Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet was het begrip “inrichting” cruciaal voor de vraag onder welke regime een afvalstoffenbedrijf in werking mocht zijn. Aan de hand van de categorieën uit het bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) behorende Besluit omgevingsrecht kon bepaald worden of de activiteiten werden uitgevoerd binnen een vergunningplichtige inrichting of dat er sprake was van een inrichting die viel onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het begrip inrichting was in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer omschreven als bedrijvigheid met nadelige gevolgen voor het milieu en die voldoet aan de voorwaarden dat het bedrijfsmatig is (of een omvang heeft alsof zij bedrijfsmatig is), dat de activiteit met een zekere duur wordt uitgevoerd en binnen een zekere begrenzing wordt uitgevoerd. Uitsluitend het laatste criterium komt (in een andere vorm) terug in de systematiek onder de Omgevingswet. Anders dan voorheen kunnen hobbymatige activiteiten (niet bedrijfsmatig of in een vergelijkbare omvang) en kortdurende activiteiten (“met een zekere duur”) voortaan ook milieubelastende activiteiten zijn (mits de activiteit is aangewezen). Bij de vraag of sprake was van één of twee inrichtingen moest sprake zijn van technische, organisatorische en functionele bindingen. Onder de Omgevingswet komen alleen de functionele bindingen terug bij de vraag of bij milieubelastende activiteiten sprake is van functioneel ondersteunende activiteiten. Omdat de jurisprudentie over categorie-indeling en inrichtingenbegrip mogelijk nog wel relevant kan zijn in overgangsrechtelijke situaties, is in paragraaf 8.9 een overzicht opgenomen van de jurisprudentie uit het pré-Omgevingswet tijdperk.
Met de komst van de Omgevingswet is de milieubelastende activiteit (mba) het centrale begrip geworden om te bepalen welke regels van toepassing zijn op bedrijfsactiviteiten. In artikel 4.3, lid 1 van de Omgevingswet is bepaald dat bij AMvB regels worden gesteld over de mba. Op grond van de begrippenlijst in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder een milieubelastende activiteit verstaan: "een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit." Kort gezegd is een mba dus een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, anders dan bepaalde lozingen en wateronttrekkingen. De wet wijst deze laatstgenoemde activiteiten namelijk als aparte activiteiten aan.
In art. 4.22, lid 1, van de Omgevingswet worden de oogmerken genoemd, waarmee deze regels van rijkswege worden gesteld:
a. het waarborgen van de veiligheid,
b. het beschermen van de gezondheid,
c. het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen van de kwaliteit van de lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en een
doelmatig beheer van afvalstoffen
.
In lid 2 is bepaald dat de regels er in ieder geval toe strekken dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen,
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen,
de beste beschikbare technieken worden toegepast,
geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt,
het ontstaan van afvalstoffen zoveel mogelijk wordt voorkomen en de ontstane afvalstoffen doelmatig worden beheerd,
energie doelmatig wordt gebruikt,
maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken,
bij de definitieve beëindiging van activiteiten maatregelen worden getroffen om significante nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.
Uit deze opsomming blijkt dat preventie van afvalstoffen (voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen) en het doelmatig beheer ervan als uitgangspunt geldt bij de regels voor alle mba’s, dus niet alleen voor de bedrijven waar afvalstoffen worden verwerkt.
De AMvB waarin de mba’s zijn opgenomen is het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uitgangspunt is dat bedrijven moeten voldoen aan de algemene regels. Bedrijven vallen onder de algemene regels tenzij ze zijn aangemerkt als vergunningplichtig. De reden om een aantal bedrijfstakken onder de vergunningplicht te brengen is dat de algemene regels niet altijd voldoende bescherming bieden voor de fysieke leefomgeving. Daarnaast vraagt internationaal recht (zoals de Europese Richtlijn industriële emissies, Rie) soms expliciet om een vergunning. De Omgevingswet (artikel 5.1) biedt de grondslag voor de vergunningplicht. De vergunning is vooral geschikt voor situaties waarin een voorafgaande individuele beoordeling en belangenafweging nodig zijn, toegespitst op een specifiek geval of gebied. Deze beoordeling is een vorm van maatwerk, aanvullend op de algemene regels. Het gaat meestal om complexere gevallen waarbij een omgevingsvergunning nodig wordt geacht voor een deel of de gehele milieubelastende activiteit.
Voor de meeste milieubelastende activiteiten is het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag. Voor een beperkt aantal activiteiten met een hoog milieurisico (de zogenoemde ‘complexe bedrijven’) zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag. Het Omgevingsbesluit bevat de bevoegdheidsverdeling (artikel 4.6 Omgevingsbesluit).
Om te bepalen of een activiteit is aangemerkt als mba en zo ja, welke regels van toepassing zijn, moet het Bal worden geraadpleegd. Het startpunt bij het raadplegen van het Bal is hoofdstuk 3. Hierin staat de zogenaamde ‘richtingaanwijzer’. Deze richtingaanwijzer in hoofdstuk 3 van het Bal wijst mba’s aan waarvoor algemene regels uit hetzelfde Bal gelden. Als een activiteit is genoemd in hoofdstuk 3 dan gelden er dus algemene regels. Als een activiteit niet genoemd is in het Bal dan is het ook mogelijk dat er op een andere plaats milieuregels zijn gesteld, bijvoorbeeld in het gemeentelijke omgevingsplan.
In de volgende paragrafen wordt de systematiek uit het Bal toegelicht.