De rechtbank Oost-Brabant heeft op 23 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2384, de inmiddels 119e uitspraak gedaan over de BOPA. Partijen zijn het erover eens dat de aanvraag ziet op een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a, subonderdeel 3, van het omgevingsplan is bij een bebouwingsgebied van deze omvang namelijk maximaal 150m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Op grond van art. 8.0a, lid 2 Bkl kan de aangevraagde vergunning daarom slechts worden verleend met het oog op ETFAL.

Het college stelt zich op het standpunt dat het voor het buitengebied een ontsteningsbeleid hanteert ter behoud van het landelijke karakter daarvan en ter voorkoming van hittestress en waterproblematiek. Het college voert niet het beleid dat geen grotere oppervlakten dan 150m2 aan bijgebouwen wordt vergund. Het beleid houdt in dat alleen verdergaande verstening van zeer ondergeschikte aard buitenplans wordt vergund. Hiervan is bij de carport van eiser geen sprake.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de gegeven motivering voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het ontsteningsbeleid zich verzet tegen de aangevraagde carport. Daarbij heeft het college voldoende rekening gehouden met de locatiespecifieke kenmerken van de aanvraag. Het college mocht zich, gegeven deze motivering, in redelijkheid op het standpunt stellen dat de carport met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet kan worden vergund. Dat het college in het bestreden besluit niet expliciet is ingegaan op het belang van eiser bij verlening van de aangevraagde vergunning, vormt ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit de weging van de zwaarte van het algemeen belang dat is gemoeid met de uitvoering van het ontsteningsbeleid, volgt voldoende kenbaar dat het belang van eiser bij de realisatie van een carport volgens het college minder zwaar weegt.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen ter legalisering van een al bestaande carport met een oppervlakte van 102m2. Door de bouw van de carport bedraagt het totaaloppervlakte aan bijgebouwen op het perceel van eiser 232m2. De carport staat op een perceel van in totaal 5.378m2 groot, met – na aftrek van het gedeelte van het perceel met een agrarische bestemming – een bebouwingsgebied van ongeveer 2.500m2. Het perceel ligt net buiten de bebouwde kom van [woonplaats].
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het bouwen van een carport in [woonplaats] . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Inleiding
Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen ter legalisering van een al bestaande carport met een oppervlakte van 102m2. Door de bouw van de carport bedraagt het totaaloppervlakte aan bijgebouwen op het perceel van eiser 232m2. De carport staat op een perceel van in totaal 5.378m2 groot, met – na aftrek van het gedeelte van het perceel met een agrarische bestemming – een bebouwingsgebied van ongeveer 2.500m2. Het perceel ligt net buiten de bebouwde kom van [woonplaats].
Mocht het college de aanvraag met een beroep op het ontsteningsbeleid afwijzen?
Partijen zijn het erover eens dat de aanvraag ziet op een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a, subonderdeel 3, van het omgevingsplan is bij een bebouwingsgebied van deze omvang namelijk maximaal 150m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan de aangevraagde vergunning daarom slechts worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank bepaalt niet zelf of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, maar beperkt zich tot een beoordeling van de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit kon komen.
Eiser voert aan dat het college ondeugdelijk heeft beoordeeld of de aanvraag toelaatbaar is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies. Volgens eiser voert het college ten onrechte het beleid dat er geen grotere oppervlakten dan 150m2 aan bijgebouwen wordt vergund. Het college gaat er volgens eiser ten onrechte van uit dat een toegenomen bebouwingsoppervlakte ten koste gaat van de landschappelijke omgevingswaarden. De carport is, mede vanwege de open wanden, minder zichtbaar en omvangrijk dan het college veronderstelt, zeker in het licht van de totale omvang van het perceel van eiser. Daarnaast geldt dat de directe omgeving van het perceel al behoorlijk is versteend, zodat de relatieve invloed van de carport beperkt is. Het college heeft nagelaten een locatiespecifieke beoordeling uit te voeren, zoals het naar aanleiding van het advies van de bezwaaradviescommissie heeft aangegeven te zullen doen.
Het college stelt zich op het standpunt dat het voor het buitengebied een ontsteningsbeleid hanteert ter behoud van het landelijke karakter daarvan en ter voorkoming van hittestress en waterproblematiek. Het college voert niet het beleid dat geen grotere oppervlakten dan 150m2 aan bijgebouwen wordt vergund. Het beleid houdt in dat alleen verdergaande verstening van zeer ondergeschikte aard buitenplans wordt vergund. Hiervan is bij de carport van eiser geen sprake. Weliswaar is het perceel van eiser groot, maar het is in absolute termen ook al voor een aanzienlijk deel verhard. Een overschrijding van de maximale oppervlakte van 150m2 tot 232m2 acht het college niet aanvaardbaar. Volgens het college moet niet alleen worden gekeken naar de carport op zichzelf, maar naar de algehele ruimtelijke uitstraling van het bebouwingsgebied op het perceel van eiser. Het hoofdgebouw op het perceel heeft een oppervlakte van 484m2 en heeft alleen al op de begane grond een inhoud van 1.452m3, wat in negatieve zin van invloed is op de ruimtelijke beleving van het perceel. Dat de naastgelegen percelen een groot verwezenlijkt bebouwingsoppervlakte hebben, geeft voor het college geen aanleiding om tot een andere weging te komen omdat deze percelen andere bestemmingen hebben (bedrijfs- en agrarisch). Het feit dat er sprake is van bestaande bebouwing, betekent op zichzelf niet dat verdere verstening in de rede ligt. Bestaande verstening kan op zichzelf juist ook een reden zijn om verdere verstening te voorkomen.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de gegeven motivering voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het ontsteningsbeleid zich verzet tegen de aangevraagde carport. Daarbij heeft het college voldoende rekening gehouden met de locatiespecifieke kenmerken van de aanvraag. Het college mocht zich, gegeven deze motivering, in redelijkheid op het standpunt stellen dat de carport met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet kan worden vergund. Dat het college in het bestreden besluit niet expliciet is ingegaan op het belang van eiser bij verlening van de aangevraagde vergunning, vormt ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit de weging van de zwaarte van het algemeen belang dat is gemoeid met de uitvoering van het ontsteningsbeleid, volgt voldoende kenbaar dat het belang van eiser bij de realisatie van een carport volgens het college minder zwaar weegt. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Het beroep is ongegrond.