Op 7 april 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2026:978) de inmiddels 110e uitspraak gedaan over de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het college heeft de omgevingsvergunning voor de BOPA, het verhogen van de uitbouw achter, in redelijkheid kunnen verlenen. De vergunning ziet niet op gebruik van het dak als dakterras of daktuin. Integendeel, dat dat gebruik niet is toegestaan is juist in de vergunning opgenomen. Van een onevenredige aantasting van de privacy (door incidenteel onderhoud) en lichtinval is niet gebleken.

Vanwege de strijdigheid met het Omgevingsplan heeft het college de aanvraag van vergunninghouders aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op grond van artikel 8.0a, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt, als het gaat om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de gevraagde omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het licht van die beoordeling heeft het college de Afdeling Stedenbouw gevraagd om advies over het bouwplan. Het college heeft de afdeling Stedenbouw daarom gevraagd om over het bouwplan te adviseren. Stedenbouw heeft een positief advies uitgebracht.
Het college heeft bij het bestreden besluit in redelijkheid kunnen aansluiten bij het advies van de Afdeling Stedenbouw. Aanvullend heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de dag- en zonlichttoetreding in de gang en achtertuin van verzoeker al gering is, omdat hier sprake is van stedelijk gebied. Woningen staan dicht op elkaar en de tuinen zijn klein. Daar komt bij dat de gang van verzoeker geen verblijfsruimte is, zodat aan het belang van verzoeker bij dag- en zonlichttoetreding op die plek ook om die reden minder gewicht toekomt. De (voorzieningen)rechter kan het college hierin volgen. Hoewel de (voorzieningen)rechter tegelijkertijd begrijpt dat het beetje licht in de gang voor verzoeker juist van grote waarde is, acht de (voorzieningen)rechter het niet onredelijk dat dit belang minder gewicht in de schaal heeft gelegd bij de ruimtelijke afweging die het college heeft gemaakt. Wat betreft de privacy is het college naar het oordeel van de (voorzieningen)rechter ook in redelijkheid aangesloten bij het advies van de Afdeling Stedenbouw. Aangezien de omgevingsvergunning niet ziet op het gebruik als daktuin/dakterras, kan er ook geen sprake zijn van inkijk als gevolg van een daktuin/dakterras. De (voorzieningen)rechter ziet niet dat het kortstondig betreden van het dak voor onderhoud een onevenredige aantasting van de privacy van de buren tot gevolg heeft.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Vergunninghouders zijn eigenaar van het perceel aan de [adres 1] in [plaats] . Hun woning is aan de achterzijde uitgebouwd. Vergunninghouders willen de uitbouw zo’n 80 centimeter verhogen en voorzien van een zogenoemd ‘blauw dak’, een systeem dat regenwater opvangt en vertraagd afvoert. Op het dak op enige afstand van de randen, komen plantenbakken van plusminus 40 centimeter hoog. Ten behoeve van dit bouwplan hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd bij het college voor een omgevingsplanactiviteit.
De buren wonen aan weerszijden direct naast vergunninghouders. Verzoeker woont op [adres 2] en eisers op [adres 3] . De buren vrezen allen voor een inbreuk op hun privacy, omdat zij denken dat het dak ook door vergunninghouders zal worden gebruikt om te verblijven (als terras of daktuin). Verzoeker vreest daarnaast voor een beperking van het zonlicht in zijn gang en in zijn achtertuin door het verhogen van de uitbouw.
Het verhogen van de uitbouw en het daarop plaatsen van plantenbakken (bouwwerken), is in strijd met het Omgevingsplan Hilversum. Het college heeft de afdeling Stedenbouw daarom gevraagd om over het bouwplan te adviseren. Stedenbouw heeft een positief advies uitgebracht. Vervolgens heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning op 10 juli 2025 aan vergunninghouders verleend. De buren hebben bezwaar gemaakt. Met de besluiten op bezwaar van 5 december 2025 (hierna: de bestreden besluiten) heeft het college de omgevingsvergunning echter in stand gelaten.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow, wordt een omgevingsplanactiviteit als volgt gedefinieerd:
Ter plaatse van het perceel van vergunninghouders geldt het ‘Omgevingsplan gemeente Hilversum’. Het bouwplan is in strijd met dit Omgevingsplan. In artikel 4:5, eerste lid van de planregels is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning te bouwen. Dit verbod geldt niet als is voldaan aan de in het tweede lid opgenomen voorwaarden, maar daar voldoet het bouwplan niet aan. Met het verhogen van de uitbouw wordt namelijk ook het bouwvolume vergroot (tweede lid, onder b). Verder bevat artikel 4.27 van de planregels nog een omschrijving van de bouwwerken die vergunningvrij zijn, maar ook daar voldoet het bouwplan niet aan. De uitbouw die wordt verhoogd, een souterrain, staat namelijk niet op de grond (eerste lid, onder b).
Vanwege de strijdigheid met het Omgevingsplan heeft het college de aanvraag van vergunninghouders aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt, als het gaat om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de gevraagde omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het licht van die beoordeling heeft het college de Afdeling Stedenbouw gevraagd om advies over het bouwplan.
De Afdeling Stedenbouw verwacht geen negatieve ruimtelijke effecten van het bouwplan. De uitbouw ligt ingeklemd tussen de uitbouwen van de buren. Omdat het perceel van eisers ten zuiden van dat van vergunninghouders ligt, verwacht Stedenbouw dat de verhoging voor hen geen negatief effect heeft qua dag- en zonlicht. Verzoeker woont ten noorden van het perceel van vergunninghouders. Ook voor hem verwacht Stedenbouw slechts een beperkt negatief effect op dag- en zonlichttoetreding, omdat de woningen van vergunninghouders en de buren aan de westkant van hun percelen zijn gesitueerd. Stedenbouw overweegt verder dat de diepte van de aanbouw niet wordt gewijzigd en dat de verhoging nog onder het niveau van de eerste verdiepingsvloer blijft, zodat de achtergevel van het hoofdgebouw goed zichtbaar blijft.
Gelet hierop, en na afweging van de betrokken belangen, is het college tot de conclusie gekomen dat het bouwplan in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zodat de omgevingsvergunning kon worden verleend.
De buren voeren aan dat er juridisch gezien een daktuin/dakterras is vergund, en dat het college bij de vergunningverlening ten onrechte geen rekenschap heeft gegeven van de forse inbreuk op hun privacy die dat met zich meebrengt. Ter onderbouwing hebben de buren gewezen op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:1917). Daarin hadden de betreffende vergunninghouders ook op het niet vergunde deel van hun dak vlonders neergelegd en plantenbakken geplaatst. Volgens de rechtbank betekende het feit dat dit deel van het dak niet als dakterras vergund was en vergunninghouders een groene scheidingslijn hadden aangebracht, nog niet dat zij dat deel niet als dakterras zouden gebruiken. De buren hebben gewezen op de inrichting van het dak van de uitbouw. Volgens hen is hier sprake van een soortgelijke situatie.
De (voorzieningen)rechter volgt de buren niet. De omgevingsvergunning ziet op het (ver)bouwen van een bouwwerk, namelijk het verhogen van de uitbouw en het plaatsen van plantenbakken. Een daktuin/dakterras impliceert ‘gebruik’ en daar ziet de omgevingsvergunning niet op. Integendeel, nu daarin zelfs expliciet is opgenomen dat dit gebruik niet is toegestaan. De voorgeschiedenis (de al geplaatste openslaande deuren, de eerder ingetrokken aanvraag die wél zag op het gebruik als dakterras en de (eigenlijke) wens van vergunninghouders om een dakterras te realiseren) maken niet dat de omgevingsvergunning ineens wél op dit gebruik ziet, ook niet impliciet. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam waar eisers naar hebben verwezen, maakt dit niet anders. Daarin was een deel van het dak wél vergund als dakterras, en daar is hier geen sprake van. De beroepsgrond slaagt niet.
De buren voeren verder aan dat de omgevingsvergunning, gelet op het gebruik als daktuin/dakterras niet verleend had mogen worden, omdat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Zij hebben verwezen naar artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek waarin onder meer is bepaald dat balkons of soortgelijke werken die binnen twee meter van de erfgrens komen te liggen en uitzicht hebben op het naastgelegen erf niet zijn geoorloofd zonder toestemming van de eigenaar van dat naastgelegen erf. De buren hebben in dit geval de naastgelegen erven in eigendom en zullen de benodigde toestemming niet geven.
De (voorzieningen)rechter volgt de buren hierin evenmin. Nu de omgevingsvergunning, zoals hiervoor geoordeeld, niet ziet op het gebruik als daktuin/dakterras, is er geen sprake van een ‘balkon of soortgelijk werk’ zoals bedoeld in dit artikellid. Van een evidente privaatrechtelijke belemmering is dan ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
De buren voeren tot slot aan dat het college niet in redelijk heeft kunnen concluderen dat het bouwplan in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het bouwplan maakt een forse inbreuk op het woon- en leefklimaat van de buren. Verzoeker heeft gewezen op het dag- en zonlicht in zijn achtertuin en gang, dat door de verhoogde uitbouw zal worden beperkt. Verder is er sprake van een forse inbreuk op de privacy van de buren door gebruik van het dak als daktuin/dakterras. Voor eisers geldt dat er vanaf het dak van de uitbouw direct zicht bestaat op hun slaapkamer. Het college heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van deze zwaarwegende belangen.
De (voorzieningen)rechter volgt de buren ook hierin niet. Het college heeft bij het bestreden besluit in redelijkheid kunnen aansluiten bij het advies van de Afdeling Stedenbouw. Aanvullend heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de dag- en zonlichttoetreding in de gang en achtertuin van verzoeker al gering is, omdat hier sprake is van stedelijk gebied. Woningen staan dicht op elkaar en de tuinen zijn klein. Daar komt bij dat de gang van verzoeker geen verblijfsruimte is, zodat aan het belang van verzoeker bij dag- en zonlichttoetreding op die plek ook om die reden minder gewicht toekomt. De (voorzieningen)rechter kan het college hierin volgen. Hoewel de (voorzieningen)rechter tegelijkertijd begrijpt dat het beetje licht in de gang voor verzoeker juist van grote waarde is, acht de (voorzieningen)rechter het niet onredelijk dat dit belang minder gewicht in de schaal heeft gelegd bij de ruimtelijke afweging die het college heeft gemaakt.
Wat betreft de privacy is het college naar het oordeel van de (voorzieningen)rechter ook in redelijkheid aangesloten bij het advies van de Afdeling Stedenbouw. Aangezien de omgevingsvergunning niet ziet op het gebruik als daktuin/dakterras, kan er ook geen sprake zijn van inkijk als gevolg van een daktuin/dakterras. De (voorzieningen)rechter ziet niet dat het kortstondig betreden van het dak voor onderhoud een onevenredige aantasting van de privacy van de buren tot gevolg heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
De (voorzieningen)rechter verklaart de beroepen ongegrond.