Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de categorie “complexe bedrijven” geïntroduceerd. Hieronder vallen Seveso-bedrijven (bedrijven die gevaarlijke stoffen opslaan of verwerken, voorheen bekend als de zogenaamde “Brzo-inrichtingen”) en een aantal Integrated Pollution Prevention and Control (IPPC-)installaties. De complexe bedrijven zijn opgenomen in paragraaf 3.3 van het Bal en voor afvalbedrijven is met name paragraaf 3.3.10 “Afvalbeheer IPPC-installaties” van belang. Hieronder is deze categorie als voorbeeld uitgewerkt.

Stap 1: bepalen mba

In artikel 3.78 is in lid 1 het volgende bepaald:

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:
a. het exploiteren van een IPPC-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het exploiteren van een IPPC-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. het exploiteren van een IPPC-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en
d. het exploiteren van een IPPC-installatie voor het ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

In dit geval moet dus bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies worden geraadpleegd. Hierin zijn de volgende categorieën opgenomen:

5. Afvalbeheer
5.1. De verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten:
a) biologische behandeling;
b) fysisch-chemische behandeling;
c) mengen of vermengen voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen; d) herverpakking voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen;
e) terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen;
f) recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of metaalverbindingen;
g) regeneratie van zuren of basen;
h) terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan;
i) terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren;
j) herraffinage van olie en ander hergebruik van olie;
k) opslag in waterbekkens.

5.3. a) De verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van één of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in Richtlijn 91/271/EEG van de Raad:
i) biologische behandeling, zoals anaerobe vergisting of co-vergisting;
ii) fysisch-chemische behandeling;
iii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
iv) behandeling van slakken en as;
v) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.

b) Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG vallen:
i) biologische behandeling, zoals anaerobe vergisting;
ii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
iii) behandeling van slakken en as;
iv) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.
Indien de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaerobe vergisting, bedraagt de maximale capaciteitsdrempelwaarde voor deze activiteit 100 ton per dag.

5.5 Tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4 vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een van de onder de punten 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie.

5.6 Ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan 50 ton.

Stap 2: bepalen functioneel ondersteunende activiteit

In lid 2 van art. 3.78, lid 2 is het volgende bepaald:

De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Functioneel ondersteunende activiteiten zijn activiteiten die ten dienste staan van het exploiteren van de IPPC-installatie en dit ook mogelijk maken. Functioneel ondersteunen is breed bedoeld en omvat naast technische ondersteuning van de kernactiviteit ook facilitaire voorzieningen zoals een centrale persluchtvoorziening of een laboratorium, facilitaire diensten zoals onderhoud, administratie of beveiliging, en faciliteiten voor personeel en bezoekers zoals een kantine of parkeerterrein.

Stap 3: uitzonderingen
Bij deze categorie zijn er geen uitzonderingen benoemd.

Stap 4: vaststellen of er sprake is van vergunningplicht
Uit artikel 3.79 blijkt dat er in dit geval altijd sprake is van een vergunningplicht:

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.78.

In artikel 4.6 van het Omgevingsbesluit is aangegeven voor welke activiteiten gedeputeerde staten bevoegd zijn om de omgevingsvergunning te verlenen. In artikel 4.6 is ook artikel 3.79 van het Bal benoemd:

Gedeputeerde staten beslissen op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

a. […]

b.[…]

c. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, 3.48, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 3.47, onder a, 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, 3.91, eerste lid, of 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Stap 5: welke regels
In artikel 3.80 van het Bal is aangegeven dat wordt voldaan aan de regels voor het shredderen van autowrakken als bedoeld in paragraaf 4.31 van het Bal. Daarnaast zijn de regels uit hoofdstuk 5 van toepassing verklaard (over onder andere zeer zorgwekkende stoffen en energieverbruik e.d.):

1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.78, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over het shredderen van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.31.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een IPPC-installatie;
b PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om: 1° het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en 2° het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
c verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en
e emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.