Op 16 oktober 2025 deed de Rechtbank Den Haag uitspraak in een handhavingszaak die zag op het stallen van strandhuisjes. De zaak betrof een last onder dwangsom wegens het stallen van strandhuisjes op een agrarisch perceel, wat volgens het college van burgemeester en wethouders in strijd was met het omgevingsplan. Eiseres stelde dat er geen vergunning nodig was omdat het geen bouwwerken betrof, maar mobiele, tijdelijke objecten die minder dan drie maanden per jaar werden opgeslagen. Wanneer is een tijdelijk object een bouwwerk?

Dit artikel is afkomstig uit PONT, vakblad Bouwen met Kwaliteit, editie 2025-9
Op 14 februari 2025 legde het college van burgemeester en wethouders van Katwijk een last onder dwangsom op wegens het stallen van strandhuisjes. Het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar werd bij besluit van 2 juli 2025 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank en diende zij tevens een verzoek om een voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter besliste zowel op het beroep als op het verzoek.
In de uitspraak stond de vraag centraal of voor de strandhuisjes een omgevingsvergunning vereist was. Het antwoord op die vraag viel samen met de vraag of de strandhuisjes als bouwwerk konden worden aangemerkt. Eiseres betoogde dat dit niet het geval was, omdat het mobiele objecten zonder fundering of constructieve verbinding met de ondergrond betrof die korter dan drie maanden op het perceel aanwezig zijn; het ging om een tijdelijke activiteit die zich binnen een seizoensgebonden periode bevindt. Het college stelde zich op het standpunt dat voor het stallen van de strandhuisjes een omgevingsvergunning nodig is, omdat zij langer dan 31 dagen op dezelfde locatie staan; gelet op de termijn van plaatsing functioneren zij volgens het college ter plaatse en hebben zij een plaatsgebonden karakter.
De voorzieningenrechter overwoog als volgt:
“5.2 Voor de beantwoording van de vraag of voor het stallen van de strandhuisjes een omgevingsvergunning vereist is op grond van artikel 22.26 van het Omgevingsplan, dient eerst te worden beoordeeld of in dit geval sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow. In die bijlage wordt een bouwactiviteit gedefinieerd als een activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk. In diezelfde bijlage wordt het begrip bouwwerk gedefinieerd als een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
5.3 Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kunnen verplaatsbare, mobiele objecten ook als bouwwerken worden aangemerkt, mits zij bedoeld zijn om gedurende langere tijd op dezelfde plaats te functioneren. De jurisprudentie over het antwoord op de vraag hoe lang een object moet staan om als bouwwerk te kunnen worden aangemerkt is casuïstisch van aard en kan niet leiden tot een eenduidig en precies antwoord op die vraag. Uit de rechtspraak volgt dat een object over het algemeen niet plaatsgebonden is als het korter dan 31 dagen op dezelfde plaats staat. Als een object langer dan 31 dagen op dezelfde locatie aanwezig is, betekent dat niet per definitie dat het als bouwwerk moet worden aangemerkt. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval en is mede afhankelijk van de planologische inbreuk die met het geplaatste object wordt gemaakt. Anders dan eiseres veronderstelt, geldt er geen harde grens van drie maanden waarbinnen een object niet als bouwwerk dient te worden gekwalificeerd.
5.4. Vast staat dat de strandhuisjes jaarlijks gedurende een periode van drie maanden min één dag op het perceel worden gestald. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de strandhuisjes als bouwwerken in de zin van de Ow dienen te worden aangemerkt. Daartoe is van belang dat de strandhuisjes bij herhaling voor een zodanig lange periode op het perceel worden geplaatst dat deze ter plaatse duurzaam aanwezig zijn en een blijvende planologische inbreuk op het desbetreffende gebied teweegbrengen. De omstandigheid dat het jaarlijks om een tijdelijke seizoensgebonden activiteit van net geen drie maanden gaat, maakt dat niet anders.”
Dat betekende dat een omgevingsvergunning vereist was. Omdat er verder ook geen reden was om van handhaving af te zien was het beroep ongegrond. Het bestreden besluit bleef dan ook in stand en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Met de in de bijlage bij de Omgevingswet opgenomen definitie van ‘bouwwerk’ is aangesloten bij de omschrijving die was opgenomen in de model-bouwverordening van de VNG. 1) Daarmee is beoogd om ook de – nogal casuïstische – jurisprudentie die vanaf 1962 is gewezen van toepassing te laten blijven. 2) Deze uitspraak onderschrijft dat de jurisprudentielijn wat dit betreft inderdaad wordt doorgezet. 3)
In deze zaak gaat het om de vraag of de tijdsduur dat een object aanwezig is op een locatie bepalend is voor de vraag of dat object wel of geen bouwwerk is. De uitspraak onderschrijft net als eerdere jurisprudentie dat de tijdsduur relevant is, maar niet exclusief doorslaggevend. Er kan dus niet één, altijd van toepassing zijnde termijn worden gegeven waarbinnen een object wel of niet als bouwwerk kan worden aangemerkt.
Twee termijnen komen bij dit vraagstuk in de praktijk regelmatig terug: een termijn van 31 dagen en een termijn van drie maanden. 4) Deze termijnen spelen ook een rol in deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De termijn van 31 dagen wordt bijvoorbeeld ontleend aan een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juni 2001, waarin overwogen werd: “In elk geval kan het plaatsen van een tent gedurende niet meer dan in totaal eenendertig — al dan niet aaneengesloten — dagen per kalenderjaar niet als activiteit worden aangemerkt waarvoor bouwvergunning is vereist.# 5) De termijn van drie maanden wordt bijvoorbeeld ontleend aan een uitspraak van 6 december 2006, waarin de tenten die voor een periode van drie maanden werden geplaatst voor het lammeren van schapen wel als bouwwerk werden aangemerkt. 6) De termijn van drie maanden werd mede onder verwijzing naar die uitspraak nogal stellig genoemd in de toelichting op het Besluit omgevingsrecht (Bor): “Vastgesteld kan in ieder geval worden dat bij een plaatsing gedurende meer dan drie maanden (plaatsing gedurende een aanmerkelijk deel van een seizoen) sprake is van een bouwwerk.”7)
De lijn zou dan zijn: een object dat minder dan 31 dagen wordt geplaatst is nooit een bouwwerk en een object dat langer dan drie maanden wordt geplaatst is altijd een bouwwerk. Dat is echter te kort door de bocht. De rechtbank overweegt daarom terecht dat dit afhangt van de omstandigheden van het geval en mede afhankelijk is van de planologische inbreuk die met het geplaatste object wordt gemaakt. De mate waarin sprake is van een planologische inbreuk hangt af van meerdere factoren. Bijvoorbeeld van de omvang en uitstraling van het object, de op de locatie toegelaten functies/bestemming en het beoogde gebruik van het object. Een tent die gedurende 26 weken als doorwerkvoorziening bij wegwerkzaamheden werd gebruikt was bijvoorbeeld geen bouwwerk. 8) Een kampeermiddel dat langer dan drie maanden op een camping staat zal ook niet snel als bouwwerk worden aangemerkt. Of er sprake is van een bouwwerk, blijft daarom altijd afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De aanwezigheidstermijn is slechts één van de gezichtspunten, die in onderlinge samenhang met de rest van de factoren beoordeeld moet worden.
De wens om aan de hand van enkel een termijn duidelijkheid te creëren over de vraag of er sprake is van een bouwwerk is op zichzelf begrijpelijk. Een casuïstische beoordeling brengt voor de burger rechtsonzekerheid met zich mee. Van het bevoegd gezag vraagt dit uiteindelijk een in enige mate subjectieve beoordeling. De oorzaak van het casuïstische karakter van de beoordeling of er sprake is van een bouwwerk is gelegen in de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever in 1962: het normale spraakgebruik dient bepalend te zijn. 9) De definitie uit de model-bouwverordening werd na de introductie van het begrip ‘bouwwerk’ enkel als richtsnoer gebruikt. 10) Dat is met het opnemen van de definitie in de Omgevingswet niet veranderd.
Bij deze uitspraak zou overigens wel een kritische kanttekening gemaakt kunnen worden. Het ging hier om de opslag van strandhuisjes. Als er uitsluitend sprake is van opslag, is het de vraag of de strandhuisjes bedoeld zijn om ter plaatse te functioneren. Bij opslag speelt de periode van de aanwezigheid feitelijk geen rol; opslag kan ook permanent zijn, zonder dat een object als bouwwerk moet worden aangemerkt. In een uitspraak uit 2009 overwoog de Afdeling wat dit betreft: “Anders dan de rechtbank heeft overwogen, vloeit uit de definitie niet voort dat de zeecontainers reeds als een bouwwerk moeten worden aangemerkt, indien de opslag daarvan min of meer een permanent karakter heeft. Van belang is of sprake is van een constructie die bedoeld is om ter plaatse te functioneren. De duur van de aanwezigheid doet immers niet af aan de mogelijkheid dat de containers uitsluitend - al dan niet langdurig - worden opgeslagen op het perceel.”11) De uitspraak van de Rechtbank Den Haag mist een overweging wat dit betreft.
Een termijn van aanwezigheid is in elk geval nooit de enige doorslaggevende factor bij de beoordeling of er sprake is van een bouwwerk. Of een tijdelijk object een bouwwerk is hangt af van verschillende factoren, waarbij de aanwezigheidstermijn er één van is.
Het rechtsgevolg van het aanmerken van een object als bouwwerk is overigens niet alleen dat een omgevingsvergunning of bouwmelding verplicht kan zijn. Dit betekent ook dat de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing worden. Voor niet-bouwwerken gelden die niet. Die vallen ten aanzien van brandveiligheid onder de regels van het Besluit brandveilig gebruik en basis hulpverlening overige plaatsen, en onder de regels voor brandveilig gebruik uit het omgevingsplan.
Informatie over de auteur
Jacco Huijzer is senior adviseur bouwregelgeving / juridisch adviseur. Het besproken geschil kan worden teruggevonden onder nummer ECLI:NL:RBDHA:2025:19651.
1) In eerste instantie in MBV 1965, later in MBV 1992.
2) Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 616.
3) Vergelijk ook Rb. Rotterdam 23 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1591, Rb. Midden-Nederland 12 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:336,
Rb. Amsterdam 16 september 2025, ECL:NL:RBAMS:2025:6754, Rb. Rotterdam 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12232.
4) Zie bijvoorbeeld Stb. 2017, 373, p.41.
5) ABRvS 7 juni 2001, 200000506/1, ECLI:NL:RVS:2001:AP5086, r.o. 2.3.
6) ABRvS 6 december 2006, 200602330/1, ECLI:NL:VS:2006:AZ3744, r.o. 2.3.3.
7) Stb. 2010, 143, p. 155.
8) Rb. Dordrecht, 8 september 2006, ECLI:NL:RBDOR:2006:AY9446, r.o. 2.5.
9) Kamerstukken II 1958/59, 4234, nr. 6, p. 6, Handelingen II 1960/61, nr. 69, p. 4033.
10) ARRvS 5 september 1979, ECLI:NL:RVS:1979:AM4747.
11) ABRvS 23 december 2009, 200903389/1/H1, ECLI:NL:RVS:2009:BK7469, r.o. 2.2.2.