Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:2129

Kleiduivenschietbaan. Dit verzoek gaat over twee lasten onder dwangsom. Een last onder dwangsom vanwege het niet voldoen aan de vereiste veiligheidszone en het ontbreken van een (deugdelijke) akoestische rapportage. Een last onder dwangsom vanwege het ontbreken van een juiste schotenregistratie om aan te kunnen tonen dat aan de geluidsnormen wordt voldaan.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 March 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:2129 text/xml public 2026-03-24T15:54:06 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-23 26/1012 en 26/1013 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2129 text/html public 2026-03-24T13:44:01 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2129 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-03-2026 / 26/1012 en 26/1013
Kleiduivenschietbaan. Dit verzoek gaat over twee lasten onder dwangsom. Een last onder dwangsom vanwege het niet voldoen aan de vereiste veiligheidszone en het ontbreken van een (deugdelijke) akoestische rapportage. Een last onder dwangsom vanwege het ontbreken van een juiste schotenregistratie om aan te kunnen tonen dat aan de geluidsnormen wordt voldaan.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 26/1012 en 26/1013
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026 in de zaken tussen [verzoeker 1] B.V., uit [plaats 1] , verzoeker in de zaak 26/1012
(gemachtigde: mr. R.C. van Wamel),
[verzoeker 2] V.O.F., uit [plaats 2] , verzoeker in de zaak 26/1013
(gemachtigde: mr. R.C. van Wamel),

hierna samen aangeduid als verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, het college

(gemachtigde: mr. S. Delen).

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:

omwonenden schietinrichting [naam] , uit [plaats 3] (de omwonenden)

het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen, uit Essen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de kleiduivenschietbaan [naam] aan de [adres 1] . De voorzieningenrechter beoordeelt of het college een last onder dwangsom op mocht leggen aan [verzoeker 1] B.V. vanwege het niet voldoen aan de vereiste veiligheidszone en het ontbreken van een (deugdelijke) akoestische rapportage en aan [verzoeker 2] V.O.F. vanwege het ontbreken van een juiste schotenregistratie om aan te kunnen tonen dat aan de geluidsnormen wordt voldaan. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben een bezwaarschrift ingediend. Zij hebben ook om voorlopige voorzieningen verzocht en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij voorlopige voorzieningen zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek van [verzoeker 2] V.O.F. toe en wijst het verzoek van [verzoeker 1] B.V. af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met de bestreden besluiten van 19 januari 2026 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoeker 1] B.V. en aan [verzoeker 2] V.O.F. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen.
2.1.
Het college heeft op 10 februari 2026 ingestemd met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter en heeft de bezwaarschriften doorgestuurd naar de rechtbank. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers: 26/1161 en 26/1162. De rechtbank heeft (nog) geen toepassing gegeven aan artikel 8:54a, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.2.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. De omwonenden hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, [persoon 1] ( [verzoeker 2] V.O.F.), [persoon 2] ( [verzoeker 1] B.V.) en [persoon 3] ( [verzoeker 1] B.V.). Namens het college zijn de gemachtigde van het college en mr. J.J.M. Hermans verschenen, vergezeld door [persoon 4] (Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant). Namens de omwonenden zijn verschenen [persoon 5] en [persoon 6] . Voor de zitting heeft een vertegenwoordiger van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen laten weten niet aanwezig te zullen zijn.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De feiten

3. De schietbaan is vanaf 1965 gevestigd op het perceel aan de [adres 1] en bestaat onder andere uit een skeet-, trap- en hazenbaan. [verzoeker 1] B.V. heeft de schietbaan medio 2021 overgenomen, inclusief een perceel bosgebied aan de noordzijde van de schietbaan. Omwonenden hebben op 1 mei 2024 een handhavingsverzoek bij het college ingediend omdat zij geluidsoverlast van de schietbaan ervaren. Op 18 december 2024 heeft ook het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen een handhavingsverzoek tegen de schietbaan bij het college ingediend.
3.1.
Bij besluit van 19 februari 2025 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd gericht aan de schietbaan, ter attentie van [persoon 1] . De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft dit besluit geschorst in de uitspraak van 7 april 2025, omdat uit het besluit van 19 februari 2025 niet duidelijk volgt wie als overtreder is aangeschreven.
3.2.
Na deze uitspraak heeft het college op 29 april 2025 een herstelbesluit genomen waarmee de in het besluit van 19 februari 2025 opgelegde lasten onder dwangsom rechtstreeks aan [persoon 1] zijn opgelegd. Met de beslissing op bezwaar van 8 juli 2025 heeft het college dit herstelbesluit in stand gelaten. De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft deze beslissing op bezwaar in de uitspraak van 14 november 2025 vernietigd en de besluiten van 19 februari 2025 en 29 april 2025 herroepen omdat de beslissing op bezwaar in strijd is met de toepasselijke normadressaten. In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter het college opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de handhavingsverzoeken van 1 mei 2024 en 18 december 2024.
3.3.
Op 10 en 19 december 2025 hebben hercontroles plaatsgevonden. Het college heeft vervolgens op 23 december 2025 twee afzonderlijke voornemens verzonden aan verzoekers waarin de voornemens kenbaar zijn gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen aan [verzoeker 1] B.V. en aan [verzoeker 2] V.O.F. In deze brieven is een termijn van twee weken gegeven om een zienswijze in te dienen. Op 31 december heeft [verzoeker 2] V.O.F. op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Namens [verzoeker 1] B.V. is geen reactie gegeven op het voornemen. Vervolgens heeft het college de bestreden besluiten genomen.

Het bestreden besluit in de zaak 26/1012

4. Het college heeft aan [verzoeker 1] B.V. een last onder dwangsom opengelegd vanwege:

Overtreding van artikel 4.708 in samenhang van 3.312 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), omdat de onveilige zone voor de skeetbaan en de trapbaan niet voldoet aan de afstandseisen en niet ligt binnen de afgebakende begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Bovendien is niet geborgd dat tijdens het schieten geen personen aanwezig zijn in het gebied waarin de hagel afkomstig uit vuurwapens kan neerkomen (de onveilige zone).

Overtreding van artikel 22.60 in samenhang met 22.61 van het van het Omgevingsplan van de gemeente Woensdrecht (Omgevingsplan) omdat geen deugdelijk akoestisch rapport is ingediend.

Bestreden besluit in de zaak 26/1013

5. Het college heeft aan [verzoeker 2] V.O.F. een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 22.81 van het Omgevingsplan, omdat de schotenregistratie geen onderscheid maakt in het aantal schoten, het type munitie (low-noise of regulier) en de verdeling daarvan per baan.

Spoedeisend belang

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van spoedeisend belang. Tijdens de zitting hebben verzoekers toegelicht dat de last onder dwangsom aan [verzoeker 1] B.V. feitelijk het gevolg heeft dat twee derde van de schietbaan moet worden gesloten, namelijk de trapbaan en de skeetbaan. Alleen de Hazenbaan zou gelet op de afstanden nog open kunnen blijven, maar dan blijft te weinig van het bedrijf over om exploitatie mogelijk te maken. De rechtbank acht dit niet onaannemelijk.

Kortsluiten

7. Omdat het college heeft ingestemd met rechtstreeks beroep en omdat het college de bezwaarschriften van verzoekers heeft doorgezonden, kan de voorzieningenrechter in deze zaak op de doorgezonden bezwaarschriften beslissen als hij na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. In dit geval neemt de voorzieningenrechter geen beslissing op de doorgezonden bezwaarschriften, omdat is gebleken dat tussen partijen nog meerdere geschilpunten bestaan die een nader debat nodig maken, bijvoorbeeld over vraag of de verzoekers om handhaving belanghebbenden zijn of over de wijze waarop aan verschillende lasten kan worden voldaan.

Toetsingskader

8. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
8.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Zowel de handhavingsverzoeken als de lasten onder dwangsom zijn van na deze datum. Dat betekent dat in dit geval de Ow van toepassing is.
8.2.
Artikel 3.311, eerste lid, van het Bal bepaalt dat het exploiteren van een schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten een milieubelastende activiteit is zoals bedoeld in artikel 2.1 van het Bal. Uit artikel 3.312, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bal volgt dat de regels van paragraaf 4.61 van het Bal van toepassing zijn voor een kleiduivenbaan. Artikel 4.708 bepaalt dat de schietbaan een gebied in de vorm van een cirkelsector moet hebben die voldoet aan tabel 4.708, waarin hagel afkomstig uit vuurwapens kan neerkomen tijdens het schieten. Volgens het tweede en derde lid mogen in dit gebied tijdens het schieten geen mensen aanwezig zijn en moet het gebied liggen binnen de afgebakende begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
8.3.
De schietbaan ligt binnen het gebied waarop het Omgevingsplan gemeente Woensdrecht (Omgevingsplan) van toepassing is. Artikel 22.41 van het Omgevingsplan verklaart afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de bijlage van de Ow.
8.4.
Artikel 22.60, eerste lid, aanhef en onder h van het Omgevingsplan bepaalt dat geluidsonderzoek wordt verricht bij een buitenschietbaan als bedoeld in Artikel 22.79 van het Omgevingsplan. Op grond van artikel 22.61, eerste lid, van het Omgevingsplan moet het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 22.60, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
8.5.
Artikel 22.80 van het Omgevingsplan bepaalt dat met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder, het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste is: 50 dB ‘Bs,dan’. Volgens artikel 22.81, eerste lid, van het omgevingsplan moeten de volgende gegevens worden geregistreerd:

a. dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan.
8.6.
Het voormalige bestemmingsplan ‘Buitengebied, geconsolideerde versie 2019’ maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan. Het perceel van de schietbaan heeft de bestemming ‘Sport’ (artikel 25 van het bestemmingsplan) met functieaanduiding ‘specifieke vorm van sport- schietbaan.
8.7.
Volgens artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een overtreding een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Uit het tweede lid volgt dat een overtreder degene is die de overtreding pleegt of medepleegt. Het derde lid bepaalt dat overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen en dat artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing is.
8.8.
Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet is het college bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien de last strekt tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert. Op grond van artikel 18.2 in samenhang met artikel 5.8 van de Omgevingswet voert het college de regels omtrent milieubelastende activiteiten uit. Op grond van artikel 5:32 en 5:4 van de Awb is het college ook bevoegd een last onder dwangsom op te leggen.

Omvang van het geschil

9. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker 1] B.V. de eigenaar is van de schietbaan, dat [verzoeker 2] V.O.F. zorgt voor de commerciële exploitatie en dat vennootschap onder firma [bedrijf] zorgt voor toezicht en beheer ter plaatse. Verzoekers hebben verder niet betwist dat zij de normadressaten zijn voor de overtredingen waarvoor zij zijn aangeschreven.

Heeft [verzoeker 2] V.O.F. artikel 22.81 overtreden en is de termijn voor onderzoek evenredig?

10. [verzoeker 2] V.O.F. stelt in de eerste plaats dat artikel 22.81, eerste lid, onder a, van het Omgevingsplan niet is overtreden zodat het college niet bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen. De schotenregistratie 2024 voldoet namelijk aan de eisen van het Omgevingsplan. Op de schietbaan wordt alleen met het type ‘hagelgeweer’ geschoten. Per baantype (trap-, skeet-, hazenbaan) wordt het aantal schoten per dag-, avond- en nachtperiode geregistreerd. Hier bovenop wordt onverplicht het aantal schoten per munitiesoort geregistreerd. Dat was in 2024 nog standaard (SD) en low-noise (LN), maar in 2025 alleen nog LN.Volgens [verzoeker 2] V.O.F. is het niet mogelijk om binnen de begunstigingstermijn van zes weken een reconstructie te maken van de verhouding tussen het aantal schoten en schotels en tussen het aantal schoten en ‘tweede schoten’ voor de schotenregistratie in 2024. Zij kunnen dus niet voldoen aan de opgelegde last binnen de daarvoor gegeven termijn.
10.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoeker 2] V.O.F. artikel 22.81, eerste lid, onder a van het Omgevingsplan heeft overtreden omdat de schotenregistratie 2024 niet voldoet aan de gegevens die volgens dat artikel moeten worden geregistreerd. Gelet op de toelichting van partijen, is de inhoud van de schotenregistratie niet gebaseerd op tellingen van het aantal schoten, maar tot stand gekomen op schattingen gebaseerd op het aantal schotels dat wordt gelanceerd. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 22.81 van het Omgevingsplan volgt echter dat het aantal schoten moet worden geteld. Schattingen zijn dan niet voldoende. Het college is daarom bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen aan [verzoeker 2] V.O.F.
10.2.
De voorzieningenrechter komt op grond van de toelichting van partijen ter zitting tot het oordeel dat de begunstigingstermijn van zes weken om de schotenregistratie voor de periode 2024 te reconstrueren, onvoldoende is. De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoeker 2] V.O.F. en het college het erover eens zijn dat het alsnog tellen van het aantal geloste schoten in 2024 niet meer mogelijk is. Daarom heeft het college in de last bepaald dat [verzoeker 2] V.O.F. aan de hand van actuele tellingen c.q. onderzoek een zo goed mogelijke reconstructie moet maken van het daadwerkelijk aantal geloste schoten en de onderbouwing van deze reconstructie inzichtelijk moet maken. Ter zitting is gebleken dat nog discussie bestaat over wat een voor beide partijen acceptabele wijze voor de uitvoering van dit onderzoek om tot een representatieve reconstructie te komen. Zo suggereerde een vertegenwoordiger van het college dat [verzoeker 2] V.O.F. eerst een onderzoeksopzet zou moeten tonen aan het college en als die acceptabel wordt gevonden, dan dat onderzoek kan uitvoeren. Omdat voor het onderzoek zelf ook een representatieve periode wordt gevraagd, kan dat wel enkele weken in beslag nemen, waarna het onderzoek nog zal moeten worden beoordeeld. Voor dat alles is de begunstigingstermijn van zes weken te kort. Daarnaast heeft het college niet gesteld of onderbouwd dat de reconstructie van de schotenregistratie over 2024 een zodanig dringend belang heeft dat dat thans – in 2026 – binnen een zo korte begunstigingstermijn moet worden verricht. Het door [verzoeker 2] V.O.F. bestreden besluit komt daarom voor schorsing in aanmerking.

Heeft [verzoeker 1] B.V. artikel 4.708 Bal overtreden?

11. [verzoeker 1] B.V. vindt dat zij artikel 4.708 van het Bal niet heeft overtreden en vindt dus dat geen sprake is van een overtreding waardoor het college niet bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen. De gelijkwaardige maatregelen die [verzoeker 1] B.V. heeft voorgesteld leiden er namelijk toe dat hagel binnen de begrenzing van de schietbaan blijft. Ter onderbouwing van deze gelijkwaardige maatregelen verwijst [verzoeker 1] B.V. naar een rapport van TNO waaruit blijkt dat LN munitie minder ver draagt. De veiligheid van personen binnen de onveilige zones wordt dus al gewaarborgd met meerdere gelijkwaardige maatregelen en dus maakt niet uit dat de trap- en skeetbaan niet voldoen aan de afstandseisen van tabel 4.708 bij artikel 4.708, eerste lid, van het Bal. De onveilige zone waar hagel terecht kan komen, ligt bovendien in de afgebakende begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waardoor ook wordt voldaan aan artikel 4.708, derde lid, van het Bal. Het bosgebied aan de noordzijde behoort immers tot de schietbaan en dus tot de inrichting. Ten slotte voldoet [verzoeker 1] B.V. aan artikel 4.708, tweede lid, van het Bal omdat zij op het perceel noordelijk van de schietbaan, dat ook in eigendom is bij [verzoeker 1] B.V. waarschuwingsborden en dranghekken heeft geplaatst, zodat de kans dat personen door hagelkogeltjes worden geraakt te minimaliseren.
11.1.
De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat artikel 4.708 van het Bal is overtreden. Tussen partijen staat immers niet ter discussie dat de trap- en skeetbaan niet voldoen aan de eisen van tabel 4.708 bij artikel 4.708, eerste lid van het Bal. Dat betekent dat sprake is van een overtreding en dat het college bevoegd is om handhavend op te treden. Het betoog van [verzoeker 1] B.V. dat inmiddels alleen met LN munitie wordt geschoten en dat dit type munitie minder ver draagt, maakt dit niet anders omdat de tabel bij artikel 4:708 geen kortere afstandseisen kent voor dit type munitie. De rechtbank stelt vast dat de discussie of de baan ook op een andere wijze dan door het voldoen aan de afstandsnormen uit artikel 4:708 veilig kan opereren, aan de orde is in een beroepsprocedure over het door het college afgewezen verzoek om gelijkwaardige maatregelen te accepteren. De rechtbank heeft er daarom in deze handhavingszaak niet vanuit te gaan dat die – volgens [verzoeker 1] B.V. gelijkwaardige – maatregelen handhaving onnodig maken. De dranghekken en borden zijn ten slotte onvoldoende om personen daadwerkelijk tegen te houden, terwijl het Bal staat: ‘In het gebied zijn tijdens het schieten geen personen aanwezig’. Het belemmeren van personen is niet voldoende, dus ook het tweede lid is overtreden.

Heeft [verzoeker 1] B.V. artikel 22.60 en 22.61 overtreden?

12. [verzoeker 1] B.V. stelt dat artikel 22.60 en artikel 22.61 van het Omgevingsplan niet zijn overtreden waardoor het college niet bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen. [verzoeker 1] B.V. heeft namelijk een akoestische rapportage overgelegd waarbij alle relevante (gevoelige) objecten zijn onderzocht. De woning aan de [adres 2] is bestemd als bedrijfswoning in het voormalige bestemmingsplan en hoeft daarom niet te worden meegenomen in het onderzoek. Deze woning is namelijk in eigendom van dhr. [persoon 7] . Hij is de beheerder én toezichthouder van de schietbaan. Deze woning heeft dus niet alleen een functionele binding met het [café] , maar ook met de schietbaan. Op grond van artikel 22.58 van het Omgevingsplan zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.61 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Uit de nota van toelichting bij het Bkl blijkt dat functionele binding een feitelijke constatering is en dat niet is vereist dat zij afzonderlijk in het omgevingsplan worden aangewezen.
12.1.
Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in redelijkheid kunnen vaststellen dat de akoestische rapportage niet voldoende is en dus dat sprake is van een overtreding. De grondslag van deze overtreding in de last (artikel 22.60 en 22.61 van het Omgevingsplan) is echter onvolledig. Artikel 22.60 in samenhang met artikel 22.61 van het Omgevingsplan bepalen namelijk dat vier weken voor het begin van de activiteit een geluidsonderzoek moet zijn verstrekt. Het is niet in geschil dát een geluidsonderzoek is verstrekt aan het college (zij het te laat). Naar de letter is voldaan aan deze bepalingen.

De discussie gaat echter over de volledigheid en dus de kwaliteit van het geluidsonderzoek. Volgens het college moeten de woningen aan de [adres 3] / [adres 4] en [adres 5] / [adres 6] namelijk worden meegenomen in dit geluidsonderzoek en volgens [verzoeker 1] B.V. niet.

Tijdens de zitting is namens het college toegelicht dat artikel 22.60 en artikel 22.61 in samenhang moeten worden gelezen met artikel 22.80 van het Omgevingsplan. In dat artikel staat dat met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder, het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste is: ‘50 Bs,dan’. De voorzieningenrechter begrijpt dat het college hiermee bedoelt dat de grondslag voor de overtreding dus moet zijn artikel 22.60 en artikel 22.61 in samenhang met artikel 22.80 van het Omgevingsplan. De voorzieningenrechter kan dit volgen en volgt ook dat [verzoeker 1] B.V. in strijd heeft gehandeld met deze artikelen door de woningen aan de [adres 3] / [adres 4] en [adres 5] / [adres 6] niet mee te nemen als geluidgevoelige objecten. De omstandigheid dat een beheerder woont aan de [adres 2] , maakt niet dat sprake is van een bedrijfswoning voor de schietbaan omdat de [adres 2] een andere bestemming heeft, namelijk ‘horeca’. Dat een andere (voormalige mantelzorg-)woning thans leegstaat, maakt niet zonder meer dat ook deze woning niet als geluidsgevoelige bestemming kan worden beschouwd. De voorzieningenrechter stelt dus vast dat sprake is van een gebrekkige grondslag, maar het college kan dit herstellen met een beslissing op bezwaar. Dit gebrek rechtvaardigt dus geen schorsing.

Is sprake van zicht op legalisatie voor het niet voldoen aan de veiligheidsafstanden?

13. [verzoeker 1] B.V. verwijst naar de procedure voor acceptatie van een gelijkwaardige maatregel ten aanzien van de afmeting van de onveilige zone. Zij heeft verzocht om een maatwerkvoorschrift om af te wijken van de afstanden bij de skeetbaan en de trapbaan.
13.1.
De voorzieningenrechter oordeelt dat geen zicht is op legalisatie. Het verzoek om maatwerkvoorschriften is afgewezen en met een beslissing op bezwaar heeft het bevoegd gezag deze afwijzing in stand gelaten. Tegen die beslissing op bezwaar loopt een beroep. De voorzieningenrechter moet dus uitgaan van de normen zoals deze gelden volgens artikel 4.708 van het Bal.

Is handhavend optreden evenredig?

14. Volgens [verzoeker 1] B.V. is het niet evenredig om een last onder dwangsom op te leggen vanwege het niet kunnen voldoen aan de afstandseisen voor de onveilige zone, omdat twee derde van de baan zou moeten worden gesloten.
14.1.
Naar oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van dusdanig onevenredige gevolgen dat het college in dit geval moet afzien van het opleggen van een last onder dwangsom aan [verzoeker 1] B.V. De voorzieningenrechter kan volgen dat als twee derde van de baan moet worden gesloten, dat aanzienlijke gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering. Toch is dat in dit geval niet voldoende reden om deze last te schorsen, want toen [verzoeker 1] B.V. de schietbaan kocht in 2021 golden inhoudelijk dezelfde afstandseisen voor de onveilige zone. Op dat moment kon [verzoeker 1] B.V. dus al op de hoogte zijn van de afstandseisen en de mogelijkheden om met inachtneming van die eisen een schietbaan te exploiteren.

Zienswijze [verzoeker 1] B.V.

15. [verzoeker 1] B.V. voert aan dat zij niet tijdig in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen op het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen, waardoor het college in strijd heeft gehandeld met artikel 4:8, eerste lid, van de Awb en de zorgvuldige voorbereiding. Het voornemen is namelijk niet naar haar advocaat verzonden, terwijl dat wel had gemoeten. Het voornemen was verzonden in de kerstvakantie en heeft [verzoeker 1] B.V. pas bereikt na het verstrijken van de zienswijzetermijn.
15.1.
Naar oordeel van de voorzieningenrechter is dit geen reden om de aan [verzoeker 1] B.V. opgelegde last onder dwangsom te schorsen. Een dergelijk gebrek kan in bezwaar worden gerepareerd
Conclusie en gevolgen
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van [verzoeker 1] B.V. af.

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van [verzoeker 2] V.O.F. toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit in de zaak 26/1013 is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
17.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden aan [verzoeker 2] V.O.F. en dat [verzoeker 2] V.O.F. ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [verzoeker 2] V.O.F. een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gebleken die op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek van [verzoeker 1] B.V. af

- wijst het verzoek van [verzoeker 2] V.O.F. toe

- schorst het bestreden besluit in de zaak 26/1013 tot zes weken na bekendmaking de beslissing op bezwaar

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan [verzoeker 2] V.O.F. moet vergoeden

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [verzoeker 2] V.O.F.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 23 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage bij de uitspraak
Omgevingswet

Paragraaf 4.1.1

Artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder b

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving:

milieubelastende activiteiten.

Paragraaf 4.1.3

Artikel 4.8

1. Voor het omgevingsplan is het college van burgemeester en wethouders, voor de waterschapsverordening is het dagelijks bestuur van het waterschap en voor de omgevingsverordening zijn gedeputeerde staten:

a. het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan,

b. het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen,

c. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bij ministeriële regeling gestelde meet- en rekenvoorschriften, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, voor zover die betrekking hebben op activiteiten waarover regels zijn gesteld in respectievelijk het omgevingsplan, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening.

Artikel 4.9

Tenzij op grond van de artikelen 4.10 tot en met 4.13 anders is bepaald, wordt op grond van artikel 4.3 het college van burgemeester en wethouders aangewezen als:

het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan,

het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen,

het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

Artikel 18.1

De bestuursrechtelijke handhavingstaak omvat:

het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met inbegrip van het verzamelen en registreren van gegevens die hiervoor van belang zijn,

het behandelen van klachten over de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, en

het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie vanwege enig handelen of nalaten in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 18.2

Als sprake is van een activiteit waarvoor op grond van paragraaf 4.1.1 algemene regels zijn gesteld, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 4.1.3 voor die activiteit bevoegde gezag.

Als sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 5.1.2 voor die omgevingsvergunning bevoegde gezag.

Voor zover een projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor activiteiten ter uitvoering van het projectbesluit als bedoeld in artikel 5.52, tweede lid, onder a, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld.

Voor een gedoogplicht als bedoeld in hoofdstuk 10 berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak alleen bij een bestuursorgaan voor zover bij algemene maatregel van bestuur die taak aan dat bestuursorgaan is opgedragen.

In de overige gevallen berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het college van burgemeester en wethouders.

Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, de bestuursrechtelijke handhavingstaak aan een ander bestuursorgaan worden opgedragen.

Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet

A. Begrippen

[…]

Milieubelastende activiteit: activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.

Besluit activiteiten leefomgeving

Artikel 2.1

De hoofdstukken 2 tot en met 5 gaan over milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk die daarbij worden verricht, of die zijn aangewezen in hoofdstuk 3.

Artikel 2.10

Aan de afdelingen 2.6 en 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Paragraaf 3.9.3. Schietbaan

Artikel 3.311. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten.

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Onder de aanwijzing vallen niet:

een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.11.5; en

het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 3.312. (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.311, wordt voldaan aan de regels over:

een binnenschietbaan, bedoeld in paragraaf 4.59;

een buitenschietbaan, bedoeld in paragraaf 4.60; en

een kleiduivenbaan, bedoeld in paragraaf 4.61.

Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Paragraaf 4.61

Artikel 4.705

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een schietbaan die ligt in de buitenlucht waar met hagelgeweren op kleiduiven wordt geschoten.

Artikel 4.708. (externe veiligheid: constructie schietbaan)

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft de schietbaan een gebied in de vorm van een cirkelsector die voldoet aan tabel 4.708, waarin hagel afkomstig uit vuurwapens kan neerkomen tijdens het schieten.

In het gebied zijn tijdens het schieten geen personen aanwezig.

Het gebied ligt binnen de afgebakende begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Tabel 4.708 Constructie schietbaan

Eigenschap van gebied waarin hagel afkomstig van vuurwapens kan neerkomen tijdens schieten

Baan met meerdere in halve cirkel gelegen schietposten (skeetbaan)

Baan met een of twee rijen naast elkaar gelegen schietposten (trapbaan)

Baan met doelen die onder 1,0 m hoogte blijven (hazenbaan)

Baan met overige opstellingen van schietposten en doelen

Middelpunt

Post 8 (middelpunt halve cirkel)

15 m midden achter voorste rij schietposten

10 m achter middelste schietpost

10 m achter midden van de achterste schietpost(en)

Hoek van de cirkelsector

158 graden

63 graden

Zichthoek op doel vanuit middelpunt tot doelgebied + 20 graden

90 graden

Lengte van de sector

225 m

240 m

200 m

260 m

Omgevingsplan gemeente Woensdrecht
Hoofdstuk 22 Activiteiten
Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

Deze afdeling is niet van toepassing op:

wonen;

het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

een evenement:

[…]

het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

Artikel 22.43

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Artikel 22.54

1. Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

Artikel 22.60, eerste lid, aanhef en onder h en vierde lid

1. In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

bij een buitenschietbaan als bedoeld in Artikel 22.79.

[…]

[…]

4. Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

5. de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.4.2, Subparagraaf 22.3.4.3 en Subparagraaf 22.3.4.4; of

6. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.61

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 22.3.4.4

Artikel 22.79

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of

militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 22.80

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 22.81, eerste lid

De volgende gegevens worden geregistreerd:

dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en

voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

Bestemmingsplan Buitengebied, geconsolideerde versie 2019

Artikel 25 Sport
25.1
Bestemmingsomschrijving

De op voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

het uitoefenen van sport;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - hondensport', een hondensport;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport- schietbaan', voor een schietbaan;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport- ponyclub', voor een ponyclub;

ter plaatse van de aanduiding 'manege', voor een manege;

ter plaatse van de aanduiding 'antennemast ', een antennemast;

wonen in een bedrijfswoning, waarbij tevens beroep aan huis tot een maximale oppervlakte van 60 m² is toegestaan;

ter plaatse van de aanduiding 'opslag', tevens voor opslag;

ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - weg', de geluidzone van het wegverkeer;

ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - industrie', de geluidzone van het industrieterrein en de vliegbasis;

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - groenelement', een groenelement. De regeling opgenomen in artikel 54.2.8 dient in acht te worden genomen;

ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning', tevens voor ten hoogste vijf recreatiewoningen;

met daaraan ondergeschikt:

horecavoorzieningen die ten dienste staan van de bestemming;

groen- en speelvoorzieningen;

parkeervoorzieningen;

waterlopen en waterpartijen.

Artikel 14 Horeca
14.1
Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

horeca van categorie 1;

horeca van categorie 2;

ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 5', tevens voor horeca van categorie 5;

ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 3', tevens voor horeca van categorie 3;

ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - weg', de geluidszone van het wegverkeer;

ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - industrie', de geluidszone van het industrieterrein en de vliegbasis;

wonen in een bedrijfswoning, waarbij tevens beroep aan huis tot een maximale oppervlakte van 60 m² is toegestaan;

met daaraan ondergeschikt:

terrassen;

verhardingen, groen- en parkeervoorzieningen;

waterhuishoudkundige voorzieningen.
1.29
bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;

Artikel 7:1a, vijfde lid van de Awb.

Rb. Zeeland-West-Brabant, 7 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2051.

Rb. Zeeland-West-Brabant 14 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7935.

Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk.

Voor de avond en nacht is dit nul schoten.

Inmiddels wordt alleen nog met LN munitie geschoten volgens [verzoeker 1] B.V.

Verwijzing naar Stb. 2018-292, p. 716.

Verwijzing naar: ABRvS 30 augustus 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY7129.

Artikel delen