Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

106e uitspraak bopa! o.a. relatie met bodemregelgeving bal, vanaf wanneer voorbescherming monument?, geen welstandstandseis tijdelijke bouwwerken

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 31 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:886, de inmiddels 106e uitspraak gedaan over de BOPA. Het college heeft de tijdelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van 60 flexwoningen in redelijkheid kunnen verlenen.

31 March 2026

Enkele interessante overwegingen:

De vzr. stelt vast dat verzoekers met deze beroepsgrond niet de geschiktheid van de bodem ter plaatse van de te bouwen flexwoningen ter discussie stellen. Dat is de toets die het college in het kader van de omgevingsvergunning moest doen en ook heeft gedaan. Het is verzoekers te doen om het eventueel graven in de bodem op een aantal voor hen verdachte plekken op de locatie. Voor het graven in de bodem gelden de algemene regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (het Bal) en § 22.3.7 uit het omgevingsplan. Over de toepassing daarvan kan de voorzieningenrechter in deze procedure die gaat over het verlenen van de omgevingsvergunning geen oordeel geven. Dit is – als inderdaad sprake zou zijn van vervuilde grond – eventueel een kwestie van handhaving bij de uitvoering van de werkzaamheden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rust op de locatie geen voorbescherming waar het college zich aan zou moeten houden. Partijen zijn het erover eens dat het college op verzoek van de stichting de monumentale waarden van het gehele Landgoed Jagtlust heeft laten onderzoeken. Maar op grond van de Erfgoedverordening De Bilt 2010 (de Erfgoedverordening) ontstaat voorbescherming met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt. Op de zitting heeft het college toegelicht dat aan de gemeente als eigenaar van de locatie geen kennisgeving is gedaan van een voornemen tot aanwijzing van de locatie als gemeentelijk monument.

De vzr. stelt bij zijn beoordeling verder voorop dat de omgevingsvergunning is verleend voor tijdelijke bouwwerken. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college geen advies hoefde te vragen aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van De Bilt (de monumentencommissie) omdat op grond van het omgevingsplan geen welstandsvereiste van toepassing is op tijdelijke bouwwerken (art. 22.29, lid 1, onder b omgevingsplan).

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Het voornemen is om ter plaatse van de voormalige gemeentekwekerij op het achterterrein van het Landgoed Jagtlust aan de [locatie] in [plaats] (de locatie) voor een periode van maximaal 10 jaar 60 flexwoningen te realiseren. De flexwoningen worden gebouwd in twee tot drie bouwlagen en zullen de adressen [adressen] krijgen. Woongroen wordt de eigenaar en verhuurder van de flexwoningen.

De gemeenteraad van de gemeente De Bilt heeft een positief advies gegeven op deze ontwikkeling. Het college heeft aan Woongroen voor het realiseren van de 60 flexwoningen een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (de omgevingsvergunning) verleend.

Verzoekers, die wonen in de tuinmanswoning van het landgoed aan de [adres 1] in [plaats] , en de stichting zijn het niet eens met de omgevingsvergunning en hebben hier allebei bezwaar tegen gemaakt bij het college. Nadat het college ook de omgevingsvergunning voor de (technische) bouwactiviteit had verleend, hebben verzoekers en de stichting de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het toetsingskader en het geschil

Het college kan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige doeldeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Verzoekers en de stichting stellen zich allebei op het standpunt dat bij het realiseren van 60 flexwoningen op de locatie, geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Daartoe voeren zij een aantal beroepsgronden aan.

De voorzieningenrechter stelt bij zijn beoordeling van de omgevingsvergunning voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom niet zelf of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van verzoekers en de stichting of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Beroepsgronden van verzoekers en de stichting over de monumentale waarden van het Landgoed Jagtlust

Verzoekers en de stichting voeren allebei aan dat de 60 flexwoningen de monumentale waarden van het Landgoed Jagtlust zullen aantasten en er daarom geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De stichting heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 december 20254 over het besluit van het college om het achterterrein van het Landgoed Jagtlust niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. Volgens de stichting moet het college zich, zolang het aanwijzingsbesluit nog niet onherroepelijk is, houden aan de voorbescherming die op de locatie rust. Verder voert de stichting aan dat de omvang, hoogte en lichtuitstraling van de flexwoningen het historische park zullen aantasten. Door de ontsluiting van de flexwoningen via de oprijlijnen van het landgoed, wordt het karakter van het landgoed volgens de stichting aangetast. En met het uitbreiden van de parkeervakken wordt de nu nog wel bestaande padenstructuur ten zuiden van het landhuis doorbroken. De stichting voert verder aan dat het college advies had moeten vragen aan een onafhankelijk erfgoeddeskundige. Juist vanwege de monumentale waarden van de directe omgeving van de flexwoningen had het college een welstandstoets moeten doen. Ten slotte voert de stichting aan dat het college de bescherming van de bunker die in het plangebied aanwezig is ten onrechte heeft genegeerd.

Ook verzoekers vinden dat de 60 flexwoningen qua uitstraling niet in de historische parkstructuur van het landgoed passen. Volgens hen tasten de flexwoningen de herkenbaarheid, beleving en de ruimtelijke samenhang met het landhuis en de tuinmanswoning – die ook een zelfstandig monument is – aan. Zij voeren aan dat het college het effect op het monument van de extra verkeersbewegingen over de wegen die horen tot het deel van het Landgoed Jagtlust dat als gemeentelijk monument is aangewezen ten onrechte niet heeft meegewogen. Volgens verzoekers hebben de flexwoningen een permanente impact op het monument. Ten slotte is volgens verzoekers de vierde bunker ten onrechte niet meegenomen in de archeologische onderzoeken.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rust op de locatie geen voorbescherming waar het college zich aan zou moeten houden. Partijen zijn het erover eens dat het college op verzoek van de stichting de monumentale waarden van het gehele Landgoed Jagtlust heeft laten onderzoeken. Maar op grond van de Erfgoedverordening De Bilt 2010 (de Erfgoedverordening) ontstaat voorbescherming met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt (artikel 4 van de Erfgoedverordening). Op de zitting heeft het college toegelicht dat aan de gemeente als eigenaar van de locatie geen kennisgeving is gedaan van een voornemen tot aanwijzing van de locatie als gemeentelijk monument. Dit betekent dat er nooit voorbescherming voor de locatie is ontstaan. Het alleen instellen van een onderzoek naar de monumentale waarden van een locatie is hiervoor onvoldoende.

Zoals vermeld maakt de locatie geen onderdeel uit van het deel van het Landgoed Jagtlust dat is aangewezen als gemeentelijk monument. De voorzieningenrechter stelt bij zijn beoordeling verder voorop dat de omgevingsvergunning is verleend voor tijdelijke bouwwerken. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college geen advies hoefde te vragen aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van De Bilt (de monumentencommissie) omdat op grond van het omgevingsplan geen welstandsvereiste van toepassing is op tijdelijke bouwwerken (artikel 22.29, eerste lid, onder b, van het omgevingsplan). Maar hij heeft dit wel gedaan. De monumentencommissie heeft op 4 juli 2024 advies aan het college uitgebracht. In dit advies staat dat het college de monumentencommissie advies heeft gevraagd op het voornemen tot het realiseren van tijdelijke woningen op het kwekerijterrein in de zuidwesthoek van het park van Landgoed Jagtlust. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidelijk dat dit advies ziet op het plan om op de locatie flexwoningen te realiseren. De voorzieningenrechter volgt daarom verzoekers niet in hun toelichting op de zitting dat niet duidelijk is dat het advies van 4 juli 2024 op het plan voor de bouw van de flexwoningen ziet.

Concreet adviseert de monumentencommissie het college om het herstel en het versterken van de historische parkstructuur van de locatie leidend te laten zijn bij het realiseren van tijdelijke woningen. Het is volgens de commissie van belang dat de nog aanwezige structuur van de oorspronkelijke landschapsparkaanleg op de locatie wordt hersteld en waar mogelijk weer versterkt wordt bij de tijdelijke ontwikkeling. De tijdelijke bebouwing dient ‘te gast’ te zijn, licht en reversibel en de bestaande bodem en historische structuur zo min mogelijk te verstoren. Door de oorspronkelijke aanleg van het landschapspark bij de tijdelijke ontwikkeling op delen alvast weer in ere te herstellen als onderdeel van een langetermijnvisie, kan een meerwaarde worden gecreëerd. Daarbij kan volgens de commissie bijvoorbeeld ook ruimte zijn voor nieuwe (water-)elementen passend in de langetermijnvisie van behoud en versterking van het monumentale park en landhuis.

In het bestreden besluit heeft het college gemotiveerd dat voor het ontwerp van de woningen en het inrichtingsplan van de buitenruimte met de ontwikkelaar door de gemeente is samengewerkt met de provincie, een architectenbureau en een landschapsontwerper. Hierbij is vanaf het prille begin als uitgangspunt genomen: het herstel van de beleving van de aanwezige structuur van het landgoed (het rondje van Copijn) en het behoud van alle levensvatbare bomen. Met deze basis is de positionering van de voorgenomen tijdelijke woongebouwen vormgegeven, rekening houdend met de omliggende bebouwing, het aangrenzend landgoed en het realiseren van een goed sociaal woonklimaat.

Het college motiveert in het bestreden besluit ook hoe hij gevolg heeft gegeven aan het concrete advies van de monumentencommissie. In de huidige staat is de locatie afgesloten en fungeert het als opslaglocatie voor Infra materiaal en als parkeerterrein voor auto’s van de BOA’s van de gemeente. De locatie wordt met de komst van de woningen opengesteld en weer onderdeel van het park. De inrichting van de locatie wordt hierop – mede op basis van het advies van de monumentencommissie – aangepast. Het college ziet de flexwoningen en de inrichting van de openbare ruimte hierbij als een grote verbetering ten opzichte van de huidige invulling van de locatie. Deze verbetering houdt volgens het college in ieder geval in dat de locatie weer bij het park wordt betrokken en weer wordt opengesteld voor bezoekers en gebruikers. Verder is het in grote lijnen terugbrengen van het inrichtingsplan van Copijn landschappelijk gezien een verbetering. Door dit deel van het park weer open te stellen vormt het weer één geheel met de rest van het park achter het landhuis. Het ontwerp van het park op de locatie is op basis van de militaire kaarten van onder andere 1900 en 1950 vormgegeven: enkele wandelpaden worden teruggebracht of komen als vorm terug als wadi of regentuin. Verder zijn de woonblokken ingepast tussen de bestaande bomen en worden geen levensvatbare bomen gekapt. Met de bomen- en plantenkeuze wordt aangesloten op het parkontwerp van Copijn. Dit komt volgens het college overeen met de advisering van de monumentencommissie om de oorspronkelijke aanleg terug te brengen en ook ruimte te zien voor nieuwe waterelementen. Het college is van mening dat de tijdelijke woningen door volume, hoogte, rooilijn, materiaalkeuze, zichtlijnen en de relatie met het groen goed inpasbaar zijn en juist door de openstelling van het park en de zorgvuldige inrichting versterkend werken in het behoud van de cultuurhistorische waarden van het landgoed. In het verweerschrift heeft het college dit naar aanleiding van de beroepsgronden nog verder verduidelijkt. Het complex met flexwoningen ligt in een afgezonderd deel van het terrein en reikt niet boven de omliggende bomen. Vanaf de open delen van het landgoed zullen de flexwoningen niet zichtbaar zijn. Het complex staat niet in de historische zichtlijnen die in de redengevende omschrijving van Contrei worden genoemd. Het college geeft in het bestreden besluit aan dat hij in de periode dat de flexwoningen op de locatie staan verder zal werken aan een definitieve invulling van de locatie. In het verweerschrift heeft hij toegelicht dat om een langetermijnvisie vast te stellen, deze om te zetten naar het nieuwe omgevingsplankander en vervolgens daarbinnen passende plannen te realiseren een jarenlange doorlooptijd nodig is. Dat is juist de reden dat het college en Woongroen hebben gekozen voor een tijdelijke ontwikkeling die reversibel is en wordt benut voor het lenigen van de bestaande woningnood.

In het verweerschrift en op de zitting heeft het college in reactie op de beroepsgronden toegelicht dat de ontsluiting via de bestaande openbare wegen, die dagelijks ook worden gebruikt door de medewerkers en bezoekers van het gemeentehuis, op grond van het omgevingsplan is toegestaan. De capaciteit van de wegen is volgens het college ruim voldoende, zodat ook de bewoners van de flexwoningen hiervan gebruik kunnen maken. Het college meent dat dit gebruik de monumentale waarde van het park niet aantast en om die reden niet vergunningsplichtig is voor een monumentenactiviteit. Het huidige gebruik van de locatie als opslaglocatie voor Infra materiaal brengt (zwaarder) vrachtverkeer met zich. Dat verkeer verdwijnt juist met de komst van de flexwoningen.

De voorzieningenrechter kan de motivering van het college volgen dat met deze tussenoplossing met flexwoningen tot er een langetermijnvisie voor de locatie is gemaakt de monumentale waarden niet worden aangetast, maar door het herstel van paden en het behoud van groenstructuren juist wordt verbeterd. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de flexwoningen tijdelijk zijn en dus zonder blijvende gevolgen voor de monumentale waarden. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat het advies om een langetermijnvisie voor het Landgoed Jagtlust op te stellen een generiek advies is van de monumentencommissie en niet een inhoudelijke beoordeling van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.

Op de zitting heeft het college toegelicht dat in de meest zuidwestelijke hoek op de locatie inderdaad nog een bunker aanwezig is die in de onderbouwing van de omgevingsvergunning niet is genoemd. Maar deze bunker wordt bij de realisatie van de flexwoningen niet geroerd. In deze hoek op de locatie vinden geen activiteiten plaats. En dus is de aanwezigheid van de bunker voor het college geen reden om de omgevingsvergunning te weigeren. De voorzieningenrechter kan ook deze motivering volgen.

Andere beroepsgronden van verzoekers

Met het voorgaande heeft de voorzieningenrechter de beroepsgronden van de stichting beoordeeld. Verzoekers hebben naast de beroepsgronden over de monumentale waarden van het Landgoed Jagtlust nog een aantal andere beroepsgronden aangevoerd waarom volgens hen geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het vervolg van deze uitspraak zal de voorzieningenrechter deze beroepsgronden beoordelen.

Fauna

Op de zitting hebben verzoekers de beroepsgrond dat het college niet had mogen uitgaan van de uitkomsten van de faunarapporten en dat ook een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd had moeten worden ingetrokken. Deze beroepsgrond zal de voorzieningenrechter daarom niet beoordelen.

Bodem

Bij het bestreden besluit is het verkennend bodem- en fundatieonderzoek ‘ [adres 2] te [plaats] ’ van ZVS Milieu van 13 november 2025 gevoegd. Op de zitting hebben verzoekers toegelicht dat zij de conclusies uit dit rapport niet bestrijden, maar zij voeren aan dat op drie plekken op de locatie die volgens hen verdacht zijn geen boringen zijn verricht. Zij vermoeden dat bij een brand in de voormalige bebouwing op de locatie asbest is vrijgekomen die in de bodem terecht is gekomen en dat er een bodemvervuiling is door drugsafval. En juist op deze voor hen verdachte plekken zijn bij het bodemonderzoek geen boringen gedaan. Hierdoor vrezen verzoekers dat er toch een bodemvervuiling is die bij het onderzoek niet aan het licht is gekomen en dat als in de grond op deze plekken bij de werkzaamheden voor het realiseren van de flexwoningen gegraven wordt, vervuilde grond naar hun perceel verstuift.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers met deze beroepsgrond niet de geschiktheid van de bodem ter plaatse van de te bouwen flexwoningen ter discussie stellen. Dat is de toets die het college in het kader van de omgevingsvergunning moest doen en ook heeft gedaan. Het is verzoekers te doen om het eventueel graven in de bodem op een aantal voor hen verdachte plekken op de locatie. Voor het graven in de bodem gelden de algemene regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (het Bal) en § 22.3.7 uit het omgevingsplan. Over de toepassing daarvan kan de voorzieningenrechter in deze procedure die gaat over het verlenen van de omgevingsvergunning geen oordeel geven. Dit is – als inderdaad sprake zou zijn van vervuilde grond – eventueel een kwestie van handhaving bij de uitvoering van de werkzaamheden.

Parkeerplaatsen

Het college is voor het aantal benodigde parkeerplaatsen bij de flexwoningen met het bestreden besluit in heroverweging gekomen tot een normering van 0,5 parkeerplaats per flexwoning, terwijl hij in de omgevingsvergunning nog een normering van 0,6 parkeerplaats per flexwoning toepaste.

Verzoekers voeren aan dat zij verwachten dat de mensen uit de doelgroepen voor de flexwoningen zeer waarschijnlijk buitenshuis werken en actief zijn in de maatschappij en dus waarschijnlijk allemaal een auto zullen bezitten. Dan is een parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per flexwoning te laag. Daardoor zullen er te weinig parkeerplaatsen zijn, waardoor nog meer dan nu al het geval is op andere plekken op het Landgoed Jagtlust, zoals langs de oprijlaan, geparkeerd gaat worden. Verzoekers zullen hier overlast van ondervinden. Ook in de huidige situatie is de parkdruk op het landgoed al hoog, onder andere doordat mensen gratis op het landgoed parkeren en vervolgens met het openbaar vervoer verder reizen richting Utrecht Science Park of elders.

Het college baseert het bestreden besluit op het verkeerskundig advies van 19 november 2025. Daarin staat dat het vigerend parkeerbeleid van de gemeente De Bilt is gebaseerd op de CROW-kengetallen. De gemeentelijke parkeernorm wordt van die kengetallen afgeleid en is het gemiddelde van de bandbreedte in de kengetallen. Voor het type van ‘flexwoning’ heeft het CROW geen kengetallen opgenomen. Daarom heeft het college aansluiting gezocht bij vergelijkbare ontwikkelingen in andere gemeenten. Het college heeft een vergelijking gemaakt met de gemeenten Hilversum, Zaandam en Lingewaard. Het college vindt de gemeente Lingewaard naar schaal en inwoneraantal het best vergelijkbaar met de gemeente De Bilt. Deze gemeente Lingewaard past voor een tiny house – dat is een kleine, zelfstandige koop/huur eenpersoonswoning, veelal voor jongeren met een oppervlakte van maximaal 50 m2 bvo – dezelfde parkeernorm toe als die hij voor ‘huur, appartement, sociale of vrije sector < 30 m2 bvo’ hanteert. Daarom heeft het college in het bestreden besluit gelet op de aard van de bewoning van de flexwoningen de kengetallen die door het CROW zijn opgenomen voor ‘huur, appartement, sociale of vrije sector < 30 m2 bvo’ toegepast om de parkeerbehoefte voor de flexwoningen te bepalen. Dit past volgens het college bij het mobiliteitsprofiel van de doelgroep van starters, jongeren en statushouders, die gemiddeld een lager percentage van autobezit heeft. Voor 60 flexwoningen zijn bij het toepassen van deze norm 30 parkeerplaatsen nodig en dit aantal parkeerplaatsen zal nieuw worden gerealiseerd als onderdeel van het plan.

De voorzieningenrechter kan deze motivering van het college over de parkeerbehoefte volgen. Wat verzoekers aanvoeren maakt dit oordeel niet anders. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het college op grond van vaste rechtspraak bij het verlenen van de omgevingsvergunning alleen rekening hoeft te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van de nieuwe flexwoningen ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte in de omgeving en geen eventueel bestaand parkeertekort hoeft op te lossen. Het college mag daarbij het vastgestelde parkeerbeleid toepassen. Parkeren langs de openbare wegen op het landgoed is nu ook al toegestaan. Daar brengt de omgevingsvergunning geen verandering in.

Belangenafweging

Ten slotte voeren verzoekers aan dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning onvoldoende rekening heeft gehouden met de inbreuk die de flexwoningen zullen maken op hun privacy. Op de zitting hebben verzoekers toegelicht dat zij vooral licht- en geluidoverlast zullen ondervinden van de galerij c.q. loopbrug tussen de twee woonblokken die achter hun tuin komt. Zij wezen daarbij op de informatie die werd gegeven op een informatieavond dat de galerij een sociale functie voor de bewoners van de flexwoningen zal hebben. Verder heeft het college volgens verzoekers bij de belangenafweging ten onrechte geen rekening gehouden met de mogelijkheid van scheurvorming in hun woning door het bouwverkeer dat langs gaat rijden.

Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd hoe hij rekening heeft gehouden met de belangen van verzoekers. De afstand tussen de flexwoningen en het perceel van verzoekers bedraagt ruim 30 meter en tot aan de woning van verzoekers is de afstand ruim 70 meter. Tussen de flexwoningen en de tuin van verzoekers wordt een fietsenberging gerealiseerd. Dit biedt een afscherming van de tuin van verzoekers en voorkomt inschijnen van de koplampen bij het parkeren van de auto’s op de nieuw aan te leggen parkeerplaatsen. Als verlichting wordt buitenverlichting naast de voordeuren gerealiseerd. Dat valt volgens het college niet onder de lichtoverlast.

De voorzieningenrechter begrijpt dat de bouw van 60 flexwoningen, die daar voor een periode van 10 jaar blijven staan, impact heeft voor verzoekers. Maar hij vindt het – mede gelet op de bestaande woningnood – niet onredelijk dat het college de belangen bij de bouw van de tijdelijke flexwoningen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van verzoekers bij behoud van hun huidige privacy. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat vergunninghouder op de zitting heeft toegelicht dat de galerij c.q. loopbrug tussen de twee woonblokken is bedoeld als een fysieke verbinding tussen de verschillende flexwoningen. Het is een verkeersruimte waar de bewoners overheen lopen om naar elkaar toe te gaan en dus geen verblijfsruimte waar langere tijd wordt verbleven. Het is niet de bedoeling dat daar een zitgelegenheid wordt gecreëerd bijvoorbeeld. Verder heeft vergunninghouder op de zitting toegezegd dat als het noodzakelijk is om op de galerij c.q. loopbrug verlichting aan te brengen, deze in de richting van de tuin van verzoekers zal worden afgeschermd. Verzoekers zullen daar dan geen hinder van ondervinden. Ook neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het college in zijn belangenafweging heeft mogen betrekken dat op grond van het omgevingsplan op de locatie al bebouwing is toegestaan. Als die bebouwing zou worden gerealiseerd zou de privacy van verzoekers ten opzichte van de huidige situatie ook verminderen.

Verder is de voorzieningenrechter met het college van oordeel dat de mogelijkheid op scheurvorming door het bouwverkeer een onderdeel is van de uitvoering van de bouwwerkzaamheden en geen aspect is dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning aan de orde kan komen. Voor het voorkomen van schade of zo nodig het verzoeken om een schadevergoeding zijn andere procedures van toepassing. De voorzieningenrechter kan daar in deze procedure geen oordeel over geven.

Conclusie en gevolgen

De conclusie van het voorgaande is dat het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat hij de omgevingsvergunning heeft verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het beroep is ongegrond. De omgevingsvergunning blijft in stand. Dat betekent dat Woongroen de flexwoningen conform de aan haar verleende omgevingsvergunning mag bouwen.

Artikel delen