Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:1593

Watervergunning. Gesplitste aanvraag in de zin van artikel 5.7 van de Omgevingswet. Het waterschap heeft beslist op de aanvraag die voorlag en kan bij de beoordeling alleen waterstaatkundige belangen betrekken. Ook is voldaan aan het aanvraagvereiste om aan te geven of is geparticipeerd. Beroep ongegrond.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:1593 text/xml public 2026-03-18T09:00:27 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-10 BRE 25/1991 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1593 text/html public 2026-03-17T12:31:33 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1593 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-03-2026 / BRE 25/1991
Watervergunning. Gesplitste aanvraag in de zin van artikel 5.7 van de Omgevingswet. Het waterschap heeft beslist op de aanvraag die voorlag en kan bij de beoordeling alleen waterstaatkundige belangen betrekken. Ook is voldaan aan het aanvraagvereiste om aan te geven of is geparticipeerd. Beroep ongegrond.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/1991
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen [eisers] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R.E. Izeboud),

en
het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen, het waterschap.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] B.V., uit Kamperland (vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een door het waterschap aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het verplaatsen van een uitweg en het aanbrengen van een bouwwerk aan de [adres] in [woonplaats] . Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het waterschap de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 11 februari 2025, verzonden op 18 februari 2025, op het bezwaar van eisers laat het waterschap de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning in stand, onder verbetering van de motivering.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het waterschap heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en mr. F. Smit en [gemachtigde] namens het waterschap.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 19 februari 2024 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. De aanvraag voorziet in het aanbrengen van een dam met duiker, het verlengen van het leggerwater, het aanbrengen van een rioleringsbuis en het plaatsen van een bouwwerk (woning) binnen de beschermingszone van een leggerwater. De bouwlocatie staat kadastraal bekend als perceel [perceel] , in [woonplaats] .
3.1.
In overleg met het college heeft vergunninghouder de aanvraag gewijzigd op onderstaande punten:

Het bouwwerk wordt geplaatst op minimaal 5,00 meter uit de insteek van het leggerwater;

De uitweg aan de noordoostkant van het perceel wordt verwijderd;

Het leggerwater wordt verlengd in noordoostelijke richting;

Er worden geen beplanting en obstakels aangebracht langs het leggerwater;

Er wordt bestrating aangebracht op de onderhoudsstrook van het leggerwater.
3.2.
Met het besluit van 25 juli 2024 heeft het waterschap de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
3.3.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eisers wonen op het adres [adres] in [woonplaats] , aangrenzend aan de bouwlocatie.
3.4.
Op 2 januari 2025 heeft de Commissie behandeling bezwaren waterschap Scheldestromen een advies uitgebracht aan het waterschap.
3.5.
Met het bestreden besluit heeft het waterschap het bezwaar ongegrond verklaard, onder overneming van het advies van de commissie. Het bestreden besluit wordt in stand gelaten met verbetering van de motivering in die zin dat:

er een rapport van een hydroloog ten grondslag is gelegd aan de overweging in de omgevingsvergunning over de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse;

het voorschrift over de verlenging van de waterloop over de verlenging van de secundaire waterloop met één meter in noordoostelijke richting is geconcretiseerd;

de verlenging van de waterloop in de omgevingsvergunning niet afhankelijk is gesteld van instemming van de gemeente Schouwen-Duiveland.

Toetsingskader

4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden.
4.1.
In artikel 5.3 van de Omgevingswet is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de waterschapsverordening is bepaald.
4.2.
De aanvraag van vergunninghouder ziet op activiteiten waarvoor op grond van de Waterschapsverordening Scheldestromen 2022 (hierna: de Waterschapsverordening) een omgevingsvergunning is vereist. Partijen zijn het erover eens dat voor deze activiteiten op grond van de Omgevingswet en de Waterschapsverordening een vergunningplicht geldt.
4.3.
De Nota vergunningenbeleid waterbeheer Scheldestromen 2012 (hierna: de Nota vergunningenbeleid) is vastgesteld voor de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning in het kader van het waterbeheer.
4.4.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Wat voeren eisers aan?

5. Eisers voeren ten eerste aan dat het bestreden besluit voorbarig is. Daarnaast stellen zij dat de vergunning is gebaseerd op onjuiste informatie. Ook betogen zij dat niet is voldaan aan de participatieverplichting uit de Omgevingswet. Tot slot zijn eisers het niet eens met de aanleg van de dam met duiker en de omvang van de obstakelvrije onderhoudsstrook.

Voorbarig besluit en voorschriften

6. Eisers stellen dat de omgevingsvergunning is verleend voor diverse activiteiten, waaronder het bouwen van een bouwwerk en het aanleggen van een uitrit, terwijl de benodigde omgevingsvergunning nog niet door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: het college) is verleend. De door het waterschap verleende omgevingsvergunning is daarom voorbarig en onnodig. Eisers wijzen erop dat met deze omgevingsvergunning door vergunninghouder onomkeerbare schade wordt toegebracht aan het perceel, de aangrenzende watergang en de aanwezige beplanting. Dit had door het waterschap ook ondervangen kunnen worden door passende voorschriften in de vergunning op te nemen, zoals de voorwaarde dat vergunninghouder alleen gebruik mag maken van de vergunning zodra de door het college te verlenen omgevingsvergunning onherroepelijk is.
6.1.
Het waterschap stelt dat regelgeving en ambtelijk advies van de gemeente niet tot het beoordelingskader van het waterschap behoort, en dus niet bij de beoordeling kan worden betrokken. Een vergunning kan niet worden geweigerd omdat een ander bevoegd gezag een andere vergunning voor hetzelfde plan mogelijk niet gaat verlenen. Dat komt voor rekening en risico van de aanvrager.
6.2.
De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het waterschap de waterschapvergunning nog niet mocht verlenen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat artikel 5.7 van de Omgevingswet het mogelijk maakt om omgevingsvergunningen voor verschillende activiteiten los van elkaar aan te vragen. Een initiatiefnemer kan dus een gesplitste aanvraag indienen, waarbij twee bestuursorganen ieder zelfstandig besluiten op de voorliggende aanvragen. Waterschappen kunnen als functionele bestuursorganen geen bevoegdheden uitoefenen die buiten hun takenpakket vallen en kunnen zonder deze scheiding niet besluiten op meervoudige aanvragen waarbij andere dan wateractiviteiten zijn betrokken. Het is aan de aanvrager om te bepalen waarvoor en wanneer hij een bepaalde vergunning wil aanvragen. De rechtbank begrijpt uit hetgeen eisers hebben aangevoerd dat het college nog moet beslissen over de aangevraagde bouwvergunning en dat eisers in elk geval bezwaren hebben tegen het verlenen daarvan. Op een geschil over het al dan niet verlenen van die vergunning kan de rechtbank in deze procedure, gelet op het systeem van de wet, niet vooruitlopen. Voor deze situatie geldt bovendien geen verplichte coördinatie tussen de vergunning voor de wateractiviteit en de vergunning voor het bouwen. De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
Ten aanzien van wat eisers hebben aangevoerd in het kader van vergunningsvoorschriften, oordeelt de rechtbank als volgt. Het waterschap kan niet beoordelen wat een ander bestuursorgaan nog zou moeten doen of welke vergunningen vergunninghouder nodig heeft om zijn project uit te voeren. De voorgestelde vergunningvoorschriften zijn daarom niet mogelijk binnen het toetsingskader van het waterschap. De rechtbank wijst er in dit verband bovendien op dat volgens de systematiek van de wet het project pas kan worden uitgevoerd zodra alle benodigde vergunningen zijn verleend. Dat komt voor rekening en risico van de aanvrager. De beroepsgrond slaagt niet.

Onjuist bouwplan

7. Eisers stellen dat uit de door de gemeente gepubliceerde ontwerpvergunning blijkt dat het onderliggende bouwplan voorziet in het realiseren van een nieuwe uitrit aan de noordoostkant van het perceel, in plaats van aan de door het waterschap vergunde (zuid)westzijde. Volgens eisers geeft dit bouwplan de daadwerkelijke bedoeling van de vergunninghouder aan. Daaruit volgt volgens hen dat het bestreden besluit gebaseerd is op onjuiste informatie. Eisers wijzen in dit verband op artikel 1.13, tweede lid, onder b, van de Waterschapsverordening waaruit volgt dat bij het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens een verleende omgevingsvergunning kan worden gewijzigd dan wel geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.
7.1.
Het waterschap stelt dat het de omgevingsvergunning heeft beoordeeld en verleend op basis van wat is aangevraagd. Ambtshalve kan het daarbij niet een aanvraag bij de gemeente betrekken. Als achteraf blijkt dat anders is aangelegd dan vergund dan kan dit aanleiding zijn voor handhavend optreden.
7.2.
De rechtbank volgt het waterschap in dit standpunt. Het waterschap heeft beslist op de aanvraag die voorlag. Als vergunninghouder bij verschillende bestuursorganen vergunningen aanvraagt die niet op elkaar aansluiten of op verschillende gegevens zijn gebaseerd, loopt hij het risico dat één of meer vergunningen strijdig en onbruikbaar zijn. Verder wijst de rechtbank erop dat het door eisers genoemde artikel 1.13 van de Waterschapverordening in dit geval niet van toepassing is. Dit artikel ziet namelijk op een besluit over een afzonderlijk verzoek tot intrekking en niet op een heroverweging in de bezwaarprocedure van eisers. De beroepsgrond slaagt niet.

Participatie

8. Eisers stellen dat op grond van de Omgevingswet de aanvrager bij het indienen van zijn aanvraag gegevens en bescheiden moet verstrekken waaruit blijkt dat participatie heeft plaatsgevonden. Dat wordt op de website van het Waterschap Scheldestromen ook nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Hiermee wordt volgens eisers de suggestie gewekt dat het waterschap besloten heeft om participatie, in afwijking van de Omgevingsregeling, verplicht te stellen. Er heeft volgens eisers ten onrechte geen participatie plaatsgevonden.
8.1.
Het waterschap stelt dat eisers de tekst op de website onjuist hebben geïnterpreteerd. Met deze tekst wordt toegelicht hoe het waterschap invulling geeft aan de onder de Omgevingswet geldende verplichting tot participatie. Daarbij wordt aangegeven dat aanvragers wordt gevraagd of zij in de voorbereiding van hun initiatief aan participatie hebben gedaan en, zo ja, wat de uitkomsten daarvan zijn. Dit is bedoeld om participatie te stimuleren, maar vormt geen indienings- of beoordelingsvereiste voor het in behandeling nemen of beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning. Verplicht toe te passen participatie geldt uitsluitend voor projecten van het waterschap zelf, zoals dijkversterkingsprojecten. Daarvan is in dit geval geen sprake.
8.2.
De rechtbank overweegt dat volgens het systeem van de Omgevingswet het een aanvraagvereiste is om aan te geven of is geparticipeerd. De rechtbank stelt vast dat in de aanvraag is vermeld dat voorafgaand aan de indiening daarvan contact met anderen heeft plaatsgevonden. Daarbij is ook opgenomen dat hoe anderen zijn betrokken en welke reacties daarop zijn ontvangen geen openbare informatie betreft. De rechtbank is van oordeel dat met hetgeen is opgenomen in de aanvraag over participatie is voldaan aan de vereisten van de Omgevingsregeling. Dat op de website van het waterschap informatie staat die andere verwachtingen kan wekken, vormt geen aanleiding om hiervan af te wijken. De wet biedt daarvoor geen mogelijkheid. Evenwel heeft het waterschap tijdens de zitting aangegeven dat de website zal worden aangepast om verwarring te voorkomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Aanbrengen dam met duiker en obstakelvrije zone

9. Eisers voeren aan dat de beoogde locatie voor de dam met duiker zich bevindt ter hoogte van de aanwezige boom. Deze zal noodzakelijkerwijs gekapt moeten worden en dat vinden eisers onaanvaardbaar. Het uiterlijk aanzien en de natuurwaarden van de betrokken straat worden fors aangetast. Verder stellen eisers dat de omgevingsvergunning geen stand kan houden, omdat daarmee de bestaande dam in stand wordt gelaten en een nieuwe dam wordt toegestaan waardoor sprake is van twee ontsluitingen op hetzelfde perceel. Dat is in strijd met artikel 3.1.4 van de Nota vergunningenbeleid. Eisers zijn het evenmin eens met de lengte van de buisleidingen. Deze wordt uitgebreid van 3 meter naar 9,6 meter en daarvoor bestaat geen enkele noodzaak, omdat deze enkel voor de ontsluiting van één woonhuis dient. Eisers voeren tot slot aan dat de onderhoudsstrook met bestrating een oppervlakte van ongeveer 200 m2 in beslag neemt. Dit doet volgens hen ernstig afbreuk aan de huidige ruimtelijke uitstraling van het perceel en de omgeving. Ook bestaat daar geen noodzakelijkheid voor.
9.1.
Het waterschap stelt dat de boom staat op de grond die kadastraal eigendom is van de gemeente. De gemeente is bevoegd gezag ten aanzien van de kap van de boom. Verder stelt het waterschap dat de vergunning niet in strijd is met de Nota vergunningenbeleid. Ten aanzien van de onderhoudsstrook stelt het waterschap dat vergunninghouder voornemens is daarop twee parkeerplaatsen met bestrating aan te leggen. Op deze aanvraag is beslist, waarbij de voorwaarde is gesteld dat de bestrating een aslast van minimaal 12 ton moet kunnen dragen.
9.2.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vergunning uitsluitend waterstaatkundige belangen kunnen worden betrokken. De op het perceel aanwezige boom en het uiterlijk aanzien van de straat maken, naar het oordeel van de rechtbank, geen onderdeel uit van het toetsingskader van het waterschap. Wat eisers in dit verband hebben aangevoerd treft daarom geen doel.
9.3.
Tijdens de zitting heeft het waterschap toegelicht dat er één dam zal worden aangelegd en dat de aanwezige dam zal worden verwijderd. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit niet tot strijd met artikel 3.1.4 van de Nota vergunningenbeleid. In dat artikel is ook vastgelegd dat de toegestane lengte van buisleidingen bij een dam 14,40 meter bedraagt. De aangevraagde uitbreiding van 9,60 meter blijft ruimschoots binnen deze limiet, zodat ook op dit punt geen sprake is van strijd met de Nota vergunningenbeleid. Het waterschap heeft verder toegelicht dat de aan te brengen verharding ongeveer 4 meter breed zal worden voor de toegang van het onderhoudsmaterieel. De rechtbank merkt daarover op dat de verharding van uitweg buiten de watervergunning valt en een zaak is van het college.
9.4.
De rechtbank overweegt dat in de vergunningsvoorschriften is opgenomen dat op de beschermingszone (onderhoudsstrook), indien daarvan gebruik gemaakt wordt, bestrating kan worden aangebracht. De fundering en constructie van deze bestrating wordt constructief voldoende zwaar uitgevoerd zodat deze minimaal 12 ton aslast kan dragen. Hieruit volgt echter niet dat vergunninghouder verplicht is de volledige oppervlakte van de onderhoudsstrook te benutten of volledig te bestraten. Het waterschap heeft geen verplichting opgelegd tot volledige bestrating.
9.5.
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 10 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet

Artikel 5.3

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de waterschapsverordening is bepaald.

Artikel 5.7, tweede lid Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4.

Omgevingsregeling

Artikel 7.4

Bij de aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken.

Als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen 2022 (Waterschapsverordening)

Artikel 1.13

Een aangevraagde vergunning kan door het dagelijks bestuur van het waterschap worden geweigerd.

Een verleende vergunning kan door het dagelijks bestuur van het waterschap worden gewijzigd dan wel geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien:

de van toepassing zijnde beoordelingsregels dat vorderen;

de vergunning is verleend ten gevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens;

de voorschriften, als bedoeld in artikel 1.12 niet worden nageleefd; en

gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar geen gebruik is gemaakt van de vergunning of van de werken die daarin worden toegestaan.

Artikel 5.2, voor zover relevant

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap oppervlaktewaterlichamen te dempen, van afmetingen te veranderen, hun onderlinge verbinding of scheiding te veranderen.

4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap werken over, in of onder een leggerwater te hebben, te leggen, aan te brengen, te veranderen of op te ruimen.

15. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een beschermingszone oppervlaktewaterlichaam door daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten die de gebruikelijke wijze van uitvoering van het onderhoud aan een leggerwater kunnen belemmeren.

Nota vergunningenbeleid waterbeheer Scheldestromen 2012 (Nota vergunningenbeleid)

3.1.4 Criteria bij aanleg/wijziging dammen en buisleidingen (voor zover relevant)

Onderstaande criteria gelden voor dammen in leggerwateren. Ook voor het aanleggen/wijzigen van een dam of buisleiding in een overig oppervlaktewaterlichaam is een vergunning van het dagelijks bestuur noodzakelijk. Gelet op de aard van deze wateren zal hiervoor maatwerk worden verricht.

Criteria:

ten behoeve van de ontsluiting is bij secundaire en tertiaire leggerwateren maximaal één dam per 6 hectare toegestaan waarbij men voor elk perceel recht heeft op een ontsluiting. De verminderde waterberging hoeft in dit geval niet te worden gecompenseerd. Streven is zoveel mogelijk gezamenlijke dammen aan te leggen die twee percelen ontsluiten, zeker binnen het stedelijk gebied;

afstand tussen de buisleidingen dient minimaal 6 meter te bedragen;

toegestane lengte van buisleidingen

bij een dam ten behoeve van het perceel van één eigenaar/gebruiker maximaal 14,40 meter;

bij een gezamenlijke dam waarbij meerdere percelen kunnen worden ontsloten maximaal 19,20 meter;

indien dit om verkeerstechnische redenen noodzakelijk is, kan een langere lengte dan 14,40 meter worden toegestaan, maar in beginsel niet langer dan 19,20 meter, ook niet indien meerdere percelen worden ontsloten;

[…].

Zie artikel 5.2, tweede, vierde en vijftiende lid, van de Waterschapsverordening.

Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling.

Artikel delen