Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Rijk investeert in de bereikbaarheid van nieuwe woningen

Woningbouw op grote schaal is alleen mogelijk als nieuwe gebieden goed bereikbaar zijn. Er is echter een tekort aan financiële middelen voor infrastructuur (fietspaden, bruggen en ov-voorzieningen). Om dit aan te pakken, investeert het Rijk sinds 2021 via het Programma Woningbouw en Mobiliteit in de bereikbaarheid van nieuwe woningen. Daarvoor is vorig jaar EUR 2,5 miljard extra beschikbaar gemaakt. De Tijdelijke regeling specifieke uitkering woningbouw en mobiliteit (SPUK) moet het extra bedrag gaan verdelen.

24 March 2026

De concept-SPUK is gepubliceerd voor consultatie (10 februari – 10 maart 2026) en treedt naar verwachting op 1 juli 2026 in werking. In dit blog bespreken wij de systematiek van de SPUK uit en de juridische aandachtspunten.

De opgave: bereikbaarheid als voorwaarde voor woningbouw

Op 17 oktober 2025 publiceerde de minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) de Kamerbrief langetermijnperspectief infrastructuur en woningbouw (Kamerstuk 29 435, nr. 270). Een van de aandachtspunten is dat geld uit het Mobiliteitsfonds nu nog teveel wordt ingezet voor de instandhouding van bestaande infrastructuur in plaats van nieuwe woningbouw. Een van de vervolgstappen is dan ook het versneld ontsluiten van woningbouwlocaties op korte en middellange termijn. Doel is om zo snel en zo veel mogelijk bereikbare woningen te bouwen in heel Nederland. De SPUK is een concrete uitwerking hiervan.

Programma Woningbouw en Mobiliteit

De SPUK is een ministeriële regeling van IenW en onderdeel van het Programma Woningbouw en Mobiliteit (WoMo), opgericht in 2021. WoMo is een samenwerkingsprogramma van IenW en het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO). Het doel van het WoMo is om extra te investeren in de bereikbaarheid van nieuwe woningbouwlocaties. Het WoMo is een programma binnen het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) (zie het jaarlijkse MIRT overzicht 2026, p. 47). Het MIRT beschrijft hoe de middelen van het Mobiliteitsfonds worden verdeeld (artikel 4 Wet Mobiliteitsfonds). Onder het WoMo bestaan al twee andere SPUK regelingen: de Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur (SPUK WoKT) en de Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw (SPUK Mobiliteitspakketten). De nieuwe SPUK lijkt qua systematiek op deze voorgangers. Nieuw ten opzichte van de voorgangers is dat ook samenwerkingsverbanden van twee tot vier aangrenzende gemeenten, en zelfs een provincie, kunnen deelnemen (artikel 8 concept-SPUK). 

Wat is een specifieke uitkering (spuk)?

Een specifieke uitkering (spuk) is een budget dat het Rijk onder voorwaarden uitkeert aan decentrale overheden voor het uitvoeren van specifiek beleid. De spuk is geregeld in hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet (Fvw). Kenmerkend aan de spuk is dat het geen vrij besteedbare middelen zijn, zoals het algemene gemeentefonds. Een spuk is namelijk gebonden aan voorwaarden en doelstellingen. Artikel 16 lid 2 Fvw bepaalt dat spuks terughoudend worden toegepast, omdat zij de beleids- en bestedingsvrijheid van decentrale overheden beperken. Deze bepaling is bij de invoering van het huidige stelsel opgenomen om het aantal spuks te verlagen. In de praktijk worden spuks echter veelvuldig gebruikt: in 2023 waren er 153 spuks waarmee EUR 18,3 miljard werd verdeeld. Er is op dit moment een wetsvoorstel aanhangig dat de regels over spuks wijzigt (Wetsvoorstel Fvw). Een van de doelen van het wetsvoorstel is (opnieuw) om het aantal spuks te verlagen. De Afdeling Advisering van de Raad van State ("Afdeling") publiceerde op 23 maart 2026 haar advies over dit wetsvoorstel. In dit advies adviseert de Afdeling onder andere beter inzichtelijk te maken waardoor de groei van spuks wordt veroorzaakt, nu de wetgever opnieuw beoogt om het aantal spuks te verlagen terwijl de praktijk juist uitwijst dat het aantal groeit. De toelichting schiet op dit onderdeel volgens de Afdeling tekort. Wij komen later in het blogbericht nog uitgebreider op het Wetsvoorstel Fvw en het advies van de Afdeling terug.

Juridische grondslag en aandachtspunten

Fvw

De SPUK is onder meer gebaseerd op artikel 17 lid 5 Fvw. Artikel 17 lid 5 Fvw maakt eenmalige spuks bij ministeriële regeling mogelijk. Voor tijdelijke spuks is een algemene maatregel van bestuur (AMvB) vereist (art. 17 lid 3 Fvw). De SPUK is aangemerkt als "tijdelijk", maar vastgesteld bij ministeriële regeling. Wij vragen ons af of deze werkwijze juridisch houdbaar is. De SPUK heeft immers een structureel karakter: het biedt de mogelijkheid om voor opvolgende jaren nieuwe aanvraagperiodes en plafonds in te stellen (artikel 3 lid 2 concept-SPUK). Dat zou betekenen dat de SPUK bij AMvB had moeten worden vastgesteld. Het Wetsvoorstel Fvw versoepelt de Fvw overigens op dit punt. Het maakt mogelijk om ook tijdelijke regelingen (voor maximaal vijf jaar met verlenging met vijf jaar) mogelijk te maken bij ministeriële regeling. De Afdeling vindt deze "verlaging" van het niveau van regelgeving overigens om meerdere redenen bezwaarlijk. Een belangrijk bezwaar is dat de spuk nu juist makkelijker inzetbaar wordt voor ministeries, waardoor het gebruik ervan eerder wordt gestimuleerd dan afgeremd (terwijl dat laatste de bedoeling is van de wetgever). Daarnaast zal parlementaire betrokkenheid hierdoor in de praktijk minder aan de orde kunnen zijn.  

Kaderwet subsidies I en M 

De SPUK is daarnaast gebaseerd op artikel 2, 4 en 5 van de Kaderwet subsidies I en M. Deze bepalingen bevatten de grondslag om subsidies of spuks te verlenen. Ook dat is een interessant juridisch aandachtspunt. Uitkeringen aan overheden zijn namelijk uitgesloten van de subsidieregels uit de Awb (artikel 4:21 lid 3 Awb). Daar wijken diverse kaderwetten van af door de subsidieregels alsnog toe te passen. Ook dit punt wordt aangepast in het Wetsvoorstel Fvw. De wetgever acht deze praktijk onwenselijk, omdat zij leidt tot onduidelijkheid (concept-MvT bij de Fvw, p. 27). Bovendien past een ruime wettelijke grondslag niet bij de terughoudendheid die artikel 16 lid 2 Fvw vereist, noch bij de voorkeur om SPUKs bij wet te regelen. Een explicietere grondslag is dus nodig. Daar voorziet het voorstel in: het bepaalt dat SPUKs géén subsidies zijn (artikel 15a lid 3 Fvw) en voorziet in vervangende grondslagen in de relevante kaderwetten. Nu de wetgever ook voorziet in vervangende grondslagen in de Kaderwet subsidies I en M, verwachten wij dat dit geen problemen oplevert voor de SPUK na inwerkingtreding van het Wetsvoorstel Fvw in de toekomst.

Wie kan een aanvraag indienen?

De SPUK verdeelt de middelen over twee typen projecten: (i) woningbouw op korte termijn (WoKT) voor locaties buiten grootschalige woningbouwlocaties, en (ii) grootschalige woningbouwlocaties. Gemeenten, openbare lichamen en samenwerkingsverbanden (hierna samen: gemeenten) kunnen de middelen aanvragen (artikel 7 en 8 concept-SPUK). Aandachtspunt is dat de regeling een gesloten aanvraagsysteem kent. Niet iedere gemeente kan zomaar een aanvraag indienen. Uitsluitend de gemeenten die al een bestuurlijke afspraak hebben gemaakt in de jaarlijkse Bestuurlijke Overleggen MIRT (BO MIRT) en de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving (BOL), kunnen een aanvraag indienen. Die afspraken worden opgenomen in de afsprakenlijst die aan de Tweede Kamer wordt gestuurd (zie bijv. de afsprakenlijst BO MIRT 2026 als bijlage bij Kamerstuk 36800-A, nr. 11, p. 2-3). Dit betekent dat de beoordeling van projecten al plaatsvindt vóór de aanvraagfase. 

Hoe vindt de beoordeling plaats?

Het beoordelingskader staat niet in de SPUK zelf, maar in eerdere kamerstukken en beleidsdocumenten, omdat de beoordeling al voor de aanvraagfase plaatsvindt. In maart 2025 stelde het kabinet criteria en afweegkaders vast. De Kamer werd hierover in juni 2025 geïnformeerd (Kamerstukken 34682, nr. 228 en de bijlage 1200345). Voor de WoKT projecten gelden knock-out criteria. Die zien onder andere op de aantallen woningen (minimaal 200), snelheid start bouw (uiterlijk binnen vijf jaar), cofinanciering door de decentrale overheden (minimaal 35%) en haalbaarheid- en uitvoeringstoetsen van de plannen (o.a. stikstof en netcongestie). Voor de grootschalige woningbouwlocaties gelden vier beoordelingsaspecten: woningbouwwaarde, bereikbaarheidswaarde, randvoorwaarden en uitvoerbaarheid en gebiedswaarden. Decentrale overheden konden tot 31 augustus 2025 voorstellen indienen. De ministeries IenW en VRO beoordeelden deze met inhoudelijke en onafhankelijke experts. De Kamer werd in november 2025 over de uitkomsten geïnformeerd (Kamerstukken 32 847, nr. 1389). In de BO MIRT in januari 2026 zijn tot slot nadere afspraken gemaakt met de decentrale overheden over financiering, risicoverdeling en risicobeheersing. Na inwerkingtreding van de SPUK kunnen de gemeenten een definitieve aanvraag indienen. De Minister toetst dan of de aanvraag aansluit bij de BO MIRT-afspraken, of de regionale financiering definitief is en de planning haalbaar is (artikel 9 concept-SPUK). Dit is dus vooral een check of de aanvragen overeenkomen met al gemaakte afspraken.

Verplichtingen voor ontvangende gemeenten

De gemeenten die een uitkering onder de SPUK ontvangen, moeten voldoen aan een set verplichtingen. De verplichtingen zien met name op een tijdige start met de bouw (artikel 13 concept-SPUK). Voor mobiliteitshubs bevat de SPUK specifieke eisen, waaronder dat ze zijn ontworpen volgens de nationale hub-identiteit. De SPUK bevat ook uitgebreide verantwoordingsverplichtingen. Gemeenten rapporteren jaarlijks aan de Minister over de risicobeheersing en de voortgang van zowel de infrastructuur als de woningbouw (artikel 13 lid 8 concept-SPUK). Daarnaast gelden de algemene verantwoordingsverplichtingen die voor alle spuks gelden (artikel 16 concept-SPUK). 

Waarom een Rijksprogramma Mobiliteit en Verstedelijking Mobiliteit onder de Omgevingswet nog steeds een goed idee is

In een eerdere bijdrage schreven wij samen met Tom Daamen over de behoefte aan een gezamenlijke aanpak van gebiedsontwikkeling en mobiliteit (Omgevingsrecht in gebiedsontwikkeling, IBR 2023). Daarin signaleerden wij dat ruimtelijke planvorming en infrastructuurplanning vaak gescheiden trajecten volgen. De ruimtelijke planvorming verloopt via de Omgevingswet, terwijl het MIRT op grond van de Wet Mobiliteitsfonds de planvorming en financiering van infrastructuur regelt. Deze scheiding staat integrale besluitvorming in de weg. Wij stelden voor om woningbouw en mobiliteit gezamenlijk te regelen in een programma onder de Omgevingswet. Dat is wat ons betreft nog steeds een goed idee. De meerwaarde hiervan is namelijk dat een programma financiering en ruimtelijk beleid op elkaar kan afstemmen. Stel dat er een Rijksprogramma Mobiliteit en Verstedelijking komt met bij AMvB vastgelegde doelen in omgevingswaarden, bijvoorbeeld een bepaalde mobiliteitsvoorziening per 1.000 woningen. In dat geval moet het Rijk ook de benodigde financiering beschikbaar stellen, want zonder die middelen zijn de omgevingswaarden niet haalbaar. Artikel 3.16 lid 2 Omgevingswet biedt gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels op te nemen over het verlenen of weigeren van vergunningen, afhankelijk van de vraag of aan het programma wordt voldaan. In de praktijk zou dit betekenen dat een bepaald aantal woningen pas gebouwd mag worden nadat de mobiliteitsdoelstellingen zijn behaald. Deze systematiek heeft daarmee als belangrijk voordeel dat besluiten over woningbouw en financiering in samenhang kunnen en moeten worden genomen.

Vooruitblik: wat is het vervolg?

De SPUK stond tot en met 10 maart 2026 open voor consultatie. De verwachting is dat de SPUK op 1 juli 2026 in werking treedt. Vanaf dan kunnen de financiële middelen aan de gemeenten worden uitgekeerd en kunnen de eerste projecten van start gaan.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.