Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

10e omgevingsplanuitspraak: deze omgevingsplanwijziging brengt geen verandering in mogelijkheden kappen bomen

De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft op 2 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1141) de inmiddels 10e uitspraak gedaan over een omgevingsplanwijziging. Het besluit tot wijziging betreft de derde wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal. Met het besluit tot wijziging worden een aantal technische aanpassingen en een aantal inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd in het omgevingsplan. De inhoudelijke wijzigingen betreffen het corrigeren en de actualisatie van verschillende algemene regels uit het omgevingsplan. Er is met het besluit tot wijziging niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.

2 March 2026

Samenvattingen

[verzoeker] woont op de [locatie A] in Veenendaal. Zijn perceel grenst aan een perceel met bomen, het zogenoemde ‘bosje Kerkewijk’, waarvan [belanghebbende] de eigenaar is. [verzoeker] wil dat het bosje beschermd wordt in het omgevingsplan, zodat daarbinnen geen bomen gekapt kunnen worden zonder omgevingsvergunning. Hij vindt dat het college dit had moeten regelen in het besluit tot wijziging. Nu dat niet is gebeurd, is het besluit tot wijziging volgens [verzoeker] onzorgvuldig tot stand gekomen. Zijn verzoek strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bepaalt dat zonder omgevingsvergunning geen bomen mogen worden gekapt of houtopstanden mogen worden geveld in het bosje.

Partijen verschillen van mening over de vraag of het college de wens van [verzoeker] om de bomen in het besluit tot wijziging te beschermen had moeten betrekken bij de voorbereiding van dat besluit.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van [verzoeker] niet ontvankelijk is, omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoeker] een zienswijze heeft ingediend. Alleen daarom al gaat de voorzieningenrechter er, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953 (zie met name rechtsoverweging 4.7), en 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1928 (zie met name rechtsoverweging 3.3) van uit dat het beroep van [verzoeker] in de bodemprocedure ontvankelijk zal zijn.

De voorzieningenrechter kan, gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. [verzoeker] heeft toegelicht dat zijn spoedeisend belang erin is gelegen dat op dit moment ter plaatse van het bosje zonder omgevingsvergunning bomen kunnen worden gekapt of houtopstanden kunnen worden geveld. Hij wil voorkomen dat dit daadwerkelijk gebeurt voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Hij vreest dat de fysieke leefomgeving anders onherstelbaar wordt aangetast.

Ter plaatse van het bosje geldt het bestemmingsplan "Woongebieden 2018". Dat bestemmingsplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal. Om het wat betreft terminologie niet onnodig ingewikkeld te maken, zal de Afdeling in het vervolg van de uitspraak echter nog steeds spreken over het bestemmingsplan. In dat bestemmingsplan is aan het bosje de bestemming "Groen" toegekend zonder aanduiding "bouwvlak". Op grond van de regels van dat bestemmingsplan is het niet toegestaan om op de locatie van het bosje bebouwing op te richten. Het voorliggende besluit tot wijziging heeft geen betrekking op het bestemmingsplan en voorziet dus ook niet in wijzigingen van de toegestane gebruiks- en bouwmogelijkheden.

Verder is tussen partijen niet in geschil dat het bosje in het omgevingsplan, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van het besluit tot wijziging (het voorgaande regime), niet was aangemerkt als gemeentelijke houtopstand en ook niet binnen het gebied "waardevolle bomen" lag. Op grond van artikel 5.120, eerste lid, van de regels van dat omgevingsplan bestond dan ook geen vergunningplicht voor de activiteit kappen. Ook is niet in geschil dat het besluit tot wijziging hierin geen veranderingen heeft gebracht. Met dit besluit is slechts de naam ‘gebied "waardevolle bomen"’ veranderd in ‘locatie "beschermde bomen"’ en daarnaast is de inhoud van de hiervoor vermelde bepaling verplaatst naar artikel 5.116, eerste en tweede lid, van de regels van het omgevingsplan zonder dat die bepaling inhoudelijk is gewijzigd. De locatie "beschermde bomen" zelf is met het besluit tot wijziging ook niet gewijzigd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaan er geen concrete aanknopingspunten op grond waarvan gevreesd moet worden dat binnen het bosje op korte termijn bomen of houtopstanden gekapt of geveld zullen worden. Op de locatie van het bosje is alleen gebruik toegelaten dat past binnen de bestemming "Groen" en omdat de gronden ter plaatse van het bosje niet de aanduiding "bouwvlak" hebben mag daar geen bebouwing worden opgericht. Het besluit tot wijziging voorziet ook niet in nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving ter plaatse van het bosje. Verder gold er ook onder het voorgaande regime geen kapvergunningplicht voor het bosje. Er is dus geen kapvergunningplicht vervallen door het besluit tot wijziging. Niet is gebleken dat er op dit moment concrete plannen zijn om ter plaatse van het bosje iets te ontwikkelen. Op de zitting heeft [belanghebbende] verklaard dat hij op korte termijn niet voornemens is om bomen te kappen of houtopstanden te vellen binnen het bosje voor zover dat niet noodzakelijk is voor het reguliere onderhoud en het normale beheer van het bosje. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met het verzoek om voorlopige voorziening dan ook geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Artikel delen