Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

De Bibobtoets als risico onder de Omgevingswet

Inleiding: van milieutoets naar integriteitstoets. De agrarische sector is gewend aan vergunningprocedures. Wie een stal wil uitbreiden, een mestbassin wil plaatsen of een bedrijfswoning wil realiseren, weet dat stikstof, geur, geluid en bouwregels onderdeel zijn van het dossier. Sinds enkele jaren is daar echter een minder tastbare toets bijgekomen: de integriteitstoets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Deze wet bestaat al sinds 2002, maar krijgt de laatste jaren een steeds prominentere functie bij vergunningverlening voorheen op grond van de Wabo, maar nu op grond van de Omgevingswet.

Alex Advocaten 3 March 2026

Blog

Blog

Preventiemiddel

De Wet Bibob is geen strafrechtelijk instrument, maar een bestuursrechtelijk preventiemiddel. De preventieve werking ziet op het voorkomen dat een vergunning wordt verleend of gebruikt ten behoeve van een strafbaar feit. Bestuursorganen kunnen een vergunning weigeren of intrekken wanneer “ernstig gevaar” bestaat dat de beschikking zal worden gebruikt voor het benutten van crimineel verkregen voordeel of het plegen van strafbare feiten.

Agrarische ondernemingen

In de praktijk kan dit verstrekkende gevolgen hebben voor agrarische ondernemingen. Recente rechtspraak laat zien dat Bibob niet beperkt blijft tot horeca of vastgoedprojecten in binnensteden. Ook varkenshouderijen, geitenhouderijen en nevenactiviteiten zoals huisvesting van arbeidsmigranten vallen volledig binnen het bereik van de wet. In deze blog bespreek ik de juridische systematiek van de Wet Bibob (in relatie tot de Omgevingswet) en analyseer ik recente uitspraken waarin agrarische bedrijven centraal stonden. Afsluitend formuleer ik enkele praktische aandachtspunten voor ondernemers en hun adviseurs.

Wanneer mag een vergunning worden geweigerd of ingetrokken?

In de Omgevingswet (“Ow”) is bepaald dat het bevoegd gezag een aangevraagde omgevingsvergunning voor o.a. een bouwactiviteit, een omgevingsplanactiviteit of een milieubelastende activiteit kan weigeren op grond van de Wet Bibob. Ook kunnen voorschriften van een omgevingsvergunning worden gewijzigd of kan een vergunning worden ingetrokken.

De Wet Bibob bepaalt dat dit kan wanneer ernstig gevaar bestaat dat de beschikking zal worden gebruikt om: uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten (“a-grond”); of strafbare feiten te plegen (“b-grond”).

Bij de beoordeling van “ernstig gevaar” moet het bestuursorgaan kijken naar onder meer: feiten en omstandigheden die wijzen op betrokkenheid bij strafbare feiten; de ernst daarvan; de aard van de relatie met de betrokkene en het aantal gepleegde feiten.

Ernstig vermoeden, “in relatie tot”

Belangrijk is dat geen strafrechtelijke veroordeling vereist is. Een ernstig vermoeden kan al voldoende zijn. Bovendien staat een betrokkene ook “in relatie” tot strafbare feiten wanneer hij indirect leiding geeft, zeggenschap heeft of vermogen verschaft. Dat maakt concernstructuren en financieringsconstructies relevant. Daarnaast bepaalt de wet dat onder “strafbaar feit” ook een overtreding kan vallen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Dat vergroot de reikwijdte aanzienlijk.

Evenredigheid

Er moet wel een bepaalde mate van evenredigheid bestaan tussen de weigering of intrekking van een vergunning en de feiten en omstandigheden die erop wijzen dat of doen vermoeden dat de vergunning is of kan worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Het bevoegd gezag moet in dit kader bijvoorbeeld beoordelen of het mogelijk is om minder vergaande maatregelen te treffen (dan weigeren of intrekken) door bijvoorbeeld voorwaarden aan een vergunning te verbinden.

Op de procedure van het aanvragen, weigeren, verlenen of intrekken van een omgevingsvergunning met inbegrip van de toepassing van de Wet Bibob) is de Algemene wet bestuursrecht (waaronder de algemene beginsel van behoorlijk bestuur) van toepassing. Dit betekent dat naast de evenredigheidstoets van ee Wet Bibob ook de evenredigheidstoets van de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) van toepassing is.

Toepassing in de praktijk

Uit de tekst van de Ow en de Wet Bibob volgt dat er sprake is van een bevoegdheid om een vergunning te weigeren of in te trekken. Er is sprake van een zogenaamde “kan” bepaling (“kan de vergunning weigeren / intrekken”).

Beleid

Het is gebruikelijk dat gemeenten beleid opstellen waarin zij vastleggen hoe zij met de bevoegdheid om vergunningen te weigeren of in te trekken in concrete situaties omgaan. Anders dan bij sommige andere beleidsterreinen, zie je dat er (bijvoorbeeld) geen VNG-model is voor Bibob-beleid. Het beleid verschilt dan ook per gemeente.

Milieubelastende activiteit

Overeenkomstig is dat in het beleid risicocategorieën zijn opgenomen van activiteiten waarvoor de Bibob-toets moet worden uitgevoerd. Vastgoedtransacties met de overheid (denk bijvoorbeeld aan het kopen of pachten van gemeentegrond) staan standaard in het beleid. Ook de verlening van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit staat vaak in het beleid als aanleiding voor het uitvoeren van een Bibob-toets.

Een agrarische onderneming die een aanvraag indient voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit doet er dan ook goed aan om kennis te nemen van dit beleid en zich voor te bereiden op de Bibob-toets.

Bibob-toets

Zo’n toets begint met het invullen van een uitgebreide vragenlijst waarin onder andere de herkomst van vermogen van de aanvrager, maar ook het strafrechtelijk- of bestuursrechtelijk handhavingsverleden terug tot 5 jaar en zelfs langer moet worden ingevuld. Een foutieve invulling van informatie is op zichzelf weer een strafbaar feite (valsheid in geschrifte), dus opletten is hierbij geboden. Gemeenten kunnen op basis van eigen onderzoek de risico’s nader inkleuren en daarvoor inlichtingen inwinnen bij het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst of het RIEC (Regionale Informatie- en Expertisecentra). Als er na de uitvoering van dat onderzoek nog vragen bestaan, kan de gemeente advies inwinnen bij het Landelijk Bureau Bibob (“LBB”).

Proceduretijd

In het kader van de vergunningverlening is van belang te beseffen dat de proceduretijd voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit wordt opgeschort met de tijd die nodig is om het Bibob-onderzoek uit te voeren. In de praktijk komt het regelmatig voor dat het Bibob-onderzoek pas laat in een vergunningprocedure naar voren komt. Dit kan een vergunningprocedure aanzienlijk vertragen.

Bibob in de agrarische praktijk: wat zegt de rechtspraak?

Om het voorgaande concreet te maken, bespreek ik hierna 4 uitspraken van rechtbanken waarin de Bibob-toets een rol heeft gespeeld in relatie tot de agrarische sector.

Huisvesting arbeidsmigranten bij een champignonkwekerij

Rb Gelderland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:857

In deze zaak ging het om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het legaliseren van huisvesting van arbeidsmigranten naast een champignonkwekerij. Het college had een Bibob-advies gevraagd aan het LBB en de vergunning geweigerd wegens ernstig gevaar in de zin van artikel 3 lid 1 onder b Wet Bibob. De weigering was gebaseerd op meerdere bestuurlijke overtredingen die in onherroepelijke lasten onder dwangsom waren bevestigd, waaronder: overtredingen van het Bouwbesluit; prostitutieactiviteiten in andere panden; overschrijding van vergunde aantallen arbeidsmigranten en brandveiligheidsovertredingen.

Wat opvalt is dat de rechtbank accepteert dat ook bestuurlijke lasten onder dwangsom, die onherroepelijk zijn geworden, zwaar mogen meewegen. Het gaat dus niet alleen om strafrechtelijke veroordelingen, maar ook om een patroon van bestuurlijke non-compliance. Voor de agrarische praktijk is dit relevant. Veel bedrijven combineren primaire productie met nevenactiviteiten zoals arbeidsmigrantenhuisvesting. Juist die nevenactiviteiten blijken Bibob-gevoelig. Bestuurlijke overtredingen in het verleden kunnen bij een nieuwe aanvraag leiden tot een integriteitstoets die verder gaat dan de fysieke leefomgeving.

De aanvrager deed nog een beroep op de evenredigheid: het weigeren van de vergunning had aanzienlijke consequenties voor de onderneming. De rechtbank loopt de argumenten die zijn aangedragen zorgvuldig na, maar kent uiteindelijk doorslaggevende betekenis toe aan het Bibob-advies.

Geitenhouderij en Bibob-toets elders

Rb Gelderland 25 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6052

In deze uitspraak speelde Bibob niet als primaire weigeringsgrond, maar als argument in een procedure over vergunningverlening en handhaving bij een geitenhouderij. De eisers in de zaak stelden dat de vergunning geweigerd had moeten worden, omdat de aanvragen voor andere locaties waren geweigerd op grond van een negatief Bibob-advies. De rechtbank beoordeelt de casus formeel: die uitkomsten uit dat Bibob-advies dateerden van ná het bestreden besluit en waren daarom terecht niet bij het besluit betrokken. Volgens de rechtbank gold er geen aanhoudingsplicht voor de vergunningaanvraag, men had het Bibob-advies dat aangevraagd was in het kader van andere vergunningen (elders) niet hoeven af te wachten. Uit de uitspraak kan niet worden afgeleid over er in de concrete bestreden vergunning sprake is geweest van een Bibob-toets. Het lijkt erop dat het bevoegd gezag geen Bibob-toets heeft uitgevoerd of dat deze in elk geval geen aanleiding is geweest om de bestreden vergunning te weigeren.

Het omgekeerde had ook van toepassing kunnen zijn: stel dat een aanvrager op meerdere locaties geprobeerd heeft om een aanvraag in te dienen, is het voorstelbaar dat gemeenten die daar weet van hebben, elkaar informeren om te voorkomen dat iets wat in de ene gemeente niet wordt vergund, in de andere gemeente wel te vergunnen.

De varkenshouderij: ernstig gevaar én toch vernietiging

Rb Midden-Nederland 1 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:423

In deze zaak had het college een revisievergunning voor een varkenshouderij geweigerd en bestaande vergunningen ingetrokken op grond van de Wet Bibob. Volgens het college was sprake van ernstig gevaar dat met de vergunning strafbare feiten gepleegd zouden worden (b-grond). In deze casus lag de problematiek onder andere in een zakelijk samenwerkingsverband waarbij de aanvrager in relatie stond tot een persoon die (relevante) strafbare feiten had begaan. Deze persoon was bestuurder van de vastgoed BV waarmee de aanvrager een zakelijke relatie had. Wijzigingen die in de bedrijfsstructuur waren toegepast, boden onvoldoende zekerheid voor het bevoegd gezag dat niet gevreesd hoefde te worden dat de aangevraagde vergunning niet voor het plegen van strafbare feiten zou worden gebruikt. In zoverre oordeelde de rechtbank dat er voldoende feitelijke grondslag aanwezig was om te oordelen dat de b-grond van toepassing was.

De rechtbank oordeelt echter dat het besluit om de vergunning te weigeren en de geldende vergunning in te trekken, in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. Door een vergunning in te trekken, leed de agrarisch-ondernemer aanzienlijke schade die in de miljoenen liep. Stallen verloren hun waarde en opruimkosten voor mestbassins en dergelijke waren fors. De ondernemer liep het risico van faillissement. Ook was er sprake van een aanzienlijk tijdsverloop tussen bepaalde strafrechtelijke gedragingen en het moment van de beoordeling van de aanvraag. De rechtbank vond het verder relevant dat de persoon met wie de zakelijke relatie werd onderhouden, op afstand was gezet van de exploitatie van de varkenshouderij. De weigering en intrekking konden de toets van artikel 3:4 lid 2 Awb niet doorstaan: het college had minder verstrekkende alternatieve maatregelen moeten overwegen en moest dus een nieuw besluit op de aanvraag nemen.

Hierbij is het volgende van belang. De Bibob-beoordeling kent twee fasen: (1) Is er ernstig gevaar in de zin van artikel 3 Wet Bibob? En (2) is de weigering of intrekking evenredig? Zelfs wanneer aan de eerste voorwaarde is voldaan, moet het bestuursorgaan afzonderlijk motiveren waarom de zwaarste maatregel – weigering of intrekking – proportioneel is. Voor agrarische bedrijven, waar bestaande vergunningen vaak de kern van de bedrijfscontinuïteit vormen, biedt dit een juridische waarborg. Intrekking van een milieu- of natuurvergunning kan immers het einde van het bedrijf betekenen.

Handhaving ondanks lopende Bibob-discussie

Rb Midden-Nederland 25 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:594

In deze zaak ging het om een voorlopige voorziening die was aangevraagd in vanwege opgelegde lasten onder dwangsom bij een varkenshouderij. Het bedrijf voerde aan dat sprake was van concreet zicht op legalisatie, maar dat nog gewacht moest worden op de uitkomsten van een lopende Bibob-procedure. Deze procedure hing samen met de procedure die hiervoor is gesproken. Uit de uitspraak blijkt dat het college opnieuw de vergunning heeft geweigerd op grond van de Bibob-toets. Tegen die uitspraak was beroep ingesteld De aanvrager van de vergunning stelde dat de handhavingsprocedure diende te worden opgeschort in afwachting van de uitkomsten van de procedure bij de Afdeling over de Bibob-toets. De voorzieningenrechter oordeelt dat de overtredingen vaststaan en dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Handhavend optreden wordt niet onevenredig geacht.

Aanbevelingen

Deze vier uitspraken maken duidelijk dat de Bibob-toets in de agrarische sector een belangrijke rol kan spelen. Strafrechtelijke of bestuursrechtelijk beboetbare feiten, ook als ze uit een verder verleden zijn of spelen of gespeeld hebben bij een zakelijke relatie, kunnen lang doorwerken in de toekomst. Er is sneller dan gedacht sprake van struikelblok voor de Bibob-toets. Daarbij speelt ook mee dat voor een vergunningaanvrager de Bibob-toets best ongrijpbaar is, lang duurt en soms niet transparant lijkt te zijn. Er is in de praktijk vaak geen ‘goed gesprek’ mogelijk over bepaalde gebeurtenissen, afwegingen of omstandigheden. In de praktijk kan het doorlopen van een Bibob-toets voor de vergunningaanvrager als behoorlijk frustrerend worden ervaren.

Voorwaarden

De Wet Bibob biedt ruimte om voorwaarden te verbinden aan een vergunning. Volledige weigering is niet de enige optie. Voor adviseurs betekent dit dat in bezwaar en beroep nadrukkelijk moet worden ingezet op proportionaliteit en alternatieven. Anticipeer in handhavingsprocedures op mogelijke risico’s die hieruit voort kunnen vloeien voor toekomstige Bibob-toetsen. Adviseurs die bekend zijn met een strafrechtelijk verleden van een bepaalde zakelijke relatie doen er verstandig aan hun cliënten te helpen met deugdelijke constructies die deze personen op een zo groot mogelijke afstand plaatsen van de vergunningaanvrager.

Wilt u meer weten? Neem dan contact met ons op.

Zie deze blog over het Bibob-beleid en de verschillen per gemeente.

Zie deze blog over Wat ondernemers moeten weten over de Wet Bibob en de Omgevingswet

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.