Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

116e uitspraak (weigering) bopa o.a. etfal onvoldoende gemotiveerd, welstand niet relevant bij etfal, bijna zelfde gevolgen vergunningvrij

De rechtbank Noord-Holland heeft op 10 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:4163, de inmiddels 116e uitspraak gedaan over de BOPA. Deze uitspraak gaat over de weigering van de omgevingsvergunning die door eiser is aangevraagd voor de bouw van een garage in zijn achtertuin. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning wordt geweigerd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens de rechtbank heeft het bouwplan van eiser geen effect op de daadwerkelijke parkeernorm.

20 April 2026

Samenvattingen

Verder kan de rechtbank de motivering van het college over de negatieve invloed van de garage op het straatbeeld, de architectuur van de wijk en het groen niet volgen. De functie van de betreffende locatie, namelijk een parkeerplaats op het achtererf van eiser, wordt met het bouwplan niet gewijzigd. De garage zou verder weliswaar grenzen aan openbaar toegankelijk gebied, maar dit is een relatief nauwe straat tussen de achtertuinen van twee rijen huizen. Vanaf de voorkant of de grotere wegen is de garage niet te zien. Voor zover het gaat om de architectuur van de wijk, merkt de rechtbank op dat esthetiek van het bouwplan een kwestie van welstand is. De rechtbank begrijpt daarnaast niet dat verlies op zicht op groen in de achtertuin een relevant element is bij de beoordeling van de vraag of de garage past binnen ETFAL. Ook als de omgevingsvergunning wordt geweigerd, dan kan de achtertuin geen (vanaf de openbare weg zichtbaar) groen bevatten, omdat het aan de bewoners zelf is om te bepalen of zij al dan niet groen in hun achtertuin aanbrengen. Precedentwerking is verder weliswaar iets dat een rol kan spelen in de afweging, maar dat moet in samenhang worden genomen met andere omstandigheden. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat het college de omgevingsvergunning vooral moet beoordelen op de punten waarop deze in strijd is met het Omgevingsplan. Hetzelfde bouwplan lijkt volgens artikel 22.27 van het Omgevingsplan vergunningsvrij te zijn als het niet binnen één meter vanaf openbaar toegankelijk gebied was gelegen. Dat roept de vraag hoe de door het college genoemde omstandigheden moeten worden gewogen, als vergunningsvrije bouwplannen hetzelfde gevolg zouden kunnen hebben.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning wordt geweigerd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Eiser heeft op 21 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een garage aan de achterkant van zijn perceel op [adres] in [plaats] .

Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 31 oktober 2024 afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Het college geeft in het bestreden besluit aan dat een binnenplanse omgevingsvergunning voor de bouw van de garage niet mogelijk is. Het bouwen van de garage is namelijk niet vergunningsvrij op grond van de rijksregels of het Omgevingsplan gemeente Hoorn (het Omgevingsplan), omdat de garage op minder dan 1 meter vanaf het openbaar toegankelijk gebied wordt gerealiseerd. Het college ziet daarnaast geen aanleiding om een omgevingsvergunning te verlenen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op de zitting is door het college verduidelijkt dat er weliswaar nog geldende Beleidsregels voor buitenplans afwijken op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2° Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (kruimelgevallenbeleid) zijn, maar dat de omgevingsvergunning is geweigerd met oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de zin van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In dat verband wijst het college er in de eerste plaats op dat door de garage de parkeerdruk in de wijk toeneemt. Daarbij betrekt het college de Parkeernormennota van de gemeente Hoorn (de Parkeernormennota). Uit die Parkeernormennota volgt dat het perceel van eiser nu een berekeningsaantal van 0,8 parkeerplaatsen kent en dat dit afneemt naar 0,4 door de bouw van de garage. De garage is weliswaar van een vergelijkbaar formaat (5m bij 5m) als de in de Parkeernormennota genoemde dubbele oprit zonder garage met een berekeningsaantal van 1,7 maar in de praktijk passen er in de garage geen twee auto’s. Daarnaast heeft de garage een negatief effect op het straatbeeld en de architectuur van de wijk. De garage grenst aan een openbare weg. Ook heeft het invloed op het groen, omdat met de garage het groen in de tuinen niet meer zichtbaar is. Tot slot vreest het college voor negatieve precedentwerking wanneer toch medewerking wordt verleend aan deze omgevingsvergunning met als gevolg een verdere verdichting van de straat.

Eiser stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom een evenwichtige toedeling van functies aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat. Volgens eiser heeft de bouw van een garage in zijn achtertuin geen negatieve impact op de parkeerdruk in de omgeving. Hij heeft nu één parkeerplek en zal met de garage ook (tenminste) één parkeerplek hebben. Ook kijkend naar de Parkeernormennota is er geen sprake van een afname van parkeerruimte. De garage is qua afmetingen gelijk aan een dubbele oprit zonder garage waarvoor een berekeningsaantal van 1,7 parkeerplaatsen geldt. Als daarop een garage staat, dan zou dat een berekeningsaantal van op z’n minst 0,8 parkeerplaatsen moeten opleveren, waarmee de parkeervoorziening op zijn perceel niet zou afnemen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie waarin ook een berekeningsaantal van 0,8 geldt. Verder ziet eiser niet in hoe de garage een aantasting van het straatbeeld en de architectuur van de wijk oplevert. De garage komt in de plaats van een oprit aan de achterzijde van zijn perceel en grenst aan een smalle straat tussen andere achtertuinen die alleen wordt gebruikt door bewoners. Bovendien gaat het argument van precedentwerking niet op, omdat de straat nu al volstaat met vergelijkbare garages waarop niet gehandhaafd wordt.

De rechtbank stelt voorop dat de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelingen van toepassing zijn, omdat eisers aanvraag dateert van 21 juli 2024. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit betreft. De benodigde omgevingsvergunning kan in dat geval op grond van het tweede lid van artikel 8.0a van het Bkl alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft hierbij beleidsruimte. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat. De rechtbank licht dit als volgt toe.

In de eerste plaats ziet de rechtbank niet in waarom de parkeerdruk in de wijk zou toenemen door de garage. Niet in geschil is namelijk dat eiser nu één auto kan parkeren op de oprit in zijn achtertuin en hij met de garage nog altijd één auto in zijn achtertuin kan parkeren. Feitelijk neemt de parkeerbehoefte op straat dus niet toe door de bouw van de garage. Voor zover er dan nog zou moeten worden gekeken naar de Parkeernormennota, merkt de rechtbank op dat het college niet heeft tegengeworpen dat het bouwplan in strijd is met Paraplubestemmingsplan parkeren & laden en lossen, maar de Parkeernormennota alleen heeft betrokken bij de beoordeling van de parkeerdruk als belang dat in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden afgewogen tegen de overige belangen. Kijkend naar die Parkeernormennota, dan leidt dat echter evenmin tot de conclusie dat de (theoretische) parkeerdruk met de komst van de garage toeneemt. Een oprit zonder garage (van minimaal 5m bij 2,5m) kent een berekeningsaantal van 0,8, wat één theoretische parkeerplaats oplevert. Een garage zonder oprit (van minimaal 5m bij 2,5m) kent een berekeningsaantal van 0,4, wat eveneens één theoretische parkeerplaats oplevert. Hoewel het berekeningsaantal lager ligt, levert het volgens de nota dus wel één theoretische parkeerplaats op. Daar komt bij dat eiser een grotere garage wenst van 5m bij 5m. Die optie staat weliswaar niet in de Parkeernormennota, maar een dubbele oprit zonder garage (met hetzelfde formaat van 5m bij 5m) wel en dat kent een berekeningsaantal van 1,7, wat twee theoretische parkeerplaatsen oplevert. Daarbij moet dan wel rekening worden gehouden met het feit dat een garage tot een lager berekeningsaantal en aantal theoretische parkeerplaatsen leidt dan een oprit, maar dan gaat het nog altijd om een berekeningsaantal van 0,8, zoals het college zelf ook noemt. Dat levert theoretisch één parkeerplek op en is gelijk aan de huidige situatie. Dat de garage van eiser is omgeven door muren en er daardoor feitelijk niet twee auto’s in passen, is verder niet relevant. Dat is immers al verdisconteerd in het berekeningsaantal voor garages.

In de tweede plaats kan de rechtbank de motivering van het college over de negatieve invloed van de garage op het straatbeeld, de architectuur van de wijk en het groen niet volgen. De functie van de betreffende locatie, namelijk een parkeerplaats op het achtererf van eiser, wordt met het bouwplan niet gewijzigd. De garage zou verder weliswaar grenzen aan openbaar toegankelijk gebied, maar dit is een relatief nauwe straat tussen de achtertuinen van twee rijen huizen. Vanaf de voorkant of de grotere wegen is de garage niet te zien. Voor zover het gaat om de architectuur van de wijk, merkt de rechtbank op dat esthetiek van het bouwplan een kwestie van welstand is. De rechtbank begrijpt daarnaast niet dat verlies op zicht op groen in de achtertuin een relevant element is bij de beoordeling van de vraag of de garage past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook als de omgevingsvergunning wordt geweigerd, dan kan de achtertuin geen (vanaf de openbare weg zichtbaar) groen bevatten, omdat het aan de bewoners zelf is om te bepalen of zij al dan niet groen in hun achtertuin aanbrengen. Precedentwerking is verder weliswaar iets dat een rol kan spelen in de afweging, maar dat moet in samenhang worden genomen met andere omstandigheden. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat het college de omgevingsvergunning vooral moet beoordelen op de punten waarop deze in strijd is met het Omgevingsplan. Hetzelfde bouwplan lijkt volgens artikel 22.27 van het Omgevingsplan vergunningsvrij te zijn als het niet binnen één meter vanaf openbaar toegankelijk gebied was gelegen. Dat roept de vraag hoe de door het college genoemde omstandigheden moeten worden gewogen, als vergunningsvrije bouwplannen hetzelfde gevolg zouden kunnen hebben.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het college moet opnieuw beslissen op het bezwaar binnen de wettelijke termijn. Dat betekent dat het college, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw moet beoordelen en motiveren of hij de gevraagde omgevingsvergunning al dan niet wil verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel delen