Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Brief van minister Schultz van Haegen (IenM) aan de Tweede Kamer over de stelselherziening van het omgevingsrecht.

Het kabinet is in 2011 gestart met de stelselherziening van het omgevingsrecht. Met deze herziening werken we aan een stelsel met eenvoudige en gemakkelijk te begrijpen regels ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Sinds de vorige brief waarin ik uw Kamer heb geïnformeerd 1) zijn er belangrijke stappen gezet. Het kabinet is verheugd dat het wetsvoorstel aan uw Kamer is aangeboden en kan worden behandeld.

17 June 2014

Geachte voorzitter, 

Het kabinet is in 2011 gestart met de stelselherziening van het omgevingsrecht. 

Met deze herziening werken we aan een stelsel met eenvoudige en gemakkelijk te begrijpen regels ten aanzien van de fysieke leefomgeving. 

Sinds de vorige brief waarin ik uw Kamer heb geïnformeerd 1) zijn er belangrijke stappen gezet. Het kabinet is verheugd dat het wetsvoorstel aan uw Kamer is aangeboden en kan worden behandeld. 

 

1) Kamerstukken II, 2013-2014, 33 118, nr. 8, Voortgangsbrief stelselherziening omgevingsrecht oktober 2013, 28 oktober 2013.

Doel van deze brief 

Om context te geven aan de behandeling van het wetsvoorstel Omgevingswet informeer ik u, mede namens de minister-president, de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, de bewindslieden van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Wonen en Rijksdienst, Veiligheid en Justitie, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Defensie over de voortgang van de verschillende onderdelen van de stelselherziening. Deze brief informeert u over de stand van zaken van de uitvoeringsregelgeving bij dit wetsvoorstel, de implementatie van de stelselherziening en het digitale stelsel van de Omgevingswet. 

 

Indiening wetsvoorstel Omgevingsrecht 

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het wetsvoorstel Omgevingswet is begin dit jaar ontvangen. Op basis van dit advies zijn verbeteringen aan het wetsvoorstel aangebracht en is het wetsvoorstel gereed gemaakt voor indiening bij uw Kamer. In het nader rapport is aangegeven hoe met het advies van de Afdeling is omgegaan. 

 

Beschikbare informatie 

Voor informatie over het wetsvoorstel verwijs ik naar het nader rapport en de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.Daarnaast is er een informatieve website 2) waarop antwoorden worden gegeven op veelgestelde vragen over de stelselherziening. De site geeft overzichtelijk en thematisch inzicht in verschillende aspecten van het wetsvoorstel en zal gedurende het proces van de  stelselherziening regelmatig worden geactualiseerd. 

 

Vertrouwen bestuurlijke koepels 

De bestuurlijke koepels hebben aangegeven vertrouwen te hebben in het wetsvoorstel dat nu voorligt. Dat is voor het kabinet belangrijk, omdat gemeenten, provincies en waterschappen belangrijke taken en verantwoordelijkheden hebben bij de zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De actieve betrokkenheid van de bestuurlijke koepels is en blijft cruciaal voor de kwaliteit van de stelselherziening. 

 

Uitgevoerde moties 

Met de indiening van het wetsvoorstel Omgevingsrecht geeft het Kabinet uitvoering aan een aantal moties. In bijlage 2 bij deze brief wordt beschreven om welke moties het gaat en op welke wijze deze uitvoering hebben gekregen. 

 

De uitvoeringsregelgeving 

De stelselherziening omvat meer dan het wetsvoorstel. Inmiddels zijn ook stappen gezet in het ontwerpen van de uitvoeringsregelgeving. Wet en uitvoeringsregelgeving vormen samen het toekomstige wettelijke stelsel. Er zullen de komende periode nog beleidskeuzes in de uitvoeringsregelgeving moeten worden gemaakt. De basis daarvoor biedt het wetsvoorstel Omgevingswet, dat richting geeft aan de uitvoeringsregelgeving. Een spoedige behandeling van het wetsvoorstel in uw Kamer draagt bij aan een tijdige voortgang van de uitvoeringsregelgeving. 

 

 

Vereenvoudiging van de uitvoeringsregelgeving 

De uitvoeringsregelgeving bevat onder meer de normen waar bestuursorganen, burgers en bedrijven in de praktijk mee te maken zullen krijgen. Er wordt bepaald welke procedures gelden voor welke besluiten en waaraan aangevraagde omgevingsvergunningen worden getoetst. Deze uitvoeringsregelgeving is daarmee belangrijk en medebepalend voor de werking van het stelsel als geheel en voor 

het behalen van de doelstellingen van de stelselherziening. De invulling van de uitvoeringsregelgeving is ook van belang voor het behalen van de voorziene vermindering van lasten-/regeldruk die het kabinet beoogt. Over de structuur van de AMvBs heb ik u in een eerdere brief 3) geïnformeerd. Er bestaat inmiddels een goed beeld van de onderwerpen die moeten worden opgenomen in het nieuwe stelsel van uitvoeringsregelgeving. Daarmee is duidelijk op welke plek deze worden geregeld. Ook zijn lijnen ontwikkeld over de wijze waarop de verschillende onderwerpen worden benaderd. Hieronder en in de bijlage treft u hierover nadere informatie aan.

2) https://veelgesteldevragenomgevingswet.pleio.nl/ 

3) Kamerstukken II, 2013-2014, 33 118, nr. 8, Voortgangsbrief stelselherziening 

omgevingsrecht oktober 2013, 28 oktober 2013.

Harmonisatie wet en uitvoeringsregelgeving 

In de bestaande regelgeving zijn voor verschillende sectoren vergelijkbare regels op verschillende niveaus vastgelegd (wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling). Zo zijn de normen op het gebied van luchtkwaliteit vastgelegd in de wet, maar die voor waterkwaliteit op het niveau van een AMvB. 

De keuze wat op welk niveau is vastgelegd, is vaak afhankelijk van onderwerp, wetgevingsfamilie en -cultuur. Bij het ontwerpen van het nieuwe stelsel van het omgevingsrecht heeft het kabinet qua niveau waarop de regelgeving wordt vastgelegd, één lijn getrokken. De verschillen in de bestaande regelgeving worden daarmee weggenomen. 

Met deze harmonisatie wordt tegemoetgekomen aan een van de grootste klachten over het bestaande omgevingsrecht: de gelaagdheid en de versnippering van de regelgeving. Gebruikers krijgen door deze keuze makkelijker een samenhangend beeld van de regels die van toepassing zijn. Daarnaast leidt het tot een inzichtelijke en bestendige wet die de hoofdzaken regelt en sturing geeft aan de verdere uitwerking in AMvBs en ministeriële regelingen. Ook wordt tijdige implementatie van de Europese richtlijnen beter mogelijk door de normstelling in de AMvBs vast te leggen. De gemaakte keuzes zijn nader beschreven in paragraaf 5.13 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. 

 

De gebruiker centraal 

Bij het ontwerp van het stelsel van de uitvoeringsregelgeving staat de gebruiker centraal. Het nieuwe stelsel moet er voor zorgen dat de inzichtelijkheid en het gebruiksgemak veel groter worden. Bepalingen uit bestaande wetten en circa 60 sectoraal georiënteerde AMvBs worden geharmoniseerd, geordend en waar nodig opnieuw ontworpen in een systeem dat voor de gebruiker inzichtelijk is. Met de wetten en AMvBs die later in het stelsel worden opgenomen gaat het uiteindelijk om een totaal van circa 120 AMvBs. 

Het kabinet kiest bij het ontwerp van het stelsel van de uitvoeringsregelgeving voor een doelgroepbenadering. Dat wil zeggen dat de regels die voor burgers en bedrijven gelden, zoveel mogelijk bij elkaar worden gebracht. Dat geldt ook voor de regels die tot bestuursorganen zijn gericht. Concreet betekent dit dat een burger of een bedrijf niet, zoals nu het geval is, in veel sectorale AMvBs moet zoeken welke inhoudelijke vereisten op zijn of haar initiatief van toepassing zijn. Deze regels zullen overzichtelijk bij elkaar staan in slechts enkele AMvBs. 

Bij dit alles zal het principe bundeling, tenzij worden gehanteerd: regels worden in beginsel gebundeld in één algemene maatregel van bestuur, tenzij het omwille van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak voor de doelgroep effectiever is om de regels te verdelen over meerdere algemene maatregelen van bestuur. Deze vergaande vorm van stroomlijning, systematisering en bundeling van regels vergroot het gebruiksgemak aanzienlijk. 

 

Beschrijving toekomstige AMvBs 

Het stelsel van de uitvoeringsregelgeving zal vooralsnog bestaan uit vier AMvBs, aangeduid als het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving en twee besluiten met algemene regels over activiteiten in de leefomgeving. Hieronder wordt een korte schets van de verschillende AMvBs gegeven. In de bijlage is een beschrijving opgenomen van de onderwerpen die een plek krijgen in de uitvoeringsregelgeving. 

 

 

Omgevingsbesluit 

Het Omgevingsbesluit geeft de algemene en procedurele bepalingen ter uitwerking van de instrumenten van de Omgevingswet. Deze bepalingen zijn van belang voor burgers, bedrijven en de overheid. Het verbeteren van de besluitvorming door een vereenvoudiging van het historisch gegroeide stelsel van regels is een belangrijke opgave bij het opstellen van het Omgevingsbesluit. De zes kerninstrumenten uit het wetsvoorstel de omgevingsvisie, het programma, het omgevingsplan/de provinciale en waterschapverordening, de algemene regels voor activiteiten in de leefomgeving, het projectbesluit en de omgevingsvergunning - zijn hiervoor de basis. Het Omgevingsbesluit werkt dit verder uit. De vergunningplichtige activiteiten en de indieningvereisten die voor de vergunning gelden, wil ik verminderen en harmoniseren. Het Omgevingsbesluit zal ook bepalingen bevatten over grondexploitatie en over toezicht en handhaving. Daarnaast zal het Omgevingsbesluit zorgen voor meer helderheid over de plan-mer. Tot slot is ook de toedeling van het bevoegd gezag, aanvullend op wat het wetsvoorstel daarover regelt, een belangrijk onderdeel van het Omgevingsbesluit. 

 

Besluit kwaliteit leefomgeving 

Het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft inhoudelijke normen voor de leefomgeving die zich richten tot bestuursorganen. Concreet gaat het om de vaststelling van omgevingswaarden en het stellen van instructieregels die de doorwerking van omgevingswaarden en andere doelen naar besluitvorming van bestuursorganen regelen. Zoals in de brief over de modernisering van het milieubeleid 4) isaangegeven, wordt bezien op welke manier deze normen bijdragen aan het achterliggende doel van het beleid: het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving. Het RIVM is gevraagd verschillende normen op een rij te zetten en die te relateren aan de achterliggende doelen. De uitkomsten hiervan worden betrokken bij het opstellen van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit besluit zal ook de toetsingskaders voor vergunningen en bepalingen over monitoring en informatie bevatten. Het Besluit kwaliteit leefomgeving richt zich daarmee primair op besluiten en taken van overheden. 

4) Kamerstukken 2013-2014, 28 663, nr.55, Modernisering milieubeleid, 10 maart 2014.

 

Activiteiten in de leefomgeving 

De uitvoeringsregelgeving voor activiteiten in de leefomgeving omvat de regels die zich rechtstreeks richten tot burgers, bedrijven en overheden bij hun feitelijk handelen. Het gaat om een groot aantal regels, die nu voor het grootste deel zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Bouwbesluit 2012. 

Vanwege de herkenbaarheid zal deze groep regels vooralsnog uit twee AMvBs bestaan die aansluiten bij de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. 

Eén AMvB zal gericht zijn op voornamelijk bouwen en een tweede AMvB is gericht op water en milieu. Deze aanpak biedt de mogelijkheid om samenhang aan te brengen in de manier waarop regels nu zijn vormgegeven. Een voorbeeld is de wijze waarop maatwerkvoorschriften kunnen worden toegepast. Dit verschilt momenteel in het bouwbesluit en in het activiteitenbesluit. Een eenduidige vormgeving verduidelijkt en vergemakkelijkt het gebruik. Tevens zal worden bezien of er meer ruimte voor maatwerk nodig is om tot een gezonde en veilige leefomgeving te komen. 

In de uitvoeringsregelgeving over de activiteiten in de leefomgeving wordt duidelijk waar de mogelijkheid wordt geboden om met gelijkwaardige maatregelen aan een voorschrift te voldoen. Bij het opstellen van de regelgeving wordt bezien in hoeverre verplichte meldingen noodzakelijk zijn. De inzichtelijkheid in de regels wordt vergroot door verwijzingen naar (private) normen te beperken en te harmoniseren. 

 

Proces 

Op basis van het hierboven beschreven ontwerp van het stelsel zullen in de komende periode beleidskeuzes worden gemaakt. Het kabinet streeft er naar de concepten van de uitvoeringsbesluiten in 2015 gereed te hebben voor de formele toetsen en de consultatiefase. Ik vind betrokkenheid van de belanghebbenden in de verschillende fases cruciaal. Dit met het oog op de kwaliteit van de regelgeving, dat zich ook vertaalt in draagvlak in de samenleving. De manier van intensieve samenwerking met de betrokken partijen (zowel bestuurlijk als maatschappelijk) bij de ontwikkeling van het wetsvoorstel zet het kabinet dan ook voort bij het opstellen van de uitvoeringsregelgeving. Dit staat los van de wettelijke waarborgen voor een zorgvuldige totstandkoming van en een brede betrokkenheid bij de AMvBs, zoals de internetpublicatie en een inspraakmogelijkheid voor iedereen, de advisering van de Raad van State en de voorhangprocedure bij de Staten-Generaal. Aan deze wettelijke eisen zal ik vanzelfsprekend ook voldoen. 

 

Bestuurlijke en maatschappelijke betrokkenheid 

De manier waarop in de stelselherziening omgevingsrecht wordt samengewerkt gaat zoals gesteld verder dan de wettelijke verplichte stappen. De 

afsprakenkaders die tijdens het werkproces van de Omgevingswet zijn opgesteld met de bestuurlijke koepels hebben ook betrekking op de uitvoeringsregelgeving. 

Met het bedrijfsleven en natuur-, milieu- en andere organisaties voer ik regelmatig overleg. Ook de vijf adviescommissies die voor de stelselherziening zijn ingesteld hebben een belangrijke rol. Net als bij de totstandkoming van het wetsvoorstel worden deze regelmatig om advies gevraagd bij de ontwikkeling van de uitvoeringsregelgeving. De brede groep overige belanghebbenden wordt onder andere via het overlegorgaan infrastructuur en milieu om inbreng gevraagd. 

Net als bij het wetsvoorstel maak ik gebruik van zogenoemde botsproeven om conceptversies van de regelgeving te toetsen aan de praktijk. In de botsproeven worden simulaties met deelnemers vanuit decentrale overheden en de adviespraktijk uitgevoerd, waarin steeds verschillende doelen, instrumenten en actoren uit de uitvoeringsregelgeving centraal staan. Hieruit voortkomende conclusies en aanbevelingen worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van de regelgeving. 

 

Betrokkenheid van uw Kamer 

Zoals ook de Raad van State aangeeft is de stelselherziening een omvangrijk project dat alleen in verschillende stappen kan worden uitgevoerd en waarin verschillende producten worden opgeleverd. Vanzelfsprekend is uw Kamer bij deze verschillende stappen en producten betrokken. Het opstellen van de uitvoeringsregelgeving is na het wetsvoorstel Omgevingswet de tweede stap. Het wetsvoorstel is het fundament op basis waarvan de uitvoeringsregelgeving wordt ontwikkeld. Omdat de uitkomsten van het debat over het wetsvoorstel bepalend zijn voor de inhoud van de uitvoeringsregelgeving, vind ik het van belang om tijdig het debat te voeren over het wetsvoorstel. Uw Kamer kan dan haar oordeel geven over de te volgen stappen in de stelselherziening en geeft daarmee aan de voorkant richting aan het opstellen van de uitvoeringsregelgeving. 

Over de beleidskeuzes die moeten worden gemaakt bij het opstellen van de uitvoeringsregelgeving zal ik u voor het einde van dit jaar schriftelijk informeren. 

Deze ontwerpen zullen in het kader van de voorhangprocedure aan beide kamers van de Staten Generaal worden voorgelegd. Uw Kamer kan zich dan een oordeel vormen over de uitvoeringsregelgeving als geheel en hierover van gedachten wisselen met het kabinet. 

 

Invoeringsregelgeving 

Naast het opstellen van de uitvoeringsregelgeving is nog een derde stap noodzakelijk. Het gehele stelsel van het nieuwe omgevingsrecht kan pas in werking treden als naast het wetsvoorstel en de uitvoeringsregelgeving ook de invoeringsregelgeving behandeld is in uw Kamer, alsmede in de Eerste Kamer. De invoeringsregelgeving zorgt voor een aanpassing van de bestaande regelgeving 

aan het nieuwe stelsel. De Raad van State adviseert om de AMvBs voor de uitvoeringsregelgeving tegelijk met het voorstel voor de Invoeringswet 

Omgevingswet in procedure te brengen, zodat op dat moment een goed totaalbeeld bestaat. De nieuwe uit- en invoeringsregelgeving zal in lijn met dit advies parallel worden voorbereid. Het kabinet streeft ernaar de AMvBs en het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet gelijktijdig in procedure te brengen bij de Raad van State. De invoeringswet zal na advisering van de Raad van State worden behandeld in uw Kamer. Het proces wordt daarmee zo vormgegeven dat u bij de verschillende stappen van de voorbereidingsprocedure inzicht heeft in de stelselherziening als geheel. 

 

Goede en tijdige implementatie 

Een ander belangrijk onderdeel van de stelselherziening is de implementatie. Ondersteunende voorzieningen voor bijvoorbeeld vergunningverlening en handhaving moeten beschikbaar zijn en bestuursorganen moeten voorbereid zijn op het werken volgens de uitgangspunten van de stelselherziening. Ook goede digitale voorzieningen zijn belangrijk voor de implementatie en dragen bij aan het bereiken van de doelstellingen van de stelselherziening. Digitalisering en beschikbaarheid van (onderzoeks)gegevens over de fysieke leefomgeving kunnen een grote bijdrage leveren aan de vermindering van lasten voor initiatiefnemers. Zoals ook uit eerdere wetstrajecten is gebleken, is een tijdig implementatietraject onmisbaar. 

Vorig jaar is het kabinet samen met IPO, VNG en UvW een verkenning gestart om te komen tot een gezamenlijk implementatieprogramma. Dat is gericht op vier samenhangende onderdelen, namelijk invoeringsbegeleiding, informatiepunt, digitale informatievoorziening omgevingsrecht en uitvoering vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Met het gezamenlijke implementatietraject wordt uitvoering gegeven aan de motie Van Veldhoven (Kamerstuk 31953, nr. 49) die uitspreekt dat bij de decentralisatie van taken rekening moet worden gehouden met de kennis en kunde van decentrale overheden. 

 

Anders werken, anders denken 

De zojuist genoemde verkenning heeft een uitgebreid overzicht opgeleverd van de keuzemogelijkheden voor wát moet worden gedaan in het kader van het programma, opties voor hoe dat zou moeten worden uitgevoerd en van de kosten die daarmee gepaard gaan. 

De verkenning toont aan dat de grootste impact van de Omgevingswet voort- komt uit vergroting van de flexibiliteit en afwegingsruimte, meer algemene regels en een meer integrale benadering van de leefomgeving. Dit doet een flink beroep op de uitvoeringskracht van partijen die met de Omgevingswet aan de slag gaan. 

Werkprocessen moeten veranderen (meer samenwerking binnen en tussen organisaties), mensen hebben andere competenties nodig en digitale systemen moeten worden aangepast. Het vraagt om medewerkers die bereid en in staat zijn om ook vanuit de positie van de initiatiefnemer te denken. Medewerkers die in samenspraak met burgers en bedrijven oplossingen bedenken. En die goed toegerust zijn om toezicht en handhaving te kunnen uitvoeren. Het vraagt ook wat van bestuurders. De Omgevingswet biedt afwegingsruimte, maar het is aan bestuurders om daar daadwerkelijk invulling aan te geven. Dat vergt lef en doorzettingsvermogen. 

De verkenning maakt duidelijk dat niet alleen kennis van wettelijke instrumenten van belang is, maar dat vooral de wijze hoe hiermee wordt omgegaan belangrijk is. Daarom zal, gebruikmakend van gedragsinzichten, de invoeringsbegeleiding van de Omgevingswet zich vooral richten op beoogde gedragsveranderingen. 

Mijn inzet is om eind 2014 met medeoverheden en na consultatie van bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het implementatieprogramma vast te stellen en afspraken te maken over verantwoordelijkheden, bekostiging en uitvoering ervan. 

Nu al Eenvoudig Beter: inspiratie voor gedragsverandering 

Veel van de beoogde gedragsveranderingen, zoals vroegtijdige participatie, versnelling van besluitvorming en integrale benadering van de leefomgeving, kunnen nu al worden toegepast. Daarom ben ik het programma Nu al Eenvoudig Beter gestart, waarbij overheden worden gestimuleerd en geïnspireerd om nu al 

ervaring op te doen met nieuwe manieren van werken, passend in de stelselherziening. Veel gemeenten zijn al langer bezig met werken volgens een integrale aanpak of met participatie aan de voorkant van het traject. Daarnaast zijn er nu al 22 gemeenten die, gebruikmakend van de Crisis- en herstelwet, een omgevingsplan opstellen. In het najaar start ik een proef waarbij acht overheden een omgevingsvisie opstellen. Tot slot is onlangs een pilot van start gegaan waarbij ervaring wordt opgedaan met de Sneller en Beter-werkwijze in het brede domein van de leefomgeving. Het nu al werken in de geest van de Omgevingswet 

ondersteunt de vroegtijdige start van de implementatie en zorgt ervoor dat organisaties voorbereid zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. 

Digitalisering 

Digitalisering is een belangrijk hulpmiddel voor een goede en eenvoudige uitvoering van de Omgevingswet. De Raad van State, het bedrijfsleven en andere overheden geven aan dat hier verdere stappen in kunnen worden gezet. Op dit moment wordt al veel informatie over de fysieke leefomgeving aangeboden. Dat betekent echter niet dat deze voor de gebruikers ook altijd beschikbaar is, of dat bestaande gegevens eenvoudig kunnen worden hergebruikt voor bijvoorbeeld het aanvragen van een vergunning. Omdat de digitale informatiebronnen en ICT voorzieningen allemaal verschillend zijn georganiseerd, bestuurd en gefinancierd,is aanpassing aan de gebruikerswensen niet eenvoudig. 

Ook bij de digitalisering van het wetsvoorstel Omgevingswet staat de gebruiker centraal: de initiatiefnemer, de belanghebbende of het bevoegd gezag. Het streefbeeld is dat de gebruiker eenvoudig op een kaart kan klikken om relevante informatie te krijgen over daar geldende regels en over de actuele of vergunde kwaliteit van de leefomgeving, zodat snel duidelijk is wat op die plek kan en mag. 

Die gegevens moeten voldoende kwaliteit hebben om besluitvorming op te kunnen baseren. Hierdoor kunnen onderzoekslasten worden verlaagd. Bovendien biedt dit kansen om besluitvorming en procedures te versnellen en te verbeteren. 

De visie van het kabinet is dat een dergelijke verbetering alleen kan worden bereikt door de huidige losstaande voorzieningen onderdeel te maken van een samenhangend digitaal stelsel. Dit stelsel wordt ook wel aangeduid als de Laan van de Leefomgeving. Het gaat hierbij vooral om het beter gebruiken en organiseren van de bestaande voorzieningen, niet zozeer om het maken van grote, nieuwe ict-voorzieningen. Op dit moment worden de ideeën over dit stelsel uitgewerkt naar benodigde voorzieningen, organisatie, kosten en baten en verankering in de uitvoeringsregels. Eind 2014 moet dit leiden tot een keuze over het beoogde digitale stelsel. Daarna kan de gemaakte keuze stapsgewijs worden gerealiseerd. 

 

Slot 

Ik heb u via deze brief geïnformeerd over verschillende onderdelen van de stelselherziening. Er zijn grote stappen gezet en er zullen nog meer grote stappen worden gezet. Uiteindelijk moet dit leiden tot een stelsel met eenvoudige en gemakkelijk te begrijpen regels. Een stelsel dat zorgt voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het wetsvoorstel legt hiervoor het fundament. Op basis daarvan kunnen de uitvoeringsregelgeving en digitale voorzieningen worden opgesteld en kan de uitvoeringspraktijk zich voorbereiden. Ik zie dan ook uit naar de behandeling van het wetsvoorstel door uw Kamer. 

 

Hoogachtend, 

 

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, 

 

 

 

 

mw. drs. M.H. Schultz van Haegen

Download

hier

de brief met alle bijlagen.

Bijlage 1: beschrijving onderwerpen uitvoeringsregelgeving 

In deze bijlage worden de verschillende onderwerpen die een plek krijgen in de 

uitvoeringsregelgeving toegelicht. Deze bijlage is bedoeld om met feitelijke 

informatie inzicht te geven in de inhoud van de uitvoeringsregelgeving. 

 

Omgevingsbesluit (Algemene Maatregel van Bestuur) 

* Indieningvereisten omgevingsvergunning 

In het Omgevingsbesluit wordt bepaald aan welke indieningsvereisten een 

aanvraag voor een omgevingsvergunning moet voldoen. Voorbeelden hiervan zijn 

eisen met betrekking tot de locatie, bouwtekeningen, het overleggen van 

onderzoeksgegevens en dergelijke. Uitgangspunt is de benodigde gegevens en 

bescheiden zoveel mogelijk te beperken, waardoor de administratieve lastendruk 

wordt verminderd. 

 

* Procedure omgevingsvergunning 

In het nieuwe stelsel bestaan voor afhandeling van een aanvraag voor een 

omgevingsvergunning twee procedures die qua lengte verschillen. Op wetsniveau 

is bepaald dat de korte (de zogenoemde reguliere) procedure uitgangspunt is. In 

het Omgevingsbesluit worden de activiteiten benoemd waarvoor de uitgebreide 

procedure van toepassing is. 

 

* Bevoegd gezag omgevingsvergunning 

In het wetsvoorstel Omgevingswet is het uitgangspunt dat de gemeente bevoegd 

gezag is bij de vergunningverlening. In het Omgevingsbesluit worden enkele 

noodzakelijke uitzonderingen geregeld voor activiteiten waarvoor de gemeente, 

vanwege doelmatigheid of provinciaal of nationaal belang, niet wordt aangewezen 

als bevoegd gezag. Dit is bijvoorbeeld het geval bij complexe bedrijven waarvoor 

de provincie nu ook het bevoegd gezag is. Een voorbeeld op rijksniveau is de 

vergunningverlening langs rijkswegen of hoofdspoorweginfrastructuur. Ook voor 

gevallen waar er een samenloop is tussen vergunningen en algemene regels wordt 

in het Omgevingsbesluit bepaald welk bestuursorgaan bevoegd gezag is. 

Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande 

bestuurlijke verantwoordelijkheden. 

Als een bestuursorgaan geen bevoegd gezag is voor het verlenen van een 

vergunning, maar wel een bepaalde taak heeft, kan zijn verantwoordelijkheid de 

vorm krijgen van een adviesbevoegdheid. Dit in de vorm van een advies, 

waarvan het bevoegd gezag alleen goed gemotiveerd kan afwijken. Een tweede 

vorm is advies met instemming, waarbij voor vergunningverlening het akkoord 

van het betrokken bestuursorgaan nodig is. In de uitvoeringsregelgeving wordt 

bepaald wanneer en aan wie deze bevoegdheden wordt toebedeeld. Uitgangspunt 

is alleen een adviesfunctie toe te delen als dat noodzakelijk is vanwege de taak 

van het betreffende bestuursorgaan. 

 

* Projectprocedure

 

In het Omgevingsbesluit wordt bepaald voor welke gevallen een 

voorkeursbeslissing een verplichte stap is in de projectprocedure. Het 

projectbesluit wordt zodanig ingericht dat zo veel mogelijk flexibiliteit in de 

toepassing ervan mogelijk is. Conform het gestelde in het wetsvoorstel 

Omgevingswet betekent dit onder andere dat het mogelijk wordt om ook andere 

uitvoeringsbesluiten mee te nemen in het projectbesluit. In het Omgevingsbesluit 

wordt aangegeven welke besluiten dit zullen zijn. Het bevoegd gezag voor het 

projectbesluit kan daarmee, beter dan in de huidige situatie, het besluitvormings- 

en uitvoeringsproces zo goed mogelijk inrichten. 

* Mer 

Het Omgevingsbesluit bepaalt voor welke projecten en plannen en programmas 

een (plan-) mer of (plan-) mer-beoordeling verplicht is en welke procedurele eisen 

hiervoor gelden. De bepalingen komen voort uit twee Europese richtlijnen en twee 

VN-verdragen. Uitgangspunt is om deze beleidsneutraal te herimplementeren, 

waardoor de huidige situatie vrijwel ongewijzigd blijft. Wel zal de regeling meer 

inzichtelijk worden gemaakt. Ook wordt zo veel als mogelijk aangesloten bij de al 

bestaande besluitvorming van een project, plan of programma. 

 

* Procedureregels 

In het Omgevingsbesluit worden procedureregels gesteld over bijvoorbeeld het 

opstellen van een omgevingsplan, de indiening van een aanvraag om een 

omgevingsvergunning of de voorbereiding van visies en programmas. Bij de 

uitwerking van de procedureregels is de Algemene wet bestuursrecht het 

uitgangspunt. Bestuurlijke administratieve lasten worden zoveel mogelijk 

gereduceerd. Daarnaast kunnen indieningsvereisten voor vergunningen en 

meldingen naar verwachting verder worden beperkt en geharmoniseerd. De 

mogelijkheden die digitalisering biedt, spelen hierbij een rol. 

 

* Grondexploitatie 

Aanvullend aan de bepalingen op wetsniveau, worden in het Omgevingsbesluit de 

toepassingsmogelijkheden voor grondexploitatie geregeld. Doel van de regeling is 

het gemeenten mogelijk te maken maatschappelijke kosten mee te nemen in de 

exploitatie van bouwprojecten. Uitgangspunt is de regeling te vereenvoudigen en 

transparanter te maken en de gevallen waarin exploitatievoorschriften of -regels 

nodig zijn te verminderen. Dit laatste gebeurt ondermeer door inperking van 

kostensoorten. 

 

* Financiële bepalingen 

In het Omgevingsbesluit worden de reikwijdte en nadere regelgeving ten aanzien 

van financiële zekerheidstelling bij omgevingsvergunningen opgenomen. Bezien 

wordt of harmonisering van de verschillende huidige regelingen mogelijk is. 

 

* Toezicht en handhaving 

In het wetsvoorstel Omgevingswet is uitgangspunt dat het bestuursorgaan dat de 

omgevingsvergunning verleent ook bevoegd gezag is voor de handhaving daarvan. 

In de meeste gevallen zal dat, overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling in 

hoofdstuk 5 van het wetsvoorstel, het college van burgemeester en wethouders 

zijn. In gevallen waar niet het college maar een ander bestuursorgaan de 

omgevingsvergunning verleent, verkrijgt dit andere bestuursorgaan ook de 

bevoegdheid tot handhaving. In het Omgevingsbesluit wordt geregeld in welke 

gevallen bestuursorganen die advies met instemming verlenen met betrekking tot 

een omgevingsvergunning een eigen bevoegdheid tot het opleggen van een last 

onder bestuursdwang krijgen. 

Voor algemene regels wordt de bevoegdheidsverdeling met betrekking tot 

handhaving ook deels in de het wetsvoorstel Omgevingswet en deels in de 

uitvoeringsregelgeving vastgelegd. Hier geldt net als bij vergunningen dat in de 

meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, 

overeenkomstig hoofdstuk 4 van de Omgevingswet. In het Omgevingsbesluit 

wordt bepaald in welke specifieke gevallen andere bestuursorganen  

gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van een waterschap, of de betrokken 

minister deze taak dienen uit te voeren. Te denken valt aan situaties van samenloop van algemene rijksregels en een omgevingsvergunning die door een 

ander bestuursorgaan dan het college van burgemeester en wethouders wordt 

verleend. 

Op dit moment is bij uw Kamer het wetsvoorstel Wijziging van de Wet algemene 

bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en 

handhaving) aanhangig. Het is de bedoeling dat deze wijzigingen via de 

Invoeringswet Omgevingswet in de Omgevingswet worden opgenomen. De 

hiervoor benodigde uitvoeringsregelgeving wordt opgenomen in het 

Omgevingsbesluit. 

 

* Adviesorganen 

In het Omgevingsbesluit worden de adviesorganen en adviseurs die gekoppeld zijn 

aan de Omgevingswet geregeld. Dit betreft de Commissie voor de 

milieueffectrapportage en de taken van de Stichting Advisering 

Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening. Harmonisatie vindt 

plaats door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de Kaderwet adviescolleges. 

Bij regeling in het Omgevingsbesluit wordt gestreefd naar vermindering van 

commissiespecifieke bepalingen. 

 

* Digitalisering 

In het wetsvoorstel Omgevingswet worden onder andere de besluiten en plannen 

aangegeven die elektronisch beschikbaar moeten worden gesteld. De inzet is het 

aantal besluiten waarvoor dit geldt in het Omgevingsbesluit uit te breiden. 

 

Besluit kwaliteit van de leefomgeving (Algemene Maatregel van Bestuur) 

 

* Omgevingswaarden en instructieregels 

In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden de eisen aan de kwaliteit van de 

fysieke leefomgeving en inhoudelijke regels over besluitvorming door 

bestuursorganen opgenomen. Die inhoudelijke regels (instructieregels) zijn onder 

meer van belang voor het vaststellen van programmas, omgevingsplannen, 

waterschapsverordeningen en omgevingsverordeningen. Het gaat hierbij om eisen 

en regels op het terrein van lucht, geluid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, 

waterveiligheid, externe veiligheid, bodem, erfgoed en ruimte. 

Voor huidige bepalingen wordt nagegaan op welke manier ze in het Besluit 

kwaliteit leefomgeving moeten terugkeren, welk bestuursorgaan het meest 

geschikt is om regels te stellen en welk instrument dan het meest geschikt is voor 

de toepassing ervan. Het gaat daarbij niet primair om het aanpassen van de 

getalsmatige normen zelf, zoals 10-6

/jaar (externe veiligheid) of 30 µg/l (lood in 

oppervlaktewater), maar vooral om de doorwerking van de normen naar besluiten 

van bestuursorganen. 

In de loop van de tijd is de doorwerking van deze normen naar besluiten van 

bestuursorganen telkens op onderling afwijkende wijze vorm gegeven. Het is 

wenselijk dit te harmoniseren. Hetzelfde geldt voor nu geldende 

uitzonderingsbepalingen. Dat maakt het voor zowel voor de uitvoeringspraktijk als 

voor de bestuursrechter veel inzichtelijker en eenduidiger. Ook biedt dit de kans 

om slimmere keuzes te maken: om decentrale overheden meer afwegingsruimte 

te bieden, dan wel de bestaande ruimte beter de ontsluiten en om 

onderzoekslasten te verminderen. Het bestaande beschermingsniveau is hierbij 

voor het kabinet een belangrijk vertrekpunt. 

Omgevingswaarden geven de gewenste kwaliteit in een bepaald gebied aan. 

Deze worden ook opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor luchtkwaliteit, waterkwaliteit en waterveiligheid is in het wetsvoorstel opgenomen 

dat verplicht omgevingswaarden worden gesteld. Daarmee borg ik de monitoring 

en ligt er voor de overheid een verplichting om bij dreigende overschrijding van de 

norm aanvullende maatregelen te nemen. Voor lucht- en waterkwaliteit is dit ook 

noodzakelijk ter implementatie van EU-richtlijnen. Op het terrein van externe 

veiligheid, bodem, geluid en natuur wordt nog onderzocht of voor onderdelen van 

deze beleidsterreinen het stellen van omgevingswaarden juridisch mogelijk en 

beleidsmatig wenselijk is. 

 

* Toetsingskaders voor omgevingsvergunning en projectbesluit 

Voor het verlenen van vergunningen en het nemen van projectbesluiten zijn 

inhoudelijke regels nodig om aanvragen te beoordelen. Op dit moment staan deze 

toetsingskaders verspreid over 10 wetten en 13 amvb's. Die worden in het BKL 

zoveel mogelijk bijeen gebracht. Eventuele tegenstrijdigheden worden verwijderd. 

Deze toetsingskaders worden, waar dat kan, vereenvoudigd. Op onderdelen wordt 

gezocht naar meer afwegingsruimte voor het bevoegd gezag en naar minder 

onderzoekslasten. Een goede afstemming met de algemene regels voor burgers en 

bedrijven is vanzelfsprekend. 

 

* Monitoring en informatie 

Monitoring is een wezenlijk onderdeel van de beleidscyclus. Voor alle gestelde 

omgevingswaarden wordt de bijbehorende monitoring geregeld. Ook wordt 

nagegaan of voor andere beleidsdoelen monitoring gewenst is. Op dit moment is 

het zo dat niet alle verzamelde informatie ook daadwerkelijk wordt gebruikt. Een 

kritische blik op de informatieverplichtingen die nu gelden is daarom nodig. 

Uitgangspunt daarbij is dat voor wat de EU-richtlijn regelt, niets anders of méér 

wordt vastgelegd dan dat wat de EU-richtlijn voorschrijft, tenzij daarvoor na 

afweging van alle belangen aanleiding is. De andere zijde van de medaille is dat 

door een andere organisatie van het verzamelen, valideren en publiceren van 

gegevens, deze gegevens ook vaker kunnen worden hergebruikt. Mede op basis 

van de uitkomsten van de gegevensverkenning van het RIVM bekijk ik daarom 

welke openbare gegevens toegankelijk moeten worden voor publiek en 

professionals. Dat zorgt voor minder onderzoekslasten. 

 

Besluiten Activiteiten in de leefomgeving (Algemene Maatregel van 

Bestuur) 

 

* Vergunningen naar algemene regels 

Bij de stelselherziening wordt ingezet op een verschuiving van vergunningen naar 

algemene regels. Deze beweging sluit aan bij de ontwikkelingen in de afgelopen 

20 jaar. Vooral via het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Bouwbesluit 2012 

heeft al een forse verschuiving van vergunningen naar algemene regels 

plaatsgevonden. Met de stelselherziening zal nog een aantal verdere 

verschuivingen plaatsvinden. Voor activiteiten waarvoor geen vergunningplicht 

meer wordt opgenomen, worden algemene regels opgenomen in de besluiten voor 

activiteiten in de leefomgeving. 

 

* Meldingen 

In het wetsvoorstel Omgevingswet is het instrument melding opgenomen. Een 

activiteit mag pas worden utgevoerd als daarvan door degene die de activiteit 

gaat uitvoeren, melding is gedaan bij het bevoegd gezag. Meldingen beogen het bevoegd gezag op de hoogte te brengen van nieuwe activiteiten, zodat deze zo 

nodig om nadere gegevens kan vragen of maatwerkvoorschriften kan opleggen. 

Ook kan een melding van belang zijn om de toezichtstaak waar te kunnen maken. 

In de huidige algemene maatregelen van bestuur zijn meer dan 100 meldings- of 

mededelingsverplichtingen opgenomen. 

In de besluiten voor activiteiten in de leefomgeving wordt bepaald voor welke 

activiteiten een melding verplicht is. De melding komt in de plaats van 

vergelijkbare instrumenten in bestaande wetten, die daar melding of 

mededeling worden genoemd. De werking en betekenis van de bestaande 

meldingen en mededelingen verschillen soms van elkaar. De Omgevingswet 

harmoniseert deze instrumenten. Bij de uitwerking van de uitvoeringsregelgeving 

wordt deze harmonisatie voortgezet. 

 

* Doorverwijzingen naar private normen en andere documenten 

In de huidige algemene maatregelen van bestuur wordt, naast doorverwijzingen 

naar andere besluiten en ministeriele regelingen, circa 250 keer doorverwezen 

naar een ander document. Dat kan zijn naar een privaat document zoals een Nen 

norm, maar het kan ook zo zijn dat doorverwezen wordt naar een publiekrechtelijk 

document zoals een circulaire. Bij de evaluatie van het huidige Activiteitenbesluit 

milieubeheer is gebleken dat mede vanwege deze gelaagdheid in de normstelling 

dit besluit moeilijk te doorgronden is. 

Met het oog op het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het 

gebruiksgemak van het omgevingsrecht is het streven om het aantal 

doorverwijzingen te beperken. Het heeft de voorkeur om onderwerpen op meer 

compacte wijze te regelen in algemeen verbindende voorschriften. 

 

* Maatwerk 

Algemene rijksregels voor burgers en bedrijven moeten zoveel mogelijk houvast 

bieden. In individuele gevallen of bij bijzondere lokale situaties, complexe 

gebieden of gebiedsoverstijgende belangen kan ruimte in de regelgeving door 

middel van maatwerk nodig of gewenst zijn. Het wetsvoorstel bevat daartoe de 

mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften en -regels bij algemene 

maatregel van bestuur. Hiermee kunnen strengere of minder strenge eisen worden 

gesteld in een individueel geval (maatwerkvoorschrift) of voor een specifiek gebied 

(maatwerkregel). 

De huidige wet- en regelgeving kent ook maatwerkbepalingen, onder andere in 

het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Bouwbesluit 2012. De huidige 

algemene maatregelen van bestuur kennen meer dan 150 maatwerkbepalingen 

die in verschillende verschijningsvormen voorkomen. De verschillende bestaande 

verschijningsvormen van maatwerkmogelijkheden zullen worden geharmoniseerd. 

Bij de uitwerking van de uitvoeringsregelgeving wordt bepaald voor welke 

onderwerpen maatwerk noodzakelijk is. 

 

* Van inrichting naar activiteit

 

In het wetsvoorstel Omgevingswet is gekozen voor het overkoepelende begrip 

activiteit als grondslag voor het reguleren van milieubelastende handelingen 

binnen bedrijven in plaats van het begrip inrichting. Het begrip activiteit had met 

de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit en de daarop volgende wijzigingen 

van dit besluit een belangrijke functie voor de meeste bedrijven. In de 

uitvoeringsregelgeving worden de vergunningplichtige activiteiten en de 

activiteiten waarop algemene regels van toepassing zijn benoemd. 

Voor de vergunningplichtige activiteiten zal vaak het begrip installatie zoals bedoeld in de 

Richtlijn industriële emissies kunnen worden gebruikt. Binnen de installaties die 

worden benoemd kunnen verschillende (deel)activiteiten worden uitgevoerd. De 

vergunning blijft dan voor het geheel, namelijk voor de installatie, van toepassing. 

Voor activiteiten waar uitsluitend algemene regels op van toepassing zijn, zullen 

de handelingen met milieubelastende gevolgen expliciet worden benoemd. Door 

hierbij ondergrenzen te stellen, wordt de reikwijdte van de algemene regels 

duidelijker dan nu het geval is. Daar waar het begrip inrichting nu nog een functie 

heeft in het kader van cumulatie van milieueffecten, zoals bij artikelen betreffende 

geluid en luchtemissies, wordt bij het opstellen van de uitvoeringsregelgeving een 

oplossing gevonden met toepassing van instrumenten van de wet zoals 

maatwerkvoorschriften en maatwerkregels. 

Bijlage 2: Uitgevoerde moties 

Met de indiening van het wetsvoorstel is uitvoering gegeven aan een aantal moties van uw Kamer. In deze bijlage worden de moties en de uitvoering daarvan beschreven. 

 

Motie Pieper (Kamerstuk 32 123 XI, nr. 16) 

De motie Pieper verzoekt de regering met ideeën en voorstellen te komen over een fundamentele herziening van het omgevingsrecht. Deze motie is mede de aanleiding voor de stelselherziening. De ideeën en voorstellen hebben geleid tot het wetsvoorstel dat nu voorligt. 

 

Motie Samsom (Kamerstuk 32 127, nr. 105) 

De motie Samsom roept de regering op om tot wetgeving te komen om de Elverding aanpak te verwerken in alle relevante ruimtelijke wetten. In het wetsvoorstel, waarin alle relevante ruimtelijke wetten zijn opgenomen, is de 

Elverdingaanpak verwerkt. In paragraaf 4.5 en 4.16 (projectbesluit en omgevingsplan) van de memorie van toelichting wordt hierop ingegaan. Het betreft afdeling 5.2 en artikel 5.53 van het wetsontwerp. 

 

Motie Jansen (Kamerstuk 31 953, nr. 43) 

De regering is in deze motie verzocht om uiterlijk bij aanbieding van het voorontwerp van de omgevingswet een onafhankelijke analyse aan de Kamer aan te bieden die de geclaimde besparingen onderbouwt. Naast het wetsvoorstel bied ik het onderzoeksrapport aan over de financiële effecten van de Omgevingswet voor burgers, bedrijven en overheden. De resultaten zijn verwerkt in hoofdstuk 10 van de Memorie van toelichting bij de wet. Vergelijkbaar onderzoek zal worden gedaan naar de financiële effecten van de uitvoeringsregelgeving. De onderzoeken tezamen zullen verder inzicht geven in de besparingen van de stelselherziening. 

 

Motie Dik-Faber/Van Veldhoven (Kamerstuk 29 385, nr. 77) 

Deze motie verzoekt de regering onder andere in de Code Maatschappelijke Participatie en de Omgevingswet op te nemen dat in de verkenningsfase voor MIRT-projecten de verantwoordelijk bestuurder zich laat adviseren door een onafhankelijke partij over de beoordeling van de kansrijkheid van oplossingen die voortkomen uit burgerinitiatieven, waarbij het bevoegd gezag slechts gemotiveerd van dit advies mag afwijken. Uitgangspunt voor de Code Maatschappelijke participatie, het wetsvoorstel Omgevingswet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is dat deze advisering overbodig is. Immers: ieder bevoegd gezag wil het best mogelijke besluit nemen, gegeven de opgave en doelstellingen van een project. Dat betekent dat ieder burgerinitiatief wordt beoordeeld op kansrijkheid en indien het inderdaad geheel of gedeeltelijk - kansrijk is, wordt meegenomen in het reguliere planvormingsproces. 

Houding en gedrag van ambtenaren en bestuurders blijken de sleutelfactoren, niet de juridische verankering. Mede om die reden is in het wetsvoorstel Omgevingswet bepaald dat het bevoegd gezag een ieder in de gelegenheid stelt mogelijke oplossingen voor de opgave aan te dragen. Het bevoegd gezag stelt daarbij de termijn. Dit zet het bevoegd gezag aan tot het nadenken over de inbreng van maatschappelijke initiatieven en helpt daardoor om te komen tot een open besluitvormingscultuur. Bovendien leidt deze verplichting naar verwachting tot een tijdige indiening van maatschappelijke initiatieven, waardoor deze op tijd worden ingediend en volwaardig kunnen worden meegenomen. In de memorie van toelichting bij hoofdstuk 16 (4.16.4) wordt aangegeven dat de samenstelling van de groep experts voor de onafhankelijke advisering afhankelijk is van de inhoud van het initiatief en dat het bevoegd gezag de onafhankelijk experts per geval inroept.

Motie Dik-Faber/Van Veldhoven (Kamerstuk 29 385, nr. 78) 

Deze motie verzoekt de regering, in overleg met de VNG en IPO na te gaan in hoeverre toepassing van de code maatschappelijke participatie en het MIRT-spelregelkader zowel landelijk als op lokaal en provinciaal niveau kan worden geborgd voor ruimtelijke planprocessen, bijvoorbeeld door deze een plek te geven in de nieuwe Omgevingswet of daarop gebaseerde AMvBs of regelingen, en de Kamer hierover bij de indiening van de Omgevingswet te informeren. De wettelijke procedure voor totstandkoming van het projectbesluit geeft uitdrukking aan participatie in een vroegtijdig stadium, geïnspireerd op de procedure voor het huidige tracébesluit, gebaseerd op de zogenoemde sneller en beter-aanpak. 

Indien een gemeente daartoe besluit, geldt hetzelfde voor gemeentelijke projecten met een publiek belang die met een omgevingsplan mogelijk worden gemaakt. In paragraaf 5.5 van de memorie van toelichting wordt het belang van participatie onderstreept en wordt verwezen naar de Code maatschappelijke participatie. In het programma Nu al Eenvoudig Beter, waarop eerder in deze brief is ingegaan, worden gemeenten gestimuleerd om de Sneller en Beter aanpak nu al toe te passen. Veel overheden boeken reeds succes met het toepassen van de principes van Sneller en Beter t.a.v. vroegtijdige en brede participatie. Die voorbeelden laten we zien in excursies, via publicaties en bijeenkomsten. Ook worden pilots Sneller en Beter uitgevoerd waarin de Code wordt toegepast. Bedoeld om ervaring op te doen met Sneller en Beter-aanpak in het brede ruimtelijke domein en daarvan te leren met het oog op de implementatie van de Omgevingswet. 

 

Motie De Vries / Van Veldhoven (Kamerstuk 29 383, nr. 219). 

Verzoekt de regering het bevoegd gezag te stimuleren om een aanvraag voor een(bouw)omgevingsvergunning te bekijken op milieugevolgen en in voorkomende gevallen de aanvrager te bewegen de aanvraag aan te passen opdat het gebruik ook binnen de normen van het Activiteitenbesluit past. Naar aanleiding van deze motie is hier in de memorie van toelichting in paragraaf 4.5.2 een passage over opgenomen en zal dit meegenomen worden in het implementatietraject.

Voor een toelichting op de Omgevingswet:

Juni 2014 - Indiening wetsvoorstel Omgevingswet bij de Tweede Kamer

Artikel delen