Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RVS:2026:2068

In het besluit van 22 maart 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedkeuring verleend aan het hernieuwde acceptatieprotocol van 9 maart 2021 voor baggerdepot De Slufter. De Slufter is een baggerdepot voor het verwijderen en storten van niet-toepasbare baggerspecie op de Maasvlakte bij Rotterdam. Bij besluit van 22 maart 2021 heeft het college goedkeuring verleend aan ...

Raad van State 15 April 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RVS:2026:2068 text/xml public 2026-04-15T10:33:10 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-15 202306546/1/R4 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2068 text/html public 2026-04-15T10:16:42 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2068 Raad van State , 15-04-2026 / 202306546/1/R4
In het besluit van 22 maart 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedkeuring verleend aan het hernieuwde acceptatieprotocol van 9 maart 2021 voor baggerdepot De Slufter. De Slufter is een baggerdepot voor het verwijderen en storten van niet-toepasbare baggerspecie op de Maasvlakte bij Rotterdam. Bij besluit van 22 maart 2021 heeft het college goedkeuring verleend aan het hernieuwde acceptatieprotocol voor baggerdepot De Slufter. Met het acceptatieprotocol wordt de acceptatie van PFAS houdende baggerspecie boven het herverontreinigingsniveau in De Slufter mogelijk gemaakt. BMN is gespecialiseerd in de acceptatie en verwerking van toepasbare baggerspecie, waaronder toepasbare met PFAS houdende baggerspecie, op het adres Tweede Bloksweg 54B-56 in Waddinxveen. BMN heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 maart 2021, omdat zij vreest voor inkomstenderving. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ontvangen.

202306546/1/R4.

Datum uitspraak: 15 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Baggerdepot Midden Nederland B.V., Wagro Onroerend Goed B.V., Waddinxveense Groenrecycling Wagro B.V. en Grondbank Midden Nederland B.V. (samen BMN), alle gevestigd in Waddinxveen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 september 2023 in zaak nr. 21/5739 in het geding tussen:

BMN

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

Procesverloop

In het besluit van 22 maart 2021 heeft het college goedkeuring verleend aan het hernieuwde acceptatieprotocol van 9 maart 2021 voor baggerdepot De Slufter.

In het besluit van 23 juli 2021 heeft het college het door BMN daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 4 september 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door BMN daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft BMN hoger beroep ingesteld.

Het college en Havenbedrijf Rotterdam N.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 maart 2026, waar BMN, vertegenwoordigd door mr. E.J.H. Plambeck, advocaat in Bodegraven, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Damman en V.A.S. de Leeuw MSc., zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       De Slufter is een baggerdepot voor het verwijderen en storten van niet-toepasbare baggerspecie op de Maasvlakte bij Rotterdam. Bij besluit van 22 maart 2021 heeft het college goedkeuring verleend aan het hernieuwde acceptatieprotocol voor baggerdepot De Slufter. Met het acceptatieprotocol wordt de acceptatie van PFAS houdende baggerspecie boven het herverontreinigingsniveau in De Slufter mogelijk gemaakt. BMN is gespecialiseerd in de acceptatie en verwerking van toepasbare baggerspecie, waaronder toepasbare met PFAS houdende baggerspecie, op het adres Tweede Bloksweg 54B-56 in Waddinxveen. BMN heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 maart 2021, omdat zij vreest voor inkomstenderving.

2.       Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ontvangen. Het besluit tot goedkeuring van het hernieuwde acceptatieprotocol is bekendgemaakt op 22 maart 2021. Het college heeft op 25 maart 2021 in het provinciaal blad kennisgegeven van het besluit. Het door BMN ingediende bezwaarschrift is op 4 mei 2021 opgesteld en per e-mail en post verzonden. Dit bezwaar is door het college na afloop van de bezwaartermijn die eindigde op 3 mei 2021 ontvangen. Volgens het college is deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Het college stelt dat de inhoud van de kennisgeving in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6:7 in samenhang gelezen met artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft vanwege de termijnoverschrijding het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

BMN is van mening dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en heeft om die reden hoger beroep ingesteld.

2.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beroepsgronden

Verschoonbare termijnoverschrijding?

3.       BMN betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. BMN voert aan dat de kennisgeving van het besluit van 25 maart 2021 geen toereikende beschrijving van de zakelijke weergave van het besluit bevat. Volgens BMN volgde uit de kennisgeving niet dat met de goedkeuring van het hernieuwde acceptatieprotocol de reikwijdte van de revisievergunning voor De Slufter werd gewijzigd. BMN hoefde er daarom niet op bedacht te zijn dat dit besluit voor haar werkzaamheden negatieve gevolgen zou hebben.

3.1.    Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.

Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

3.2.    De Afdeling stelt vast dat het besluit van 22 maart 2021 op dezelfde dag door verzending aan de aanvragers overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb is bekendgemaakt. Op 25 maart 2021 is in het provinciaal blad kennisgegeven van dit besluit. Niet in geschil is dat de bezwaartermijn in deze zaak afliep op 3 mei 2021 en dat het bezwaarschrift na afloop van die termijn is ontvangen. Wat partijen verdeeld houdt is of de kennisgeving een onvoldoende toereikende beschrijving van de zakelijke weergave van het besluit bevat en of de termijnoverschrijding om die reden verschoonbaar is.

In de kennisgeving staat dat het hernieuwde acceptatieprotocol voor baggerdepot De Slufter, versie 07 van 9 maart 2021 met kenmerk HBR-2158296 is goedgekeurd. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de kennisgeving een toereikende beschrijving van de zakelijke weergave van het besluit bevat en aangenomen kan worden dat BMN vanaf 25 maart 2021 op de hoogte kon zijn van het bestaan van het besluit.

De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan BMN kan worden toegerekend. De Afdeling overweegt dat van BMN als specialist op het gebied van verwerking van baggerspecie mag worden verwacht dat zij de ontwikkelingen binnen haar vakgebied volgt en alert is op kennisgevingen in het provinciaal blad. Dat het voor BMN pas na de ontvangst van het besluit en de hierbij behorende stukken duidelijk werd dat zij gevolgen zou kunnen ondervinden van het besluit, betekent niet dat het indienen van een, al dan niet pro forma, bezwaarschrift niet tijdig mogelijk was. Voor zover BMN meent dat voor haar niet direct uit de kennisgeving inzichtelijk was dat zij bezwaar zou willen maken tegen het besluit, laat dit onverlet dat het op de weg van BMN ligt om de wettelijke bezwaartermijn in de gaten te houden. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Het betoog slaagt niet.

Voorbereidingsprocedure

4.       BMN betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 22 maart 2021 ten onrechte niet is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb. Daarbij wijst BMN ook op strijdigheid met zowel de mer-richtlijn (nr. 2011/92/EU; PB 2012 L 26) als het Verdrag van Aarhus.

4.1.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat tijdig bezwaar gemaakt dient te moeten worden om aan te kunnen voeren dat afdeling 3.4 van de Awb ten onrechte niet is doorlopen. Dit geldt ook als het besluit van 22 maart 2021 moet worden beschouwd als een besluit waarop het Verdrag van Aarhus van toepassing is. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:333), onder 5.4.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Knol

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vermeulen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026

700-1194

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:7 luidt:

"De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

Artikel 6:8 luidt:

"1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

[…]."

Artikel 6:11 luidt:

"Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

Artikel delen