Op 8 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2048 is de einduitspraak van de rechtbank Zeeland West-Brabant gepubliceerd over een BOPA-besluit (eerder deed de rechtbank een tussenuitspraak: Rb. Zeeland-West-Brabant van 30 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6534 en:

Het college heeft eiseres onder meer gevraagd om een onderbouwing waaruit blijkt dat rekening wordt gehouden met geur en geluid door activiteiten en dat de geur en het geluid aanvaardbaar zijn (voor geur op basis van artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en voor geluid op basis van artikel 5.59 van het Bkl). Daarbij wijst het college erop dat rekening moet worden gehouden met de realisatie van mantelzorgwoningen, die tot aan de perceelgrens gerealiseerd kunnen worden (Het college wijst op artikel 5.90 van het Bkl en op de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3859, rechtsoverweging 7.7). Eiseres heeft hierop gereageerd door onder meer te stellen dat niet op de grens van het perceel getoetst hoeft te worden vanwege (een wijziging van) de Vangnetregeling Omgevingswet (Staatscourant, nr. 32257), artikel 2.3b en 2.4c, die op 1 oktober 2025 in werking is getreden, en waardoor mantelzorgwoningen niet langer geur- en geluidgevoelig zijn.
Het college heeft geconcludeerd dat het niet alle gegevens heeft ontvangen, die het nodig acht om de beletselen voor vergunningverlening te kunnen wegnemen. Volgens het college is er nog steeds sprake van een onvolledige onderbouwing van de aspecten geur en geluid. Daarom kan het college niet vaststellen of wordt voldaan aan de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 8.0b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bkl) en kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden niet voldoende gemotiveerd worden.
Daartoe overweegt de rechtbank dat het college terecht stelt dat de beoordeling van de aanvaardbaarheid van geluid en geur afkomstig van de nevenactiviteiten dient plaats te vinden op de perceelsgrens met [adres 2] . Op de perceelsgrens kan namelijk vergunningvrij een geluid- en geurgevoelig gebouw in de vorm van een mantelzorgwoning worden gebouwd.
De verwijzing naar de wijziging van de Vangnetregeling Omgevingswet per 1 oktober 2025 kan eiseres niet baten. Ter beoordeling van de rechtbank ligt immers of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 22 april 2025 in stand kunnen blijven en dat wordt ex tunc getoetst. Daarbij kan geen rekening worden gehouden met een wijziging van regelgeving van latere datum. Bovendien zijn de instructieregels van het Bkl met deze wijzing niet aangepast. Nu de gevraagde omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplan-activiteit moest ten tijde van het bestreden besluit getoetst worden aan de regels van hoofdstuk 5 van het Bkl.
Voor geur en geluid (en een aanvaardbaar woon-en leefklimaat voor omwonenden, met name derde-belanghebbenden) is echter niet gebleken dat - eventueel door het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning - wordt voldaan aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsactiviteit daarom op goede gronden geweigerd.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 april 2025 (bestreden besluit) inzake de weigering van de door haar aangevraagde omgevingsvergunning voor het houden van nevenactiviteiten (een boerderijwinkel, workshops en proeverijen) bij haar kalverenmesterij op de locatie [adres 1] .
In de tussenuitspraak van 30 september 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat van het college een actievere houding verwacht had mogen worden om de door de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie) geconstateerde tekortkomingen aan de primaire vergunningverlening zo mogelijk te herstellen. Het college heeft immers tot het ontvangen van het advies van de commissie steeds gesteld dat met het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning onder voorschriften werd voldaan aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovendien gaf het college aan in beginsel nog steeds positief te staan tegenover het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitoefenen van de nevenactiviteiten op deze locatie. Gelet daarop oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
Om dit gebrek te herstellen, moest het college de volgende aspecten nader (laten) onderzoeken en motiveren, zo nodig nadat het eiseres in de gelegenheid had gesteld om haar aanvraag (ondergeschikt) te wijzigen en/of aan te vullen:
Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden, waaronder met name dat van de derde-belanghebbenden. Het college diende hiervoor als uitgangpunt te nemen dat de schuur op grond van het omgevingsplan mag worden gebruikt voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Verder diende het hierbij aandacht te besteden aan de regelmatige aanwezigheid van personen (geluid) en barbecues (geur) op korte afstand van het perceel van derde-belanghebbenden.
Parkeren/verkeer. Het college moest de berekening van de parkeerbehoefte door eiseres toetsen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Daarbij moest het college bezien of het aantal parkeerplaatsen juist was berekend, omdat in de ruimtelijke onderbouwing stond dat de schuur een oppervlakte heeft van 135 m2, terwijl gerekend werd met een oppervlakte van 100 m2. Daarnaast moet het college zo nodig borgen dat de benodigde parkeerplaatsen gerealiseerd worden omdat de stallen op die locatie nog niet helemaal zijn gesloopt, en bezien of er een uitwegvergunning voor de parkeerplaatsen nodig is. Ook moest het college onderzoek (laten) doen naar de verwachte verkeersbewegingen en naar gevolgen voor de verkeersveiligheid.
Geluid. Voor zover het ‘Paraplubestemmingsplan Alphen-Chaam 2023’ niet in werking is getreden door een mogelijke schorsende werking van verzoek om een voorlopige voorziening, moest het college de door eiseres ingediende akoestische memo omtrent ‘maximaal planologische mogelijkheden’ van 12 mei 2025 beoordelen.
Ten slotte heeft de rechtbank het college in de tussenuitspraak in overweging gegeven om te beoordelen of vergunningverlening door het verbinden van voorschriften mogelijk is en voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zonder het woon- en leefklimaat van derde-belanghebbenden onevenredig aan te tasten. Indien dat mogelijk zou blijken, heeft de rechtbank het college in overweging gegeven een herstelbesluit te nemen met heldere voorschriften die ook handhaafbaar zijn.
Herstelpoging van het college
Om het gebrek te herstellen heeft het college op 27 november 2025 een aanvullende motivering gegeven.
In die motivering geeft het college aan dat zij eiseres in de gelegenheid heeft gesteld om de aanvraag (ondergeschikt) te wijzigen en/of aan te vullen. Het college heeft eiseres gevraagd om een volledige en verbeterde ruimtelijke onderbouwing aan te leveren, waarin de in de tussenuitspraak genoemde aspecten nader worden onderbouwd. Eiseres heeft vervolgens een aangepaste ruimtelijke onderbouwing met bijlagen ingediend.
Geur
In de aangepaste ruimtelijke onderbouwing stelt eiseres ten aanzien van het aspect geur voor dat in de omgevingsvergunning als voorschrift wordt opgenomen dat, conform de VNG-richtlijn, voor het opstellen van een barbecue of vergelijkbaar object dat geur veroorzaakt een afstand van 10 meter van de erfafscheiding met het perceel van derde-belanghebbenden gehanteerd wordt.
Geluid
Voor wat betreft het aspect geluid stelt eiseres in de aangepaste ruimtelijke onderbouwing dat het ‘Paraplubestemmingsplan Alphen-Chaam 2023’ (nog) niet in werking is getreden vanwege de schorsende werking van een verzoek om een voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Voor de maximaal planologische mogelijkheden op het perceel [adres 2] gaat eiseres daarom uit van het geldende omgevingsplan waarin het bouwen van gebouwen tot een afstand van twee meter van de erfgrens is toegestaan. Eiseres gaat daarom uit van een eventuele herbouw van de bestaande woning of een geluidgevoelig bijbehorend bouwwerk, zoals een mantelzorgwoning, op een afstand van twee meter tot de gehele perceelsgrens. Eiseres heeft het akoestisch onderzoek geactualiseerd en aangepast. Daaruit blijkt volgens eiseres dat met een overkapping van het boerderijterras van 100 m2 op alle meetpunten op een afstand van twee meter van de perceelsgrens aan de geluidsnormen wordt voldaan.
Eiseres stelt voor om als voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden dat, zodra aan de eigenaren van [adres 2] een onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend voor de (her)bouw van de woning tot twee meter van de perceelgrens, er een overkapping van het boerderijterras gerealiseerd moet worden.
Parkeren/verkeer
In de aangepaste ruimtelijke onderbouwing staat dat de bestaande schuur een oppervlakte heeft van 115 m2. Eiseres heeft berekend dat er op grond van het parkeerbeleid in totaal 39 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Er zullen 42 parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het eigen terrein. Eiseres stelt voor om als voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden dat de stallen op de locatie waar de parkeerplaatsen zijn voorzien, gesloopt moeten zijn voordat de nevenactiviteiten uitgevoerd mogen worden.
De parkeerplaatsen zijn zo voorzien dat deze via een bestaande inrit kunnen worden bereikt.
Ten slotte heeft eiseres de ruimtelijke onderbouwing aangevuld ten aanzien van de verwachte verkeersbewegingen en de gevolgen voor de verkeersveiligheid.
Het college heeft deze gegevens bestudeerd, maar was van mening dat de aspecten geur en geluid nog niet op adequate wijze waren onderzocht. Daarom heeft het college eiseres nogmaals in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens in te dienen. Het college heeft eiseres onder meer gevraagd om een onderbouwing waaruit blijkt dat rekening wordt gehouden met geur en geluid door activiteiten en dat de geur en het geluid aanvaardbaar zijn (voor geur op basis van artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en voor geluid op basis van artikel 5.59 van het Bkl).
Daarbij wijst het college erop dat rekening moet worden gehouden met de realisatie van mantelzorgwoningen, die tot aan de perceelgrens gerealiseerd kunnen worden (Het college wijst op artikel 5.90 van het Bkl en op de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3859, rechtsoverweging 7.7). Ook geeft het college aan dat zij een voorschrift over een toekomstige overkapping van het boerenterras niet toereikend vindt voor vergunningverlening.
Eiseres heeft hierop gereageerd door onder meer te stellen dat niet op de grens van het perceel getoetst hoeft te worden vanwege (een wijziging van) de Vangnetregeling Omgevingswet (Staatscourant, nr. 32257), artikel 2.3b en 2.4c, die op 1 oktober 2025 in werking is getreden, en waardoor mantelzorgwoningen niet langer geur- en geluidgevoelig zijn.
Het college heeft geconcludeerd dat het niet alle gegevens heeft ontvangen, die het nodig acht om de beletselen voor vergunningverlening te kunnen wegnemen. Volgens het college is er nog steeds sprake van een onvolledige onderbouwing van de aspecten geur en geluid. Daarom kan het college niet vaststellen of wordt voldaan aan de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 8.0b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bkl) en kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden niet voldoende gemotiveerd worden. Daarnaast ziet het college nog een aantal andere gebreken in het meest recente akoestisch rapport van 17 november 2025.
Ten aanzien van het aspect verkeer en parkeren concludeert het college dat dit voldoende is onderzocht en gemotiveerd, en dat dit aspect dus geen belemmering meer vormt voor vergunningverlening.
Het college kan echter niet vaststellen dat voldaan wordt aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op juiste wijze uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak. Het college heeft eiseres in de gelegenheid heeft gesteld om de aanvraag (ondergeschikt) te wijzigen en/of aan te vullen op de aspecten die naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek behoefden.
Daarop heeft eiseres duidelijk in de aangepaste ruimtelijke onderbouwing aangegeven op welke wijze de door de commissie geconstateerde gebreken bij de primaire vergunningverlening en de beletselen voor het verlenen van omgevingsvergunning naar haar mening konden worden weggenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college deze aanvullende motivering echter op goede gronden niet toereikend geacht.
Daartoe overweegt de rechtbank dat het college terecht stelt dat de beoordeling van de aanvaardbaarheid van geluid en geur afkomstig van de nevenactiviteiten dient plaats te vinden op de perceelsgrens met [adres 2] . Op de perceelsgrens kan namelijk vergunningvrij een geluid- en geurgevoelig gebouw in de vorm van een mantelzorgwoning worden gebouwd.
De verwijzing naar de wijziging van de Vangnetregeling Omgevingswet per 1 oktober 2025 kan eiseres niet baten. Ter beoordeling van de rechtbank ligt immers of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 22 april 2025 in stand kunnen blijven en dat wordt ex tunc getoetst. Daarbij kan geen rekening worden gehouden met een wijziging van regelgeving van latere datum. Bovendien zijn de instructieregels van het Bkl met deze wijzing niet aangepast. Nu de gevraagde omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplan-activiteit moest ten tijde van het bestreden besluit getoetst worden aan de regels van hoofdstuk 5 van het Bkl.
Het aspect parkeren en verkeer acht de rechtbank, in navolging van het college, inmiddels wel voldoende onderzocht.
Voor geur en geluid (en een aanvaardbaar woon-en leefklimaat voor omwonenden, met name derde-belanghebbenden) is echter niet gebleken dat - eventueel door het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning - wordt voldaan aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsactiviteit daarom op goede gronden geweigerd.
Dit betekent dat het college is geslaagd in het herstellen van het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek.
Conclusies en gevolgen
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt om die reden het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat eiseres geen omgevingsvergunning krijgt voor de door haar aangevraagde nevenactiviteiten (een boerderijwinkel, workshops en proeverijen) bij haar kalverenmesterij op de locatie [adres 1]