Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

108e uitspraak bopa! is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering?

Op 1 april 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:2357) heeft de rechtbank Gelderland de inmiddels 108e rechterlijke uitspraak gedaan over de BOPA.

1 April 2026

Voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, bestaat slechts aanleiding, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan een activiteit in de weg staat. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident, als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming ook niet hoeft te geven.

Hoewel de gemeente eigenaar is van de grond waarop de verhoging van de havenkraan is voorzien, is de rechtbank van oordeel dat op het moment van de beslissing op bezwaar geen sprake was van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Daarvoor is de e-mail van 14 april 2025 van een medewerker van de gemeente van belang. Uit deze e-mail blijkt voldoende dat er een overeenkomst bestaat tussen de gemeente en eiseres over een huurafhankelijk zakelijk recht van opstal voor het hebben en houden van een havenkraan. Naar het oordeel van de rechtbank had het college vanwege deze e-mail niet kunnen aannemen dat ten tijde van de beslissing op bezwaar van 10 juli 2025 nog sprake was van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Vanwege deze e-mail was het namelijk op dat moment niet evident dat er een privaatrechtelijke belemmering was voor de uitvoering van de omgevingsvergunning.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Deze uitspraak gaat over de tijdelijke omgevingsvergunning voor het verhogen van de havenkraan van 22 meter.

Eiseres heeft op 19 juli 2024 een aanvraag ingediend voor het verhogen van de bestaande havenkraan.

Bij besluit van 10 februari 2025 heeft het college een tijdelijke omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend tot 1 januari 2030 voor het verhogen van de havenkraan tot 34 meter (op grond van artikel 5.1 eerste lid aanhef en onder a van de Omgevingswet en artikel 8.0a tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

Bij beslissing op het bezwaar van eiseres van 10 juli 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Is er sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering?

Eiseres betoogt dat het college haar bezwaar tegen de omgevingsvergunning ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het college stelt ten onrechte dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De grond waarop de verhoging van de havenkraan moet komen is weliswaar eigendom van de gemeente Arnhem, maar eiseres en de gemeente hebben constructief gewerkt aan de totstandkoming van een opstalovereenkomst. Uit de e-mail van 14 april 2025 blijkt ondubbelzinnig dat het voornemen tot vestiging van het recht van opstal al bestond. Vervolgens is de opstalovereenkomst ook daadwerkelijk ondertekend op 24 juli 2025. Ten onrechte heeft het college op het bezwaar besloten zonder rekenschap te geven van de actuele stand van zaken rond de vestiging van het recht van opstal.

Het college stelt zich op het standpunt dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering aanwezig is waardoor eiseres het bouwplan niet kan verwezenlijken. Eiseres is namelijk geen eigenaar van het betreffende perceel. Tussen de eigenaar van het perceel (de gemeente) en eiseres was nog geen overeenkomst gesloten over het gebruik en de bebouwing op het perceel, en op het moment van de beslissing op bezwaar was het recht van opstal nog niet gevestigd.

Voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, bestaat slechts aanleiding, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft (ABRvS 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY037). De burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan een activiteit in de weg staat. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident, als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming ook niet hoeft te geven (ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3393).

In de e-mail schrijft de medewerker immers:

“[…] Voor de volledigheid; het recht van opstal heb je al eerder ontvangen en is door partijen getekend. [persoon A] heeft de notaris gevraagd het document te laten passeren, zodat het wordt vastgelegd in het register en ook wordt gepubliceerd. Ze zal vandaag bij de notaris informeren naar de stand van zaken. In afwachting van de registratie kan je conform de stukken (vergunning, huur- en opstalrechtovereenkomst) starten met de (bouw) werkzaam heden. […] ”

Naar het oordeel van de rechtbank had het college vanwege deze e-mail niet kunnen aannemen dat ten tijde van de beslissing op bezwaar van 10 juli 2025 nog sprake was van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Vanwege deze e-mail was het namelijk op dat moment niet evident dat er een privaatrechtelijke belemmering was voor de uitvoering van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het college eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Artikel delen