Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2026:533

Vovo in beroep tegen verleende omgevingsvergunning. Of er sprake is van een bindend adviesrecht voor de gemeenteraad is een principiele rechtsvraag. Deze procedure leent zich daar niet voor. De vvgb onder de Wabo is wezenlijk anders dan het bindend adviesrecht onder de Ow. Geen ambtshalve toetsing. Belangenafweging valt uit in het voordeel van het college en vergunninghoudster. Voorlopige voorz...

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 February 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:533 text/xml public 2026-02-04T10:35:19 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-29 BRE 25/5822 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:533 text/html public 2026-02-04T10:35:13 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:533 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-01-2026 / BRE 25/5822
Vovo in beroep tegen verleende omgevingsvergunning. Of er sprake is van een bindend adviesrecht voor de gemeenteraad is een principiele rechtsvraag. Deze procedure leent zich daar niet voor. De vvgb onder de Wabo is wezenlijk anders dan het bindend adviesrecht onder de Ow. Geen ambtshalve toetsing. Belangenafweging valt uit in het voordeel van het college en vergunninghoudster. Voorlopige voorziening afgewezen.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/5822
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 in de zaak tussen
1. [verzoeker 1], wonende te [plaats] ,

2. [verzoeker 2], wonende te [plaats] ,

verzoeksters,

(gemachtigde: mr. B. van Zanten),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap [vergunninghouder] B.V., gevestigd te Culemborg, vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. R.N. Van der Velde).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeksters tegen de beslissing op bezwaar van 19 juni 2025 (bestreden besluit). Het college heeft in het bestreden besluit de omgevingsvergunning voor het realiseren van een appartementencomplex met 36 appartementen en bijbehorende parkeerplaats aan de Waterlinie in Sleeuwijk in stand gelaten. Verzoeksters zijn het hier niet mee eens en verzoeken daarom om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat de belangenafweging ten gunste van het college en vergunninghoudster uitvalt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Vergunninghoudster heeft op 18 juli 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van 36 appartementen met bijbehorende parkeerplaats aan de [adres] tot en met [huisnummer] in [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluit van 19 november 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Tegen dit besluit is door verschillende partijen – waaronder verzoeksters – bezwaar gemaakt. Hangende bezwaar heeft de voorzieningenrechter in de uitspraak van 23 januari 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Met het bestreden besluit is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven. Onder andere verzoeksters hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeksters en hun gemachtigde. Het college is vertegenwoordigd door mr. A.A. Kammer, mr. M.A.R. van Vuuren en [persoon 1] . Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door [persoon 2] , bijgestaan door haar gemachtigde en mr. [persoon 3] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de

hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
Op zitting hebben verzoeksters desgevraagd toegelicht waarom er een periode van ongeveer 3,5 maand zit tussen het instellen van beroep en het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening. Volgens verzoeksters bestonden de bouwwerkzaamheden tot juli 2025 uit het storten van de fundering en heeft de bouw daarna enkele maanden stilgelegen. Zij verkeerden in de veronderstelling dat vergunninghoudster zou wachten tot de uitspraak in de beroepsprocedure. Toen de bouwwerkzaamheden halverwege oktober 2025 werden hervat, hebben verzoeksters het verzoekschrift om een voorlopige voorziening ingediend. Vergunninghoudster heeft op zitting aangegeven dat bij de uitvoering van het bouwproject verschillende omstandigheden spelen, waaronder de levering van materialen, de inzet van personeel en de bouwvak. Na de bouwvak is het project weer opgestart. Ook is het project afhankelijk van een verleende subsidie waarvoor strikte voorwaarden gelden. Het appartementencomplex moet onder andere binnen drie jaar na de start van de bouw, in december 2024, afgerond zijn. Het college sluit bij deze toelichting aan. Vergunninghoudster is niet bereid de bouwwerkzaamheden aan te houden en bouwt gestaag door. Gelet op de uitleg van verzoeksters en het feit dat vergunninghoudster het project zo snel mogelijk wilt opleveren, neemt de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan.

Beoordeling gronden verzoekschrift

4. Verzoeksters voeren in de kern aan dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het in de Omgevingswet (Ow) opgenomen bindende adviesrecht van de gemeenteraad. Daarnaast is de omgevingsvergunning voor het lozen van hemelwater door Waterschap Rivierenland geweigerd en dus kan het project niet op deze manier worden uitgevoerd. Deze weigering moet daarom ook gevolgen hebben voor de door het college verleende omgevingsvergunning voor het perceel.

Bindend adviesrecht gemeenteraad
4.1.
Volgens verzoeksters is het ontbreken van een bindend advies van de gemeenteraad voor de verleende buitenplanse omgevingsactiviteit (hierna: BOPA) een totstandkomingsgebrek. Deze BOPA behoort tot de gevallen die door de gemeenteraad zijn aangewezen in het “Besluit toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure, advies en participatie omgevingsvergunningen Altena” (hierna: het beleid). De gemeenteraad heeft in het beleid bepaald wanneer bindend advies vereist is. Aan die vereisten wordt bij deze BOPA voldaan, aldus verzoeksters. Ook stellen verzoeksters dat – onder verwijzing naar de vóór de inwerkingtreding van de Ow toepasselijke regels voor de verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) – de voorzieningenrechter gehouden is de toepassing hiervan ambtshalve te toetsen.
4.2.
Het college stelt dat er geen sprake is van ambtshalve toetsing: anders zou hier ook wel in de eerdere voorlopige voorzieningsprocedure over geoordeeld zijn.
4.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de vraag of er wel of geen sprake is van bindend adviesrecht (en de eventuele gevolgen hiervan), een principiële rechtsvraag. Een voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor de beantwoording hiervan.
4.4.
Over de vergelijking tussen het bindend adviesrecht en de vvgb overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Artikel 16.15a, aanhef en onder b, onder 1°, van de Ow bepaalt dat de gemeenteraad als verplichte adviseur wordt aangewezen als het gaat om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor in de door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een BOPA. Op grond van artikel 16.15b van de Ow is het advies van de gemeenteraad bindend. Verzoeksters hebben op zitting gesteld dat de regeling over de vvgb uit het voormalige artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), niet anders is onder de Ow.
4.4.1.
Uit de Wabo volgde dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo niet eerder mocht worden verleend, dan nadat de gemeenteraad had verklaard geen bedenkingen te hebben tegen het initiatief. Hierop is op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een uitzondering mogelijk als de gemeenteraad categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een verklaring niet is vereist. De bevoegdheid om een omgevingsvergunning op basis van deze grondslag te verlenen, ontstond pas nadat de vvgb was aangevraagd en verleend. Er was dus sprake van voorafgaande instemming. Omdat de vvgb direct gekoppeld was aan de bevoegdheid van het college om een omgevingsvergunning te verlenen, was sprake van een kwestie van openbare orde en moest dit punt ambtshalve getoetst worden. Zoals hiervoor al is overwogen, stond het de gemeenteraad dus wel vrij om categorieën van gevallen aan te wijzen waarin een vvgb niet was vereist.
4.4.2.
Onder het geldende recht geldt de in overweging 4.4 aangegeven regeling: de gemeenteraad kan in beleid bepalen wanneer hij wel om advies moet worden gevraagd. Of vervolgens voldaan is aan de vereisten in het beleid, is - anders dan bij de vvgb - vatbaar voor interpretatie. De vvgb onder het oude recht is dus iets wezenlijks anders dan het bindende adviesrecht onder de Ow. De voorzieningenrechter ziet op basis van deze vergelijking in ieder geval geen reden om in deze procedure alsnog in te gaan op de principiële rechtsvraag of sprake is van bindend adviesrecht.

Weigering omgevingsvergunning lozen hemelwater
4.5.
Bij besluit van 19 december 2025 heeft het Waterschap Rivierenland (hierna: het waterschap) de door vergunninghoudster aangevraagde vergunning voor het lozen van hemelwater afgewezen. De aanvraag is afgewezen, omdat de aanvraag is gericht op het lozen van hemelwater in wateren zonder de daarvoor benodigde waterberging te realiseren. Op zitting hebben verzoeksters aangegeven dat dit besluit vooral in het kader van de bodemprocedure is ingediend en dat het te bouwen appartementencomplex zonder voldoende hemelwaterafvoer dan wel waterberging niet afgerond kan worden. Het college heeft op zitting aangegeven dat het waterschap in de periode van het eerste bestemmingsplan “Nieuwe Banne” (uit 2008) een watervergunning heeft afgegeven, maar dat deze – ondanks alle ontwikkelingen daarna – niet meer geactualiseerd is. Als de actualisatie is afgerond, kan vergunninghoudster voor het project bij deze geactualiseerde vergunning ‘aanhaken’. Het gaat om een formaliteit, aldus het college. Vergunninghoudster heeft aangegeven dat het plan 546 m2 aan waterberging omvat, terwijl hiervan maar 358 m2 nodig is. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog niet in dat de door het waterschap geweigerde vergunning – mede gelet op wat het college en vergunninghoudster aanvoeren – afbreuk doet aan het bestreden besluit. Deze grond slaagt daarom niet.

Belangenafweging

5. Aangezien er rechtsvragen aan de orde zijn die zich niet lenen voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure, heeft de voorzieningenrechter aan de hand van een afweging van de betrokken belangen bepaald of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Verzoeksters hebben een belang bij een bouwstop in afwachting van de beroepsprocedure, terwijl het college belang heeft bij het verminderen van de woningnood, het bouwen van meer betaalbare woningen en het voldoen aan de subsidievoorwaarden die aan de realisatie van het project zijn gekoppeld. Vergunninghoudster heeft belang bij het kunnen gebruiken van de aan haar verleende omgevingsvergunning en het tijdig afronden van het project - óók in verband met de subsidie die zij gekregen heeft.
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het planologisch regime al sinds 2017 gestapelde woningen tot 15 meter hoog toestaat. Het appartementencomplex past dus grotendeels in het omgevingsplan, waarbij voor de hoogte van het complex en de liftkoker gebruik is gemaakt van twee al in het planologische regime opgenomen afwijkingsmogelijkheden. Het enige waar dat niet voor geldt, is voor een deel van de parkeerplaatsen. Hiervoor wordt grond met de bestemming ‘Groen’ opgeofferd, met dien verstande dat de verleende omgevingsvergunning ook voorziet in compensatie hiervoor. Gelet op het voorgaande, wegen de belangen van het college en vergunninghoudster bij afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening op dit moment zwaarder dan het belang van verzoeksters bij toewijzing.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
6.1.
Voor vergoeding van het griffierecht of de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 29 januari 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: relevante wet- en regelgeving
Omgevingswet (Ow)

Artikel 16.15a, sub b, onder 1°:

Op grond van artikel 16.15, eerste lid, worden in ieder geval als adviseur aangewezen:

b. de gemeenteraad als het gaat om:

1°. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor in door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit,

Artikel 16.15b:

In een geval als bedoeld in artikel 16.15a, onder b, worden de bij of krachtens deze wet gestelde regels over het beslissen op de aanvraag om de omgevingsvergunning of het verlenen of onthouden van instemming met inachtneming van het advies van de gemeenteraad toegepast.

Artikel 16.16, eerste lid:

1. Als een aanvraag om een besluit op grond van deze wet betrekking heeft op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval, behoeft de voorgenomen beslissing op de aanvraag instemming van het bestuursorgaan dat op grond van artikel 16.15 in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen. Bij de aanwijzing kan worden bepaald dat alleen een voorgenomen beslissing tot het toewijzen van de aanvraag instemming behoeft.

Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet:

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

Buitenplanse omgevingsactiviteit: activiteit, inhoudende:

a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;

Rechtbank Zeeland – West-Brabant 23 januari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:294.

Kamerstukken II 2018-2019, 34986, nr. 53 en zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Rechtbank Zeeland - West-Brabant van 17 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9135.

Waarbij zij verwezen hebben naar een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 13 september 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:6234.

Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo jo. artikel 6.5, eerste, tweede en derde lid, van het Bor.

Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3031, r.o. 3.2.

Artikel 6.5, derde lid, van het Bor.

En vermoedelijk al sinds 2008 op basis van het toen geldende bestemmingsplan “Nieuwe Banne”.

Artikel delen