De rechtbank Noord-Holland heeft op 31 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3279, de inmiddels 107e uitspraak gedaan over de BOPA. De uitspraak gaat over een afwijzing van een aan vraag om een omgevingsvergunning voor het toestaan van het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning.

Enkele interessante overwegingen:
Volgens eiseres is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Eiseres voert aan dat er nu al geen sprake is van een recreatiepark of parkeigenaar. De recreatiewoningen zijn allemaal van particuliere eigenaren inclusief de ondergrond. Er zijn 340 eigenaren en niet 1 parkeigenaar. De rechtbank overweegt dat de vraag of sprake is van een recreatiepark of parkeigenaar voor deze beoordeling niet van belang is en daarom buiten de beoordeling in deze procedure valt (de ETFAL-beoordeling, YS).
De rechtbank is verder van oordeel dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vergunning is geweigerd met het oog op evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit de motivering blijkt dat het college primair de vergunning heeft geweigerd omdat zij wenst vast te houden aan de recreatieve functie – in lijn met de recreatieve bestemming – van Park de Horn. Het college wil Park de Horn revitaliseren en een ontwikkeling als permanente bewoning van de recreatiewoning past daar niet bij. Het college geeft daarbij aan dat het ruimtelijk gezien niet wenselijk is om de functies wonen en recreatie te combineren; de vele wisselingen van bezoekers aan vakantiewoningen kan voor overlast zorgen aan de permanente bewoners.
Aan het bestreden besluit ligt daarnaast het onderzoek naar de mogelijkheden voor permanente bewoning (uitgevoerd door een extern gespecialiseerd bureau) onder de grondeigenaren ten grondslag. Het college geeft aan dat is afgesproken dat een recreatiepark alleen onderzocht wordt voor permanente bewoning als 70% van de grondeigenaren daarmee akkoord gaat. De rechtbank kan – anders dan eiseres – volgen dat het college het percentage van 70% heeft gehanteerd, omdat het gaat om een ingrijpende ruimtelijke kwestie. Het college heeft toegelicht dat de grondeigenaren konden stemmen via de website van de gemeente. Uit de stemmen blijkt dat er geen 70% is behaald.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan (het toestaan van permanente bewoning van een recreatiewoning) op het adres Park De Horn [perceel 2] in Dirkshorn te weigeren. Eiseres is het niet eens met de weigering.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren.
Eiseres woont aan Park de Horn [perceel 2] in Dirkshorn (hierna: het perceel) en heeft een persoonlijke gedoogbeschikking om de recreatiewoning permanent te bewonen. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het omgevingsplan op het perceel. Bij de projectomschrijving in de aanvraag heeft eiseres geschreven: ‘Huidige bestemming wijzigen van bestemming RV2 naar RV3 zodat er een dubbelstemming is en geen inzet meer nodig is voor handhaving’.
Met het primaire besluit van 25 juni 2024 heeft het college de omgevingsvergunning voor het toestaan van het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning geweigerd. Het gebruiken van recreatiewoningen voor permanente bewoning is strijdig binnen deze bestemming en het college wenst vast te houden aan de recreatieve bestemming ter plaatse. Het college wil Park de Horn revitaliseren en een ontwikkeling als permanente bewoning van de recreatiewoning past hier niet.
Wat is het toetsingskader?
Eiseres voert aan dat het college achterloopt. Sinds 1 januari 2024 zijn er flink wat zaken veranderd met de nieuwe Omgevingswet. Het is volgens eiseres onjuist om vast te houden aan het oude bestemmingsplan.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente (zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet). Dat omgevingsplan bestaat op dit moment onder andere uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die op 1 januari 2024 golden. Ten tijde van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan “Recreatieterreinen Harenkarspel ” (hierna: het bestemmingsplan) dus als onderdeel van het omgevingsplan. Het college heeft de aanvraag in het bestreden besluit dus terecht getoetst aan het bestemmingsplan.
Is sprake van strijdigheid met het omgevingsplan?
Op basis van het bestemmingsplan geldt ter plaatse van het perceel de bestemming ‘Recreatie — Verblijfsrecreatie 2’ met de dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie’. In artikel 6.4 van het bestemmingsplan staat dat het gebruik van gebouwen, met uitzondering van beheerderswoningen, voor permanente bewoning in strijd is met de bestemming ‘recreatie – verblijfsrecreatie 2’.
De rechtbank stelt vast dat er bij permanente bewoning op het perceel dus sprake is van strijd met het bestemmingsplan (en dus het omgevingsplan). Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd (dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd). Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan geen bepaling kent op grond waarvan afgeweken kan worden van het daar bepaalde. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat de mogelijkheid van het college om buiten het omgevingsplan om een omgevingsvergunning te verlenen voor een omgevingsplanactiviteit. Een omgevingsvergunning kan ik dat geval alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Volgens eiseres is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Eiseres voert aan dat er nu al geen sprake is van een recreatiepark of parkeigenaar. De recreatiewoningen zijn allemaal van particuliere eigenaren inclusief de ondergrond. Er zijn 340 eigenaren en niet 1 parkeigenaar. In 2003 is de bedrijfsmatige exploitatie gestopt en door middel van uitponding is alles verkocht. Dat er geen bedrijfsmatige exploitatie is blijkt ook uit het bestemmingsplan. Iedere keer dat door het college wordt gesproken over recreatiepark en de parkeigenaar is er sprake van valsheid in geschrifte; het is een straat met 340 eigenaren. Eiseres wil een bewijs zien dat Lecc Exploitatie, of haar directeur, de parkeigenaar zou zijn.
Eiseres voert verder aan dat de tellingen suggestief zijn en er nooit uitslagen bekend zijn gemaakt. De 70/30 regel is misplaatst om de bestemming te wijzigen. Ook is het niet juist om dit toe te passen op Park de Horn omdat dit 340 eigenaren met opstal en eigen grond heeft. De andere parken met Recreatie – verblijfsrecreatie 2 bestemming waar deze onderzoeken plaatsvinden hebben geen eigen grond in tegenstelling tot de Horn. Door het college had volgens eiseres de 49/51 regel gebruikt moeten worden. Bovendien is een deel van de stemmen uitgebracht via volmacht, dit is onder druk van de ‘parkeigenaar’. Er dient opnieuw een stemming plaats te vinden van de eigenaren, los van een ‘parkeigenaar’, aldus de eiseres.
De rechtbank overweegt dat de vraag of sprake is van een recreatiepark of parkeigenaar voor deze beoordeling niet van belang is en daarom buiten de beoordeling in deze procedure valt. Alleen al daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om bij Lecc Exploitatie B.V. of haar directeur eigendomsbewijzen op te vragen zoals door eiseres is verzocht.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vergunning is geweigerd met het oog op evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit de motivering blijkt dat het college primair de vergunning heeft geweigerd omdat zij wenst vast te houden aan de recreatieve functie – in lijn met de recreatieve bestemming – van Park de Horn. Het college wil Park de Horn revitaliseren en een ontwikkeling als permanente bewoning van de recreatiewoning past daar niet bij. Het college geeft daarbij aan dat het ruimtelijk gezien niet wenselijk is om de functies wonen en recreatie te combineren; de vele wisselingen van bezoekers aan vakantiewoningen kan voor overlast zorgen aan de permanente bewoners.
Aan het bestreden besluit ligt daarnaast het onderzoek naar de mogelijkheden voor permanente bewoning (uitgevoerd door een extern gespecialiseerd bureau) onder de grondeigenaren ten grondslag. Het college geeft aan dat is afgesproken dat een recreatiepark alleen onderzocht wordt voor permanente bewoning als 70% van de grondeigenaren daarmee akkoord gaat. De rechtbank kan – anders dan eiseres – volgen dat het college het percentage van 70% heeft gehanteerd, omdat het gaat om een ingrijpende ruimtelijke kwestie. Het college heeft toegelicht dat de grondeigenaren konden stemmen via de website van de gemeente. Uit de stemmen blijkt dat er geen 70% is behaald. Ook de uitkomst van dit onderzoek heeft gemaakt dat het college niet van haar primaire standpunt (vasthouden aan de recreatieve functie) is afgeweken. Het college heeft uitgelegd hoe zij na de stemming controle heeft uitgevoerd op de legitimiteit van de stemmen. De grondeigenaren hebben bij de stemming hun persoonsgegevens moeten invullen, zodat het college de gegevens kon toetsen bij het kadaster. Daarbij is naar voren gekomen dat een deel van de tegenstemmen is uitgebracht bij volmacht. Deze heeft het college ingezien en daarbij is vastgesteld dat de ingevulde persoonsgegevens van grondeigenaren op de volmachten overeenkomen met hetgeen tijdens de stemming is ingevuld. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
Eiseres voert aan dat op 23 december 2025 door het college wel medewerking is verleend aan een BOPA om recreatie/logies om te zetten in wonen. Eiser voert aan dat daarin is beslist: ‘verleende omgevingsvergunning met een Bopa voor het wijzigen van de bestemming van een beheerderswoning van recreatie naar wonen op de locatie [adres] in Dirkshorn.’
Ook is er een aanvraag gedaan voor omzetten van agrarisch naar wonen, deze zal binnen afzienbare tijd worden verleend.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Het enige concrete geval dat eiseres noemt is [adres] in Dirkshorn. De rechtbank kan het college volgen in de op zitting gegeven uitleg dat geen sprake is van gelijke gevallen. De situatie is reeds anders omdat het in dat geval ging om een beheerderswoning die onderdeel uitmaakt van een afgescheiden recreatiegebied. Hoewel sprake is van hetzelfde bestemmingsplan ligt die beheerderswoning in een ander deel (aan de overkant van de weg) en is de beheerderswoning daar omgeven door reguliere woningen aan weerszijden. De ruimtelijke impact is daarom in dat geval anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheid
Eiseres voert aan dat het besluit onevenredig is. Er wordt al 17 á 18 jaar op hetzelfde adres gewoond. De nadelige gevolgen van het besluit staan niet in verhouding tot de aanvraag tot wijziging naar wonen. Er verandert feitelijk niets, behalve dat er geen handhaving kan plaatsvinden, het ‘postadres’ erkend wordt en een wateraansluiting kan worden gevraagd. Er is enorm veel onrust door alle handhavingsverzoeken van derde-partij.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onevenredig besluit. Het college stelt zich op het standpunt dat de nadelige gevolgen van de beslissing, namelijk het weigeren van een omgevingsvergunning voor permanente bewoning van de recreatiewoning, in verhouding zijn tot de te dienen doelen. Eiseres woont al jaren in de recreatiewoning op basis van een individuele gedoogbeschikking. De enkele omstandigheid dat eiseres op dit moment geen postadres en waterafsluiting zou kunnen aanvragen maakt het bestreden besluit niet onevenredig. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
Eiseres voert verder aan dat het hele voortraject rommelig is verlopen. Eiseres heeft een paar keer contact gehad met een ambtenaar die uiteindelijk ziek en onbereikbaar werd. Vervolgens was er geen mogelijkheid meer om in contact te komen met de gemeente.
Eiseres voert aan dat het college niet standvastig is. Om de twee jaar komen er nieuwe ambtenaren die geen nieuw verschil kunnen maken. Ook wordt er door de gemeente ruim € 200.000,- per jaar uitgegeven om handhavend op te treden op de Horn. Dit geld wordt misplaatst ingezet om een ‘parkeigenaar’ te ondersteunen die geen park bezit. Het is een dictatuur van boa’s die zonder aankondiging of onderbouwing langskomen om te handhaven, aldus eiseres. Wat er van de voorgaande standpunten ook zij, deze standpunten kunnen niet resulteren in een gegrond beroep. Hetgeen is aangevoerd kan namelijk niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit of valt buiten de omvang van deze procedure.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond.