Hoofdstuk 3 van het Bal wordt de “richtingaanwijzer” genoemd en de indeling sluit aan bij de bedrijfstak. Zo zijn er categorieën voor de agrarische sector, mijnbouw, transportsector maar ook afvalverwerking. Voor een aantal veelvoorkomende activiteiten is er een aparte categorie gemaakt. Dit zijn de ‘bedrijfstakoverstijgende’ activiteiten. Deze staan in afdeling 3.2 van het Bal. Het gaat dan bijvoorbeeld om de opslag van gevaarlijke stoffen, het in werking hebben van een stookinstallatie maar ook activiteiten met afvalstoffen.
Om de systematiek toe te lichten wordt een veel voorkomende activiteit gekozen die genoemd is in paragraaf 3.2.13 (artikel 3.39) van het Bal. Deze categorie heeft betrekking op het opslaan, scheiden, verdichten en mengen van bedrijfsafval en gevaarlijk afval.
Stap 1: bepalen mba
In het eerste lid van artikel 3.39 Bal is specifiek aangegeven welke activiteiten worden aangemerkt als een mba. Om te kunnen beoordelen of de activiteiten “opslaan”, “scheiden” en “mengen” een mba is, dan is informatie nodig over gewicht of volume. Voor wat betreft mengen moet bijlage II van het Bal erop worden nageslagen; dit is de lijst met categorieën afvalstoffen (zie bijlage 3 bij dit handboek). Artikel 3.39, lid 1 Bal luidt als volgt:
Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen de volgende activiteiten met bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als die worden verricht voorafgaand aan de inzameling of afgifte van die afvalstoffen:
a. het opslaan van meer dan 50 ton gevaarlijke afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;
b. het opslaan van meer dan 45 m³ bedrijfsafvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;
c. het scheiden van de onder a of b bedoelde afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;
d. het op de locatie van productie mengen van gevaarlijke afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de gevaarlijke afvalstoffen behoren;
e. het op de locatie van productie mengen van bedrijfsafvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de bedrijfsafvalstoffen behoren, als het gescheiden houden en gescheiden afgeven gelet op de hoeveelheden en de manier van vrijkomen van deze afvalstoffen en de kosten van het gescheiden houden en gescheiden afgeven op grond van het Landelijk afvalbeheerplan kan worden gevergd;
f. het mengen van afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de eerstgenoemde afvalstoffen behoren op een andere locatie dan de locatie van productie;
g. het mengen van afvalstoffen binnen een van de categorieën 10, 11, 110 of 111 van bijlage II;
h. het mengen van afvalstoffen met andere stoffen dan afvalstoffen; en
i. het verdichten van gevaarlijke afvalstoffen.
Paragraaf 3.2.13 hangt samen met later te bespreken paragraaf 3.5.11 uit het Bal (verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen) waarin de vergunningplicht wordt geregeld die de Kaderrichtlijn afvalstoffen voorschrijft. In de praktijk vallen voornamelijk afvalverwerkers onder paragraaf 3.5.11. De paragraaf 3.2.13 over mengen, opslaan, scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval, heeft betrekking op activiteiten met afvalstoffen die niet specifiek zijn voor bedrijven binnen de afvalsector, maar algemeen voorkomen binnen allerlei bedrijfssectoren. Voor het opslaan, verdichten, scheiden en mengen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen voorafgaand aan inzameling of afgifte zijn geen specifieke regels gesteld. Wel kan een vergunningplicht aan de orde zijn en kunnen er regels voor bijvoorbeeld de bescherming van de bodem en emissies naar de lucht van toepassing zijn.
De Nota van toelichting op het Bal biedt informatie over de achtergronden van de categorieomschrijving In de onderstaande informatie is daarvan gebruik gemaakt. Als je meer informatie wilt over de achtergronden van de categorieën, dan is de Nota van toelichting bij het Bal sowieso een handig hulpmiddel omdat daarin ook wordt aangegeven hoe het onder het voorgaande regime was geregeld.
Voor zover het gaat om de activiteit opslaan, is er sprake van een mba als het opslaan van afvalstoffen gebeurt op een andere plaats dan de plaats waar de afvalstoffen zijn ontstaan. In het Bal wordt gesproken over een andere locatie dan de locatie van productie. De locatie van productie kan elke locatie zijn waar het bedrijf werkzaamheden uitvoert waarbij de afvalstoffen ontstaan. Onder de mba in paragraaf 3.2.13 valt bijvoorbeeld een hovenier die zijn snoeiafval van een locatie waar hij snoeiwerkzaamheden verricht, meeneemt naar zijn eigen locatie en daar opslaat. Of een aannemer die zijn bouw- en sloopafval van een slooplocatie meeneemt naar zijn eigen locatie om daar op te slaan en eventueel te scheiden. Andere voorbeelden zijn onderhoudsbedrijven die hun oplosmiddelresten, dakafval of lege ongereinigde verpakkingen die vrijkomen bij hun werkzaamheden op de onderhoudslocatie, meenemen naar de eigen locatie. In alle genoemde voorbeelden moet het gaan om hoeveelheden van meer dan 50 ton als het gevaarlijk afval is of meer dan 45 m³ als het bedrijfsafval is. Het meenemen van deze afvalstoffen naar de eigen locatie leidt over het algemeen tot een doelmatiger beheer van de afvalstoffen. Het gaat hier uitsluitend om het opslaan van afvalstoffen die bij de eigen werkzaamheden ontstaan. Als andere afvalstoffen (van derden) worden meegenomen is sprake van inzameling of afgifte en valt het opslaan onder paragraaf 3.5.11 uit het Bal (“afvalverwerking-mba”). De grens van 50 ton uit onderdeel a van artikel 3.39, lid 1 komt overeen met de grenswaarde die gold voor categorie 28.10, onder 12°, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht en is gebaseerd op de grens uit de Richtlijn industriële emissies voor de tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen (categorie 5.5 van bijlage I bij de RieE). Voor bedrijfsafvalstoffen moet het om meer dan 45 m³ (in totaal) gaan, om onder de paragraaf te vallen. Deze grenswaarde komt overeen met de grenswaarde die gold voor categorie 28.10, onder 12°, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht. De hoeveelheid van 45 m³ komt overeen met de inhoud van de grootste container die over de weg vervoerd mag worden. Bij de meeste bedrijven zal het om veel kleinere hoeveelheden gaan.
Het scheiden van afvalstoffen op een andere plaats dan de plaats waar de afvalstoffen zijn ontstaan, valt alleen onder de aangewezen activiteiten als ook het opslaan van die afvalstoffen daaronder valt. Dus een bedrijf dat meer dan 45 m³ bouwafval en sloopafval meeneemt naar zijn eigen locatie om daar op te slaan en te scheiden, valt ook voor het scheiden onder de aanwijzing van de activiteit. Het opslaan of scheiden van afvalstoffen dat gebeurt op de plaats waar de afvalstoffen zijn geproduceerd valt niet onder de in dit artikel aangewezen mba. De hoeveelheid afvalstoffen is daarbij niet relevant.
Bij het mengen van afvalstoffen gaat het om het samenvoegen van afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van afvalstoffen (onder d en e) of het samenvoegen van afvalstoffen met andere stoffen die geen afvalstoffen zijn (onder f). Onder mengen valt ook het samenvoegen van afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, maar verschillend zijn van aard. De categorieën van afvalstoffen zijn in bijlage II bij het Bal aangewezen. In het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) is aangegeven in welke gevallen het gescheiden houden van afvalstoffen kan worden gevergd en wat het beleid is ten aanzien van het mengen van afvalstoffen.
Stap 2: Functioneel ondersteunende activiteiten
Bij deze categorie zijn er geen functioneel ondersteunende activiteiten aangewezen.
Stap 3: Bepalen uitzonderingen
In artikel 3.39, lid 2 zijn de uitzonderingen bepaald:
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het mengen of scheiden van bouwafval en sloopafval, voor zover het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is;
b. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.5.11;
c. de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, met huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en
d. het opslaan van CO₂ voor het permanent opslaan van CO₂ als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet.
De activiteiten waarop het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) van toepassing is, vallen niet onder deze paragraaf. Dit is het geval bij het mengen of scheiden van bouwafval en sloopafval tijdens het bouwen of slopen van een bouwwerk. Ook op het mengen of scheiden tijdens het breken van bouwafval en sloopafval gedurende een periode van ten hoogste drie maanden op of in de directe nabijheid van de sloopplaats of bouwplaats waar het afval vrijkomt, is het Bbl van toepassing (paragraaf 7.2) en niet het Bal. In dat geval valt het mengen of scheiden ook niet onder de aanwijzing van paragraaf 3.2.13.
In onderdeel b is geregeld dat als met een afvalstof naast de activiteiten die in dit artikel genoemd worden ook activiteiten uitgevoerd die in artikel 3.184 zijn aangewezen als milieubelastende activiteit, niet onder deze activiteit, maar onder de activiteit van paragraaf 3.5.11 valt.
Als de in het eerste lid genoemde activiteiten plaatsvinden met huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven, vallen ze op grond van onderdeel c niet onder de aanwijzing van de milieubelastende activiteit. Gelet op de definitie van het begrip gevaarlijke afvalstoffen, kunnen huishoudelijke afvalstoffen ook gevaarlijke afvalstoffen zijn. Deze paragraaf is daarop niet van toepassing zolang de afvalstoffen niet zijn ingezameld of afgegeven.
Tot slot wordt onder d een uitzondering gemaakt voor de afvalstof CO₂. Voor de opslag van CO₂ geldt namelijk specifieke regelgeving op grond van de Mijnbouwwet.
Stap 4: vergunningplicht
Artikel 3.40 geeft duidelijkheid of er hier sprake is van vergunningplicht:
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.39.
2. Het verbod geldt niet voor:
a. het opslaan en samenvoegen van grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie als bedoeld in artikel 25d van dat besluit;
b. het opslaan en samenvoegen van baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, licht verontreinigd of matig verontreinigd als bedoeld in artikel 25d van dat besluit;
c. het opslaan van niet meer dan 600 m³ groenafval dat een bedrijfsafvalstof is; of
d. het opslaan van niet meer dan 45 m³ per stroom gescheiden gehouden bedrijfsafvalstoffen die horen bij dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II.
3. Het verbod geldt ook niet voor het scheiden van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit artikel.
De vergunningplicht is zo geformuleerd dat in beginsel alle activiteiten die in artikel 3.39 zijn aangewezen als milieubelastende activiteiten ook vergunningplichtig zijn. In het tweede en derde lid is een aantal uitzonderingen opgenomen.
Bij de vervolgvraag wie het bevoegd gezag is om de omgevingsvergunning te verlenen moet het Omgevingsbesluit geraadpleegd worden.
De Omgevingswet gaat uit van het “decentraal-tenzij”-beginsel. Daarom is voor een milieubelastende activiteit uit het Bal in beginsel het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag (artikel 2.3 Bal en artikel 18.2 Omgevingswet). In artikel 4.6 van het Omgevingsbesluit is aangegeven voor welke activiteiten gedeputeerde staten bevoegd zijn om de omgevingsvergunning te verlenen:
Gedeputeerde staten beslissen op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:
a. [...]
b. [...]
c. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, 3.48, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 3.47, onder a, 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, 3.91, eerste lid, of 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving;
Aangezien artikel 3.39 niet is genoemd, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de mba plaatsvindt, bevoegd om de vergunning te verlenen.
Stap 5: Welke regels van toepassing?
In artikel 3.40a van het Bal staat het volgende:
Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.39 wordt voldaan aan de regels over het opslaan van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.32, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.
Hier blijkt de duidelijke functie van “richtingaanwijzer”: als vaststaat dat er geen vergunning hoeft te worden aangevraagd, dan gelden er regels die zijn genoemd in hoofdstuk 4, paragraaf 4.32. In paragraaf 4.32 van het Bal staat het volgende:
Artikel 4.431c
1. Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van afvalstoffen.
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van:
a. verwijderd asbest, bedoeld in paragraaf 4.52; en
b. goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
Artikel 4.431d.
Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden afvalstoffen:
a. voorafgaand aan nuttige toepassing niet langer dan drie jaar opgeslagen; en
b. voorafgaand aan verwijdering niet langer dan een jaar opgeslagen.
Feitelijk wordt dus alleen een maximale opslagtermijn gesteld. De maximering van de opslagduur komt overigens voort uit de Europese richtlijn storten, op grond waarvan sprake is van een stortplaats als afvalstoffen voorafgaand aan nuttige toepassing langer dan drie jaar worden opgeslagen en voorafgaand aan verwijdering langer dan een jaar.
Stap 6: Welke gegevens nodig bij de melding?
Er zijn bij deze activiteit geen extra procedurele bepalingen opgenomen over informatieplicht of melden. Als er geen omgevingsvergunning nodig is, dan hoeft men dus uitsluitend te voldoen aan de opslagtermijnen in paragraaf 4.32 van het Bal.