Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

De gemeente kon het Bouwbesluit voorafgaand aan de Woningwet 2007 niet zelfstandig handhaven. Dat gold ook als aan de bouwvergunning het voorschrift was verbonden dat niet in afwijking van het Bouwbesluit mocht worden gebouwd. Gelet op het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder a, Woningwet diende de toetsing aan het Bouwbesluit bij vergunningverlening plaats te vinden. Bij strijd moest de gemeente de bouwvergunning weigeren.89 Na vergunningverlening had de gemeente geen mogelijkheid meer om in te grijpen bij strijdigheden met het Bouwbesluit.90

Het standpunt van de regering was destijds dat een in een vergunning voorkomende strijdigheid niet zou mogen leiden tot het straffeloos bouwen in strijd met het Bouwbesluit. Dit kwam tot uiting in het aanvankelijk voorgestelde artikel 40 Woningwet 2007. Daarin was bepaald dat het verboden was om te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning, onverminderd het vereiste uit het in artikel 1b Woningwet neergelegde verbod om te bouwen in strijd met het Bouwbesluit.91 Het Bouwbesluit prevaleerde daarmee in dat oorspronkelijke wetsvoorstel boven een verleende bouwvergunning.92

Dat de gemeente kon handhaven als een bouwwerk niet voldeed aan het Bouwbesluit terwijl het bij vergunningverlening die strijdigheid over het hoofd had gezien, stuitte bij de behandeling van de Woningwet 2007 op grote kritiek van de Tweede Kamer. De Tweede Kamer vond het prevaleren van het Bouwbesluit boven de bouwvergunning in strijd met de rechtszekerheid. In die situatie zou de waarde van de bouwvergunning nihil zijn. De PvdA stelde geen genoegen te kunnen nemen met het - naar haar oordeel - afschuiven van verantwoordelijkheden naar de burgers. Het grootste bezwaar was dat een burger met de verlening van een bouwvergunning een schijnzekerheid zou krijgen. Ondanks de vergunningverlening kon een bouwverbod gelden, dat ook strafrechtelijk handhaafbaar was.93 Ook de rechtswetenschap uitte kritiek.94

In de Nota naar aanleiding van het verslag ging de regering uitvoerig in op alle kritiek. De regering verdedigde dat het verbod om te bouwen in strijd met het Bouwbesluit voorrang moest hebben. De kern van het betoog was dat het voor de gemeente een onmogelijke opgave was om met het verlenen van een vergunning te garanderen dat het bouwplan zou voldoen aan alle voorschriften uit het Bouwbesluit. Ten aanzien van bepaalde voorschriften was dit bewijs pas te leveren als het bouwwerk was voltooid, aldus de regering. Een tweede deel van het betoog hield verband met de praktische onmogelijkheid en onwenselijkheid om alle onderdelen van een bouwwerk tot in het kleinste detail in een bouwaanvraag uit te werken. De regering haalde de lengte van spijkers en schroeven aan als voorbeeld.95

Deze argumenten overtuigden de Tweede Kamer onvoldoende. De Kamer kwam met een nader verslag. Naar aanleiding van dat verslag zag de regering zich gedwongen om het wetsvoorstel te herzien. De regering kwam tot het inzicht, dat de gewenste verduidelijking van de verantwoordelijkheidsverdeling niet mocht leiden tot een aantasting van de rechtszekerheid. Met de in de tweede nota van wijziging opgenomen wijziging werd expliciet in de Woningwet bepaald dat een bouwvergunning prevaleerde boven de nieuwbouwvoorschriften uit het Bouwbesluit.96 Dit prevaleren wordt in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit ‘de voorrangsregeling’ genoemd, zie paragraaf 6 van deze publicatie.

Artikel 1b Woningwet (vervallen) luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet als volgt:

Tenzij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk het uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een bouwwerk te bouwen, voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, tweede lid, aanhef en onderdeel d, derde en vierde lid.

Het is verboden een bestaand bouwwerk, open erf of terrein in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, tweede lid, aanhef en onderdeel a, en vierde lid.

(…)

Tenzij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk het uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een bouwwerk, dan wel deel daarvan, in stand te laten voor zover bij het bouwen daarvan niet is voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in het eerste lid.

(…).

In artikel 1b Woningwet is de bevoegdheid voor de gemeente opgenomen om te handhaven als een bouwwerk in strijd met de nieuwbouwvoorschriften uit het Bouwbesluit wordt gebouwd (lid 1) en in stand gelaten (lid 4). Tevens bepaalt lid 2 dat het verboden is om een bouwwerk in strijd met de voorschriften voor bestaande bouw in stand te laten.

Uit lid 1 van artikel 1b Woningwet volgt dat het verboden is een bouwwerk te bouwen voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de nieuwbouwvoorschriften uit het Bouwbesluit. Een uitzondering voor dat verbod geldt indien een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit afwijking van die nieuwbouwvoorschriften uitdrukkelijk toestaat. In lid 4 van artikel 1b Woningwet is het verboden een bouwwerk in strijd met de nieuwbouwvoorschriften in stand te laten, tenzij een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit het uitdrukkelijk toestaat.

In zowel lid 1 als in lid 4 van artikel 1b Woningwet komt de passage ‘tenzij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk het uitdrukkelijk toestaat’ voor. Bedoeld is een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder a, Wabo of een bouwvergunning.97 Een knelpunt is wat ‘uitdrukkelijk’ betekent. De wetgever heeft met ‘uitdrukkelijk’ bedoeld, dat de gemeente bij vergunningverlening niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit. Volgens de parlementaire geschiedenis is daarvan sprake als de afwijking blijkt uit gegevens bij de aanvraag, uit de tekening dan wel uit de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.98 In een uitspraak van 29 mei 2013 is overwogen dat wanneer de afwijking van het Bouwbesluit te zien is in de bij de vergunning behorende de tekening, de vergunning afwijking uitdrukkelijk toestaat.99

Het is een knelpunt hoe lang de gemeente bij een bestaand bouwwerk nog steeds op grond van artikel 1b lid 4 Woningwet de nieuwbouwvoorschriften kan handhaven.100 Nu in het vierde lid staat ‘in stand te laten’, heeft deze bepaling betrekking op een voltooid bouwwerk. Een voltooid en gereedgemeld bouwwerk is bestaande bouw. Dit betekent, dat de gemeente bij een bestaand bouwwerk de nieuwbouwvoorschriften kan handhaven. Een aanwijzing dat het vierde lid geldt bij bestaande bouw, is dat in de parlementaire stukken bij de Woningwet 2007 staat, dat de bevoegdheid om de nieuwbouwvoorschriften te handhaven bij vergunningvrij bouwen in principe niet verjaart.101 Deze bevoegdheid zou volgens de regering niet gelden als door veroudering een bouwwerk niet meer voldoet aan het nieuwbouwniveau.102

De Afdeling stelt terecht in haar advies bij het (destijd nog) wetsvoorstel Wet kwaliteitsborging voor het bouwen dat onduidelijk is of de gemeente na gereedmelding nog de nieuwbouwvoorschriften kan handhaven.103 Minister Blok geeft in reactie aan dat indien na gereedmelding blijkt dat niet aan de nieuwbouwvoorschriften is voldaan, de gemeente daartegen handhavend kan optreden. Dat geldt ook ten aanzien van de rechtsopvolger van de eigenaar, aldus Blok.104

Uit lid 2 van artikel 1b Woningwet volgt, dat het verboden is een bestaand bouwwerk in een staat te brengen of te houden105 die niet voldoet aan de voorschriften voor bestaande bouw.

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de gemeente handhavend kan optreden als een bouwwerk niet aan de voorschriften voor bestaande bouw voldoet, ook als in overeenstemming met de omgevingsvergunning is gebouwd en die omgevingsvergunning afwijking van die voorschriften uitdrukkelijk toestaat. Anders dan in artikel 1b leden 1 en 4 Woningwet komt in lid 2 de passage ‘tenzij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk het uitdrukkelijk toestaat’ immers niet voor. De regering stelt dat er nooit in strijd met de voorschriften voor bestaande bouw mag worden gebouwd. De verantwoordelijkheid dat bouwwerken te allen tijde tenminste voldoen aan de voorschriften voor bestaande bouw rust volgens de regering op de eigenaar of de beheerder van dat bouwwerk.106 De gedachte is dat in de voorschriften voor bestaande bouw een absoluut bodemniveau is neergelegd wat betreft veiligheid, dat de gemeente altijd moet kunnen handhaven.107 De regering gaat ervan uit dat (eeuwen)oude bouwwerken aan de voorschriften voor bestaande bouw voldoen.108

In de Omgevingswet ontbreekt vooralsnog een met artikel 1b Woningwet vergelijkbare bepaling (zolang artikel 2.7a Bbl niet in werking is getreden). Volgens de regering zou dat niet nodig zijn vanwege de directe werking van de bouwtechnische voorschriften, zoals blijkt uit de hoofdstukken 4 en 18 van de Omgevingswet.109 Bestaande bouwwerken moeten volgens de regering ten minste voldoen aan de voorschriften voor bestaande bouw.110 Nieuw te realiseren bouwwerken moeten ten minste aan de nieuwbouwvoorschriften voldoen.111 Of nu volgens een omgevingsvergunning voor een (technische) bouwactiviteit, bouwmelding onder kwaliteitsborging of bouwtechnisch vergunningvrij wordt gebouwd: een bouwwerk moet altijd voldoen aan het Bbl, zie artikel 4.3 en 4.21 Omgevingswet.112

De bestuursrechtelijke handhavingstaak omvat ingevolge artikel 18.1, aanhef en onder c, Omgevingswet het opleggen en het ten uitvoer brengen van een bestuurlijke sanctie vanwege enig handelen of nalaten in strijd met de Omgevingswet. Uit artikel 18.2 lid 4 volgt voorts dat die taak bij het college van burgemeester en wethouders (in deze publicatie: de gemeente) berust.113 Deze bepalingen omvatten de vereiste handhavingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 5:4 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (legaliteitsbeginsel). Een met artikel 1b Woningwet vergelijkbare bepaling kan in zoverre worden gemist. Als een type bouwwerk niet in het Bbl als bouwtechnisch vergunningplichtig is aangemerkt114, maakt dat niet dat de gemeente niet kan handhaven als dat bouwwerk daarmee in strijd is.115

In de Omgevingswet noch in het Bbl is een bepaling opgenomen op basis waarvan een bouwtechnische omgevingsvergunning prevaleert. Dit betekent dat – zonder artikel 2.7a Bbl - de nieuwbouwvoorschriften prevaleren boven hetgeen bij omgevingsvergunning wordt toegestaan. Dit is een wezenlijke verandering die temeer opvalt, omdat de Tweede Kamer zich bij de totstandkoming van de Woningwet 2007 nog uitdrukkelijk heeft uitgesproken tegen het prevaleren van nieuwbouwvoorschriften.116 Uit het oogpunt van rechtszekerheid is het wenselijk - zowel voor de vergunninghouder als voor derden - dat de omgevingsvergunning prevaleert. Als in overeenstemming met een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een (technische) bouwactiviteit is gebouwd en die afwijking van de nieuwbouwvoorschriften uitdrukkelijk toestaat, moet erop kunnen worden vertrouwd dat die voorschriften niet kunnen worden gehandhaafd. Anders is de juridische betekenis van de omgevingsvergunning op dat punt nihil.117

Artikel 2.7a Bbl (voorrangsregel omgevingsvergunning bouwactiviteit algemeen) luidt als volgt118:

Voor zover een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit afwijkt van een in hoofdstuk 4 of 5 gestelde regel, zijn alleen de omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften van toepassing.


In het artikelsgewijs commentaar bij de Nota van Toelichting bij het voorgehangen ontwerpbesluit staat de volgende toelichting bij artikel 2.7a Bbl op pagina 30:

Onderdeel A strekt tot toevoeging van artikel 2.7a aan de algemene bepalingen in hoofdstuk 2 van het Bbl. Het gaat hier om een vergelijkbare voorrangsregel als in verband met monumenten al in artikel 2.8 van het Bbl is opgenomen voor de verhouding tussen een omgevingsvergunning voor de daar genoemde activiteiten met betrekking tot monumenten en de algemene regels uit het Bbl bij een conflict tussen de omgevingsvergunning en een dergelijke regel. In dat geval zijn alleen de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften van toepassing. In artikel 2.7a wordt nu hetzelfde geregeld voor de verhouding tussen de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en de algemene regels uit het Bbl ingeval deze conflicteren. Daarbij kan het in artikel 2.7a uit de aard der zaak alleen gaan om de regels uit de hoofdstukken 4 en 5 van het Bbl (nieuwbouw en verbouw), terwijl het bij artikel 2.8 daarnaast ook kan gaan om de regels uit hoofdstuk 3 (bestaande bouw).

Met artikel 2.7a wordt de regeling zoals die onder het recht voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op grond van artikel 1b, eerste lid, van de Woningwet, gecontinueerd.119 Artikel 2.7a brengt tot uitdrukking dat als er wordt gebouwd met een omgevingsvergunning die toestaat dat wordt gebouwd in afwijking van een in hoofdstuk 4 of 5 van het Bbl gestelde regel, de omgevingsvergunning voorgaat. De betreffende regel treedt dan als het ware terug. Een omgevingsvergunning voorziet in afwijking van een regel uit het Bbl als die afwijking blijkt uit gegevens en bescheiden bij de aanvraag, uit de tekening, of uit de vergunningvoorschriften. Deze al onder artikel 1b, eerste lid, van de Woningwet gehanteerde interpretatie wijzigt onder de Omgevingswet niet. Anders dan in artikel 1b, eerste lid, van de Woningwet wordt in artikel 2.7a echter niet langer gesproken over het “uitdrukkelijk” voorzien in afwijking, omdat die toevoeging naar de huidige inzichten niet nodig is om tot die interpretatie te kunnen komen.

Artikel 2.7a wordt pas nu aan het Bbl toegevoegd omdat in het kader van de totstandkoming van de invoeringswetgeving bij de Omgevingswet ervan is uitgegaan dat de voorrangsregel uit het stelsel van de Omgevingswet zelf zou volgen maar dat blijkt bij nader inzien niet het geval.

Het is onduidelijk waarop de wetgever in de nota van toelichting bij artikel 2.7a Bbl baseert dat de voorrangsregeling (lees: prevaleren omgevingsvergunning) uit het stelsel van de Omgevingswet zelf zou volgen. Het lijkt er meer op dat de wetgever bij de totstandkoming van de Omgevingswet het positief vond dat de omgevingsvergunning niet meer prevaleert boven de nieuwbouwvoorschriften.120 Op geen enkele wijze wordt ook in de nota van toelichting gemotiveerd waaruit die zogenaamde voorrangsregeling dan zou volgen. Bovendien is de wetgever eerder erop gewezen dat ten onrechte geen aandacht is besteed aan de voorrangsregeling.121

In de nota van toelichting wordt niet verduidelijkt wat in artikel 2.7a Bbl wordt bedoeld met ‘omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit’. Het spreekt voor zich dat een omgevingsvergunning alleen kan prevaleren boven de bouwtechnische voorschriften als in het kader van de vergunningverlening ook daadwerkelijk aan de bouwtechnische voorschriften kan worden getoetst. Dat betreft de omgevingsvergunning voor de (technische) bouwactiviteit122 onder de Omgevingswet123, maar ook de omgevingsvergunning voor bouwen onder de Wabo. Laatstgenoemde omgevingsvergunning werd immers aan het Bouwbesluit 2012 getoetst.124 Uitdrukkelijk wordt niet bedoeld de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit125 voor het bouwen van een bouwwerk. Laatstgenoemde omgevingsvergunning is immers alleen getoetst aan het omgevingsplan (de opvolger van het bestemmingsplan) en niet aan het Bbl.

De bouwtechnische omgevingsvergunning prevaleert boven de bouwtechnische voorschriften voor nieuwbouw (hoofdstuk 4 Bbl) en verbouw (hoofdstuk 5 Bbl).

Onduidelijk blijft hoe lang de gemeente de bouwtechnische voorschriften voor nieuwbouw na gereedmelding mag handhaven en wanneer de gemeente moet overgaan tot handhaving van de voorschriften voor bestaande bouw.

 

89 ABRvS 11 januari 2001, zaak nr. 200000887/1, LJN AN6621, en ABRvS 4 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF1429.

90 Paragraaf 1.16 bevat (grotendeels woordelijke) passages uit P.M.J. de Haan, De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften in het publieke bouwrecht. Constructieve veiligheid nader beschouwd (diss. Nijmegen), ’s-Gravenhage: Instituut voor bouwrecht 2017, p. 31 en 32, en P.M.J. de Haan, ‘Handhaving van bouwtechnische voorschriften: artikel 2.7a Bbl als opvolger van artikel 1b Woningwet’, TBR 2024/111.

91 Zie artikel 1b lid 1 en artikel 40 Woningwet in Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 2.

92 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 3, p. 12, en Kamerstukken II 2004/05, 29 392, 9, p. 12 en 13.

93 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 6, p. 2 en 3.

94 J.M.H.F. Teunissen, ‘De herziening van de Woningwet op het punt van de handhaafbaarheid en handhaving. Een verwerpelijk wetsvoorstel’, NJB 2004, p. 418, 420 - 424, en P.J.J. van Buuren, ‘Over verbeterde handhaafbaarheid van bouwregelgeving’, BR 2004, p. 640 - 642.

95 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 6, p. 3 - 5.

96 Kamerstukken II 2004/05, 29 392, 9, p. 16 en 17, en 10. Zie ook A.G.A. Nijmeijer, ‘Vergunnen en handhaven met de gewijzigde Woningwet’, BR 2006, p. 785, 788 en 789.

97 Met de inwerkingtreding van de Wabo is in artikel 1b leden 1 en 4 Woningwet in plaats van ‘tenzij een bouwvergunning’ eerst slechts opgenomen ‘tenzij een omgevingsvergunning’. Nu echter alleen werd bedoeld een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is dat op 1 april 2012 met de inwerkingtreding van de Reparatie BZK gerepareerd, zie Kamerstukken II 2011/12, 33 102, 3, p. 3. Hiermee is duidelijk dat bijvoorbeeld niet met een beroep op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder d, Wabo(oud; voorheen: een gebruiksvergunning) ervoor wordt gezorgd dat de gemeente niet handhavend kan optreden op grond van artikel 1b leden 1 en 4 Woningwet als een bouwwerk niet aan de brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit voldoet.

98 Kamerstukken II 2005/06, 29 392, 13, p. 2, A.R. Neerhof, ‘Rol van het publiekrecht’, in S. van Gulijk & A.R. Neerhof, Constructieve Veiligheid: Een onderzoek naar communicatie en borging in bouwprocessen. Voorkomen is beter dan genezen (Preadviezen voor de Vereniging voor Bouwrecht, nr. 42), ’s-Gravenhage: Instituut voor Bouwrecht 2014, p. 146, en P.M.J. de Haan, ‘De voorgestelde wijzigingen in de preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften’, TBR 2016/79, p. 153.

99 ABRvS 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1366.

100 In de memorie van toelichting bij artikel 1b lid 2 Woningwet (oud, thans lid 4) staat dat dit verbod de mogelijkheid bevat om te handhaven tegen het niet voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften. De gemeente kan handhavend optreden jegens de overtreder van artikel 1b Woningwet, maar ook jegens de rechtsopvolger en iedere verdere eigenaar. Het niet voldoen aan het Bouwbesluit blijft met andere woorden als manco verbonden met de onroerende zaak en krijgt daarmee zaaksgevolg. Aldus wordt bereikt dat de gemeente ook na eigendomsoverdracht kan handhaven ten aanzien van het door een vorige eigenaar niet voldoen aan het Bouwbesluit, zie Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 3, p. 19, 20 en 28.

101 Kamerstukken II 2005/06, 29 392, 14, p. 3.

102 Door autonome veroudering mag een bouwwerk in kwaliteit achteruit gaan, maar deze veroudering mag niet leiden tot een bouwwerk dat op punten niet meer voldoet aan de minimumeisen die gelden voor de staat van bestaande bouwwerken, zie Stb. 2011, 416, p. 180, en Kamerstukken II 2015/16, 34 453, 3, p. 45. Zie ook H.C.W.M. Moesker, ‘Geschilbeslechting bij kwaliteitsborging voor het bouwen. Een verkennend tweeluik. Het publiekrechtelijk kader’, TBR 2016/93, p. 603. Uitvoeriger wordt ingegaan op de vraag of en hoe lang de gemeente de nieuwbouwvoorschriften kan handhaven na gereedmelding in P.M.J. de Haan, De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften in het publieke bouwrecht. Constructieve veiligheid nader beschouwd (diss. Nijmegen), ’s-Gravenhage: Instituut voor bouwrecht 2017, p. 74, 75, 77 en 78.

103 Kamerstukken II 2015/16, 34 453, 4, p. 7.

104 Kamerstukken II 2015/16, 34 453, 4, p. 15, en P.M.J. de Haan, ‘De voorgestelde wijzigingen in de preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften’, TBR 2016/79, p. 509 en 510.

105 Rademaker merkt op dat uit de zinsnede ‘het in een staat laten komen of houden’ volgt dat het ‘nalatig zijn’ (niks doen) expliciet als overtreding is geformuleerd, zie TBR 2015/10, punt 2 van zijn annotatie.

106 Kamerstukken II 2004/05, 29 392, 9, p. 17. Zie voorts Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 6, p. 12, en Kamerstukken II 2005/06, 29 392, 14, p. 3 en 4.

107 Kamerstukken II 2004/05, 29 392, 9, p. 6 - 9, en Kamerstukken II 2005/06, 29 392, 14, p. 3 en 5.

108 Kamerstukken II 2003/04, 29 392, 3, p. 7, en Kamerstukken II 2005/06, 29 392, 14, p. 5, 6 en 13.

109 Nota van toelichting Bbl, Stb. 2018, 291, p. 197.

110 Stb. 2018, 291, p. 236 en 237.

111 Stb. 2018, 291, p. 308. Zie P.M.J. de Haan, ‘Enkele kanttekeningen bij de handhaving van bouwtechnische voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving’, TBR 2016/130, p. 829. Paragraaf 4 bevat (deels woordelijke) passages uit P.M.J. de Haan, De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften in het publieke bouwrecht. Constructieve veiligheid nader beschouwd (diss. Nijmegen), ’s-Gravenhage: Instituut voor bouwrecht 2017, p. 278 - 282.

112 https://iplo.nl/thema/bouw/bouwen-vergunning-melding/vergunningvrije-airco-warmtepompen/.

113 Stb. 2018, 291, p. 200, en Kamerstukken II 2014/15, 33 118, 18, p. 19.

114 Zie de artikelen 2.25, 2.26 en 2.27 Bbl in onderlinge samenhang of een omgevingsvergunning voor een (technische) bouwactiviteit is vereist. Zie daartoe P.M.J. de Haan, Vergunningvrij bouwen onder de Omgevingswet, Den Haag: IBR 2023, p. 35 - 44.

115 Kamerstukken II 2016/17, 33 118, 39, p. 27. Zie ook P.M.J. de Haan, ‘Enkele kanttekeningen bij de handhaving van bouwtechnische voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving’, TBR 2016/130, p. 829 en 830.

116 Zie voorts P.M.J. de Haan, naschrift bij ‘Op welk niveau van het Bouwbesluit 2012 handhaven?’, TBR 2016/170, p. 1083.

117 P.M.J. de Haan, ‘Enkele kanttekeningen bij de handhaving van bouwtechnische voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving’, TBR 2016/130, p. 830, en P.M.J. de Haan & H.C.W.M. Moesker, ‘Bouwen onder de Omgevingswet: minder rechtszekerheid en meer verantwoordelijkheid?’, TBR 2017/109. Van Egmond deelt deze mening niet. Hij vindt het positief dat onder de Omgevingswet de omgevingsvergunning niet meer prevaleert. Hij wijst erop dat in het geldende stelsel de rechtszekerheid van de omgevingsvergunning beperkt is. De omgevingsvergunning prevaleert immers niet boven de voorschriften voor bestaande bouw. Zie H.C.M. van Egmond, ‘Op welk niveau van het Bouwbesluit 2012 handhaven?’, TBR 2016/170, p. 1082 en 1083. Het is in strijd met de rechtszekerheid dat in artikel 1b Woningwet de voorschriften voor bestaande bouw prevaleren. Een rechtvaardiging is echter dat een bouwwerk altijd aan minimale eisen voor veiligheid moet voldoen.

118 In de 7 mei 2024-voorhangversie van het Verzamelbesluit Besluit bouwwerken leefomgeving 2024.

119 Zie voor de achtergrond van deze bepaling Kamerstukken II 2005/06, 29392, 13, p. 2.

120 H.C.M. van Egmond, ‘Op welk niveau van het Bouwbesluit 2012 handhaven?’, TBR 2016/170, p. 1082 en 1083.

121 Zie P.M.J. de Haan, ‘Enkele kanttekeningen bij de handhaving van bouwtechnische voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving’, TBR 2016/130, p. 829 en 830, en P.M.J. de Haan, De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften in het publieke bouwrecht. Constructieve veiligheid nader beschouwd (diss. Nijmegen), ’s-Gravenhage: Instituut voor bouwrecht 2017, p. 280 en 281. In de dissertatie staat hierover: ‘Wellicht is hier sprake van een omissie in de Omgevingswet. (…) Voor zover ik kan nagaan, ontbreekt enige toelichting van de regering waarom ervoor is gekozen om de omgevingsvergunning onder vigeur van de Omgevingswet niet meer te laten prevaleren. (…) verdient dit voor de handhavingspraktijk belangrijke aspect alsnog een toelichting van de regering.’

122 Artikel 5.1 lid 2 onder a Bbl.

123 Artikel 5.20 lid 2 Omgevingswet en artikel 8.3b Besluit kwaliteit leefomgeving.

124 Zie artikel 2.10 lid 1, aanhef en onder a, Wabo.

125 Artikel 5.1 lid 1 onder a Bbl.