Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Als een omgevingsvergunning voor een (technische) bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet vereist is, is vervolgens de vraag hoe de gemeente het papieren bouwplan aan de bouwtechnische voorschriften uit het Bbl moet toetsen.

In artikel 5.20 Omgevingswet staat daarover het volgende:

1. Voor een bouwactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op:

het waarborgen van de veiligheid,

het beschermen van de gezondheid,

duurzaamheid en bruikbaarheid.

2. De regels strekken ertoe dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels over bouwactiviteiten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, of daarover gestelde maatwerkregels, voor zover die regels betrekking hebben op de kwaliteit van bouwwerken.


Deze aannemelijkheidstoets uit lid 2 bij artikel 5.20 Omgevingswet was hiervoor opgenomen in artikel 2.10 lid 1 aanhef en onder a Wabo. De oorsprong van deze aannemelijkheidstoets ligt in de Woningwet 2007.

Deze beoordelingsregel uit artikel 5.20 lid 2 Omgevingswet is uitgewerkt in artikel 8.3b Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl):

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het bouwen van een nieuw bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de maatwerkregels die op grond van artikel 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Net zoals onder het oude recht40 is het overigens toegestaan tot drie weken voor start van de bouw nog de detailtekeningen en berekeningen aan te leveren zoals volgt uit artikel 8.3c Bkl:

Op verzoek van de aanvrager wordt aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit een voorschrift verbonden dat inhoudt dat bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden pas hoeven te worden verstrekt uiterlijk drie weken voor de start van de uitvoering van het onderdeel van de bouwactiviteit waarop die gegevens en bescheiden betrekking hebben.

Als de bouwactiviteit naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft, kan aan de omgevingsvergunning voor die activiteit een voorschrift worden verbonden dat inhoudt dat bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden pas hoeven te worden verstrekt uiterlijk drie weken voor de start van de uitvoering van het onderdeel van de bouwactiviteit waarop die gegevens en bescheiden betrekking hebben.

De indieningsvereisten voor de omgevingsvergunning voor de (technische) bouwactiviteit volgen uit paragraaf 7.2.2 Omgevingsregeling.

Zoals hiervoor al is aangegeven, volgt de aannemelijkheidstoets die ook onder de Omgevingswet geldt uit de Woningwet 2007.41

Om tot uitdrukking te brengen dat de gemeente onmogelijk bij vergunningverlening een bouwplan aan alle bouwtechnische voorschriften kan toetsen, stelde de regering voor om een preventieve aannemelijkheidstoets in artikel 44 lid 1, aanhef en onder a, Woningwet 2007 op te nemen. De aannemelijkheidstoets diende er ook toe om de verantwoordelijkheid van private bouwpartijen voor de bouwkwaliteit te benadrukken.

De regering meende dat het invoeren van de aannemelijkheidstoets geen grote wijziging was ten opzichte van de toetsing tot dan toe. De toetsing vormde voornamelijk een ‘(preventief) handhavingsinstrument’, gericht op het in een vroeg stadium constateren van ‘evidente afwijkingen’ van de bouwvoorschriften, aldus de regering.42 Volgens de regering was het reeds een bestaande realiteit dat de gemeente een bouwplan niet vol aan de bouwtechnische voorschriften toetste.43 De regering stelde dat de toetsing tot nu toe slechts ging om het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid dat het aannemelijk was dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldeed.44 Volgens de regering was vaak op een veel eenvoudiger wijze overtuigend aannemelijk te maken dat ruimschoots aan het Bouwbesluit werd voldaan.45 Het feit dat het college geen volledige zekerheid kon geven dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldeed, hing volgens de regering niet samen met de ingewikkeldheid van de regelgeving of een gebrek aan kennis bij de gemeenten. Het hing samen met de feitelijke onmogelijkheid om in de administratieve voorbereidingsfase een waterdichte bewijsvoering te leveren, aldus de regering.46 Het was volgens de regering technisch onmogelijk om waterdicht te bewijzen dat een bouwplan zou voldoen aan alle voorschriften uit het Bouwbesluit. Bovendien was naar haar mening voor een volle toetsing vereist dat de vergunningaanvrager tot op het kleinste detailniveau gegevens moest overleggen. Dit zou tot gevolg hebben dat de administratieve lasten en ook de bouwleges explosief zouden stijgen, aldus de regering. Bovendien zou de detaillering leiden tot verstarring van het bouwproces.47 Iedere ondergeschikte aanpassing tijdens de bouw zou ertoe leiden dat in afwijking van de bouwvergunning werd gebouwd.48 In de toen geldende praktijk maakten aannemers echter tijdens de bouw nog veelvuldig keuzes en verrichtten aanpassingen. Dit was niet te vermijden in het complexe bouwproces, aldus de regering. In het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning was bepaald dat uiterlijk drie weken voor de aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden de constructieve berekeningen en detailleringen bij de gemeente moesten zijn aangeleverd.49 Volgens de regering was niet de gemeente maar de vergunningaanvrager verantwoordelijk het bouwplan dat aan het Bouwbesluit voldeed.50

De gemeente komt bij deze aannemelijkheidstoets zoals deze ook geldt onder de Omgevingswet enige mate van beoordelingsvrijheid toe.51 Voornoemd artikel bepaalt immers niet voor niets dat de gemeente de omgevingsvergunning weigert indien de aanvraag ‘het naar het oordeel van het bevoegd gezag’ niet aannemelijk maakt dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldoet.52

De aannemelijkheidstoets houdt in dat op de gemeente de taak rust te bezien of het aannemelijk is dat het te realiseren bouwwerk aan de bouwtechnische voorschriften zal voldoen. Hierbij gaat het om de vraag of het ‘papieren’ bouwplan aan de bouwtechnische voorschriften voldoet. Het hoeft niet aannemelijk te zijn dat het bouwplan voldoet aan alle voorschriften. Waar het om gaat, is dat de globale toetsing van het bouwplan op grond van de aanvraag geen strijdigheden oplevert.53

 

 

40 Artikel 2.7 Regeling omgevingsrecht (Mor).

41 Onderstaande passages uit paragraaf 1.15 komen (deels woordelijk) uit P.M.J. de Haan, De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften in het publieke bouwrecht. Constructieve veiligheid nader beschouwd (diss. Nijmegen), ’s-Gravenhage: Instituut voor bouwrecht 2017, paragrafen 3.2.2 en 4.4.2.

42 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 6, p. 7.

43 Kamerstukken II 2004/05, 29 392, 9, p. 14 en 15.

44 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 6, p. 7

45 Kamerstukken II 2004/05, 29 392, 9, p. 13.

46 Kamerstukken II 2004/05, 29 392, 9, p. 13 en 14.

47 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 6, p. 8 en 9, en Kamerstukken II 2004/05, 29 392, 9, p. 15 en 16.

48 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 6, p. 9.

49 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 6, p. 21..

50 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 6, p. 11, en Kamerstukken II 2004/05, 29 392, 9, p. 15..

51 Zie ook punt 1 van de annotatie van P.M.J. de Haan bij AB 2012/154. Ook in ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4197, en ABRvS 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1596, overweegt de Afdeling dat de gemeente beoordelingsvrijheid toekomt. Een voorbeeld waarin de Afdeling heeft overwogen dat de gemeente op grond van de overgelegde constructiegegevens kon oordelen dat aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldoet, is ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4703.

52 In Rb. Rotterdam 19 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:10367, r.o. 4.2, overweegt de rechtbank dat bij de toets of het bouwplan aan het Bouwbesluit voldoet, de gemeente moet bezien of de aanvraag naar het oordeel van de gemeente aannemelijk maakt dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldoet. Hierbij is sprake van enige beoordelingsvrijheid, aldus de rechtbank.

53 In ABRvS 6 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN9525, overweegt de Afdeling dat het college aannemelijk heeft kunnen achten dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldoet ondanks dat er geen constructieberekeningen zijn gemaakt. Het college heeft uit het feit dat het pand vroeger een garagebedrijf was, mogen afleiden dat de vloeren de lagere belasting bij kamerverhuur ook zouden kunnen dragen.