Afgelopen vrijdag nam ik deel aan een minisymposium over de toekomst van het milieurecht, georganiseerd voorafgaand aan de oratie van Valérie van ’t Lam aan de Rijksuniversiteit Groningen. Van ’t Lam is naast haar hoogleraarschap ook partner bij Stibbe.

Hierbij deel ik de tekst van mijn bijdrage aan dat symposium. De bijdrage – verzorgd door Niels Koeman – gaat in op de rol van de rechter in het omgevingsrecht en de vraag hoe juridisering zich in de toekomst zal ontwikkelen. Uitgangspunt is dat toegang tot de rechter onvermijdelijk én wenselijk is, mede vanwege internationale verplichtingen zoals artikel 6 EVRM en het Verdrag van Aarhus. Tegelijkertijd wordt betoogd dat het huidige stelsel niet optimaal is ingericht en ruimte laat voor verbetering.
De bijdrage analyseert de verhouding tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter, hun deels overlappende rollen en verschillen in bevoegdheden en rechtsgevolgen van uitspraken. Aan de hand van bekende voorbeelden wordt duidelijk gemaakt hoe deze verschillen in de praktijk kunnen leiden tot vertraging of spanning binnen het omgevingsrecht.
Tot slot worden mogelijke denkrichtingen geschetst om procedures te versnellen en de veerkracht van het omgevingsrecht te vergroten, met name bij woningbouw. Daarbij wordt onder meer gewezen op het verkleinen van tegenstellingen tussen ‘winnaars’ en ‘verliezers’ van ruimtelijke ontwikkelingen en op innovatieve oplossingen zoals een garantiefonds om bouwvertraging door langdurige rechtsprocedures te beperken
