algemeen als meer hinderlijk worden ervaren naarmate die verder boven het equivalente geluidsbeeld (de achtergrond) uitkomen. Gestreefd dient te worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige equivalente geluidsniveau uitkomen. 8.5. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de geluidsmetingen, zoals vastgelegd in de notitie van de OMWB van 24 september 2025, blijkt dat aan het begin van de avondperiode (19:00 – 23:00 uur) gedurende 34 minuten meer dan 70 momenten zijn geregistreerd waarop het maximale geluidsniveau boven de 65 dB(A) uitkwam, met maximale geluidsniveaus van 85 dB(A). Daarmee wordt de richtwaarde uit de Handreiking wat betreft het maximale geluidsniveau ruimschoots overschreden. Uit de second opinion van [naam] blijkt eveneens dat het gebruik van het pannaveldje leidt tot maximale geluidsniveaus die de grenswaarden ruimschoots overschrijden. Volgens de second opinion wordt de geluidsoverlast daarmee zeer aannemelijk geacht. In de second opinion staat ook dat voor deze situatie geen passende maatregelen zijn te dimensioneren. 8.6. Gelet op de toelichting bij de Handreiking, de gemeten overschrijdingen en de conclusies uit de second opinion, is het standpunt van het college onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat onder meer sprake is van een overschrijding van het maximale geluidsniveau in de avondperiode tot 20 dB(A). Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom het college met name verwijzend naar het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau tot de conclusie komt dat geen sprake is van een overtreding van artikel 4:5, eerste lid, van de APV. Om die reden is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd.
Conclusie 8.7. Op basis van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb heeft de voorzieningenrechter bij toepassing van dit artikel dezelfde uitspraakbevoegdheden als de rechtbank in de beroepszaak. Dit houdt in dat de voorzieningenrechter in de beroepszaak ook het college in de gelegenheid kan stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen door middel van een tussenuitspraak. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken. 8.8. Het college kan het gebrek herstellen door middel van een aanvullende motivering of met een nieuw besluit op bezwaar na – of gelijktijdig met – intrekking van het nu voorliggende bestreden besluit. Indien het college het standpunt handhaaft dat geen sprake is van een overtreding, zal het dit, in het licht van wat hiervoor onder 8.3 en verder is overwogen, deugdelijk moeten motiveren. Indien het college tot de conclusie komt dat wel sprake is van een overtreding, geldt de beginselplicht tot handhaving. De door partijen aangevoerde belangen en argumenten kunnen in dat geval worden betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestaat om van handhaving af te zien. De voorzieningenrechter bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. 8.9. Het college moet uiterlijk binnen twee weken meedelen aan de voorzieningenrechter of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de voorzieningenrechter verzoekers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. De voorzieningenrechter zal in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 8.10. De voorzieningenrechter overweegt verder nog dat het geschil na deze tussenuitspraak in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die hiervoor zijn besproken. Het inbrengen van nieuwe geschilpunten wordt over het algemeen in strijd met de goede procesorde geacht. 8.11. Behoudens de beoordeling van het schadevergoedingsverzoek hierna, houdt de voorzieningenrechter iedere verdere beslissing in de beroepszaak aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat hij over de proceskosten en het griffierecht in de beroepszaak nu nog geen beslissing neemt. Het verzoek om schadevergoeding
9. Verzoekers hebben ook verzocht om een vergoeding van de schade die is ontstaan vanwege het gebruik van het pannaveldje. 9.1. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb de mogelijkheid bestaat een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Deze schade is niet het gevolg van het gebrekkige besluit op hun bezwaar. De door verzoekers gestelde schade heeft betrekking op de periode vóór het bestreden besluit. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Het verzoek om voorlopige voorziening: BRE 25/6572
10. De voorzieningenrechter komt nu toe aan een beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Bij het beoordelen van de vraag of er aanleiding is een voorlopige voorziening toe te wijzen, moet de voorzieningenrechter naast de beantwoording van de vraag of naar zijn voorlopig oordeel sprake is van een overtreding een belangenafweging maken. De voorzieningenrechter weegt alsdan het belang van verzoekers bij schorsing van het bestreden besluit af tegen het belang van het college om niet handhavend op te treden. 10.1. Verzoekers voeren aan dat zij al sinds 2020 dagelijks en structureel ernstige geluidsoverlast ervaren. Deze overlast doet zich met name in de namiddag- en avonduren alsmede in de weekenden voor en leidt tot een ernstige aantasting van hun woongenot. Zij benadrukken dat zij niet verzoeken om een verwijdering van het pannaveldje, maar om beëindiging van de overlastgevende balspelen. Verzoekers verzoeken de voorzieningenrechter het college te gelasten voorlopig handhavend op te treden, bijvoorbeeld door het buiten gebruik stellen van het pannaveldje voor balspelen. 10.2. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor onder 8.3 en verder heeft geoordeeld, heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een overtreding. Daarmee staat op dit moment echter nog niet vast dat sprake is van een overtreding. Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet de voorzieningenrechter echter een voorlopig oordeel geven. Gelet op de gemeten overschrijdingen van de richtwaarden uit de Handreiking en de conclusies in de second opinion is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat sprake is van een overtreding van artikel 4:5, eerste lid, van de APV. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil staat dat het maximale geluidsniveau uit de Handreiking ruimschoots wordt overtreden door het gebruik van het pannaveldje met balspelen. De voorzieningenrechter wijst erop dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft zodat hij daar bij het doen van einduitspraak niet aan gebonden is. Beginselplicht tot handhaving 10.3. In vaste rechtspraak wordt een beginselplicht tot handhaving aangenomen. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. 10.4. In het bestreden besluit heeft het college aan zijn oordeel dat geen sprake is van een overtreding ook een aantal belangen ten grondslag gelegd. Nu de voorzieningenrechter in het kader van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening aanneemt dat sprake is van een overtreding, zal hij deze belangen betrekken bij de belangenafweging. 10.5. Het college heeft gesteld dat het algemene belang en de rechten en ontwikkeling van de kinderen die gebruik maken van het speelveld zwaarder wegen dan het belang van verzoekers. Daarbij wijst het college erop dat verzoekers wonen in een kinderrijke buurt met veelal jonge gezinnen. Volgens het college zal een verbod op balspelen op het pannaveldje het ervaren geluid niet wegnemen. Kinderen zullen in dat geval uitwijken naar de straat of de stoep, mogelijk direct naast het pannaveldje. Verder heeft het college gemotiveerd dat binnen de [wijk] geen alternatieve locatie beschikbaar is waar met name oudere kinderen balspelen kunnen beoefenen. In andere kinderrijke wijken in [plaats] zijn volgens het college pannaveldjes van vergelijkbare grootte aangebracht op een vergelijkbare afstand van de woningen. Als voorbeeld noemt het college de ‘ [locatie 1] ’ aan de [straat 2] . Het college geeft aan dat ten aanzien van dit pannaveldje geen klachten zijn ontvangen. 10.6. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van het college aldus dat, ook indien sprake is van een overtreding, van handhavend optreden in dit geval moet worden afgezien. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Daarbij is van belang dat verzoekers niet verzoeken om verwijdering van het pannaveldje, maar uitsluitend om het beëindigen van balspelen. Het is niet uitgesloten dat in de omgeving van hun woning ook bij een verbod op balspelen op het pannaveldje nog balgeluiden zullen voorkomen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is echter aannemelijk dat het structurele en intensieve karakter van het gemeten maximale geluidsniveau daarmee zal verminderen, zodat de geluidshinder voor verzoekers in aanzienlijke mate wordt beperkt. 10.7. Verzoekers hebben gewezen op [locatie 2] in een aangrenzende wijk, op ongeveer zeven minuten loopafstand en twee minuten fietsafstand van het pannaveldje. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit veldje in elk geval voor een deel van de doelgroep een bereikbaar alternatief vormt. Dat dit veldje, hoewel groter, minder aantrekkelijk is omdat er geen sprake is van kunstgras, weegt de voorzieningenrechter minder zwaar. Ten aanzien van het door het college genoemde pannaveldje bij de ‘ [locatie 1] ’ is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie. Door verzoekers is in dit kader terecht aangevoerd dat deze speeltuin kleiner is en verder van woningen ligt. Bovendien zijn daar geen geluidsmetingen uitgevoerd. 10.8. Zoals tijdens de zitting besproken, is niet duidelijk op welk lokaal beleid het college precies doelt. Gelet op de toelichting van het college gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het de Visie Openbare Ruimte [plaats] betreft. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan het belang dat het college, onder verwijzing naar dit beleid, wil dienen ook worden bereikt door het pannaveldje te behouden zonder het toestaan van balspelen. Dat er verder kosten verbonden zijn aan maatregelen die verhinderen dat het pannaveldje voor balspelen wordt gebruikt, is zonder meer geen omstandigheid die aan het treffen van maatregelen in de weg staat. Conclusie 10.9. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter begrijp dat volgens het college afsluiting van het veldje, al dan niet gedurende bepaalde tijdsloten, of het plaatsen van verbodsborden niet effectief zal zijn omdat daarmee niet of nauwelijks kan worden voorkomen dat balspelen worden uitgeoefend. De voorzieningenrechter zal daarom algemener bepalen dat het college maatregelen dient te treffen die het gebruik van het pannaveldje voor balspelen tot de einduitspraak verhinderen. Het is aan het college om te bepalen welke concrete maatregel(s) geschikt zijn om het gebruik van het pannaveldje voor balspelen te stoppen. Dit doel kan wellicht bereikt worden met minder vergaande maatregelen dan het plaatsen van nieuwe speeltoestellen. Te denken valt aan het plaatsen van andere, tijdelijke obstakels op het pannaveldje die balspelen effectief verhinderen. Conclusie en gevolgen BRE 25/6573
11. De voorzieningenrechter concludeert dat, zoals hiervoor overwogen onder 8.3 en verder, het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, omdat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een overtreding. Het college krijgt de kans dit gebrek te herstellen op de onder 8.5 uiteengezette wijze. BRE 25/6572
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Dit betekent dat het pannaveldje tot de einduitspraak niet gebruikt mag worden voor balspelen en het college daartoe effectieve maatregelen moet treffen. 12.1. Omdat het verzoek wordt toegewezen moet het college het griffierecht van € 194,- aan verzoekers vergoeden en krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. 12.2. Verder komen op grond van het Bpb ook de verletkosten van verzoekers voor vergoeding in aanmerking. 12.3. Verzoekers hebben verzocht een totaalbedrag van € 353,41 aan verletkosten voor 4 uur (eiser [verzoeker 1] ) en 5 uur (eiseres [verzoeker 2] ) te vergoeden. Ter onderbouwing hebben zij loonstroken overgelegd waaruit hun uurlonen blijken. De verletkosten blijven binnen de grenzen van het Besluit proceskosten bestuursrecht en komen daarom voor vergoeding in aanmerking. 12.4. Daarnaast komen de opgevoerde reiskosten van € 31,20 eveneens voor vergoeding in aanmerking. 12.5. In totaal moet het college dus een bedrag van € 2.252,61 aan proceskosten vergoeden. Beslissing BRE 25/6572 De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot de definitieve uitspraak in de hoofdzaak;
- gelast het college om zodanige maatregelen treffen die het balspelen op het pannaveldje naast het huis van verzoekers verhinderen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- voor het verzoek om voorlopige voorziening aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.252,61 aan proceskosten aan verzoekers. BRE 25/6573 De voorzieningenrechter:
- draagt het college op binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt verzoekers in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van de herstelpoging daarop te reageren;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 9 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen de uitspraak in de voorlopige voorziening BRE 25/6572 staat geen hoger beroep of verzet open.
Tegen de tussenuitspraak in de beroepszaak BRE 25/6573 staat nog geen hoger beroep open. Hoger beroep tegen deze tussenuitspraak kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 september 2024, ECLI:NL:RBROT2024:10042. Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:80a van de Awb. Afdeling 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2972, r.o. 5. Artikel 1, aanhef en onder e in samenhang met artikel 2, eerste lid, onder e van Bpb.