De uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2128, betreft de inmiddels 120e uitspraak over de BOPA. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van een dakrandafscheiding (een balustrade) ten behoeve van een dakterras.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het niet mogelijk om hiervoor een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen. Dit betekent dat de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (dit volgt uit de artikelen 1.1, eerste lid, en 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow en artikel 22.26 van de planregels van het omgevingsplan).
De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat het realiseren van het dakterras (ter beveiliging waarvan de dakrandafscheiding dient) tot gevolg zal hebben dat de privacy van [eiser 1] e.a. zo sterk wordt aangetast, dat het college daaraan een groter gewicht had moeten toekennen dan het heeft gedaan. Daarbij is mede van belang dat de verleende vergunning alleen is verleend voor het afwijken van het omgevingsplan ten aanzien van de afstand tussen de dakrandafscheiding en de westelijke perceelsgrens. [eiser 1] e.a. wonen juist ten oosten van het perceel en de afstand tussen hun percelen en het dakterras is minimaal 2,5 meter. Voor het bestaande bijbehorende bouwwerk, waarop het dakterras zal worden gerealiseerd, is eerder al een vergunning verleend en die staat vast. Het college heeft er terecht rekening mee gehouden dat het realiseren van een dakterras op zichzelf niet in strijd is met het omgevingsplan en dat binnen de mogelijkheden van dat plan een dakterras kan worden gerealiseerd tot aan de perceelsgrens met het perceel van [eiser 1], wat zou hebben geleid tot grotere negatieve gevolgen voor [eiser 1] e.a. De rechtbank ziet in wat [eiser 1] e.a. hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het ontbreken van een verbod op het realiseren van dakterrassen in het omgevingsplan in dit geval evident leidt tot onevenredige gevolgen. Daarbij is mede van belang dat de percelen liggen in een stedelijke omgeving met smalle percelen en dicht op elkaar staande woningen. Enige inkijk in de woning en de tuin is inherent aan het wonen in zo’n omgeving. Verder is van belang dat de afstand tussen het dakterras en de dakrandafscheiding en de percelen van [eiser 1] e.a. groter is dan de in het bestemmingsplan genoemde afstand van 1 meter en dat die afstand ook groter is dan de afstand van 2 meter die op grond van het burenrecht in het Burgerlijk Wetboek is vereist. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eiser 1] e.a. niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het dakterras zal leiden tot onaanvaardbare geluidshinder. Ook daarbij is van belang dat een dakterras op kortere afstand van hun percelen past binnen de mogelijkheden van het omgevingsplan.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van een dakrandafscheiding (een balustrade) ten behoeve van een dakterras.
Met een besluit van 13 september 2024 heeft het college aan [derde belanghebbende] een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit verleend voor het realiseren van een dakrandafscheiding. Met een besluit van 29 januari 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser 1] e.a. tegen het besluit van 13 september 2024 gegrond verklaard. Met het bestreden besluit heeft het college aan [derde belanghebbende] een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend voor het realiseren van de dakrandafscheiding.
Totstandkoming van het bestreden besluit
[derde belanghebbende] was eigenaar van de woning en het perceel aan de [adres 1] (hierna: het perceel). Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 200 m². In het verleden is aan de achterzijde van de woning een stuk aangebouwd. Daarvoor is destijds een vergunning verleend. De aan- of uitbouw heeft een plat dak. [derde belanghebbende] wilde op het platte dak een dakterras realiseren. Daarom heeft hij op 31 juli 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een dakrandafscheiding met een hoogte van ongeveer 1 meter op het westelijke deel van dat platte dak. De hoogte van de aan- of uitbouw tezamen met de afscheiding zal 4 meter zijn.
[eiser 1] woont aan de [adres 2], direct ten oosten van het perceel. De heer en mevrouw [eiser 3] wonen aan de [adres 3], ten oosten van het perceel van [eiser 1]. De afstand tussen het beoogde dakterras en de percelen van [eiser 1] en de heer en mevrouw [eiser 3] is ongeveer 2,5 meter respectievelijk ongeveer 7,3 meter.
Met het besluit van 13 september 2024 heeft het college een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit verleend voor het realiseren van de aangevraagde dakrandafscheiding.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [eiser 1] e.a. tegen het besluit van 13 september 2024 gegrond verklaard omdat het bouwplan niet voldoet aan de regels die in het bestemmingsplan zijn gesteld, nu de dakrandafscheiding en het dakterras worden gerealiseerd op minder dan één meter van de erfgrens. Daarom kon geen vergunning worden verleend voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Het college heeft daarom bij het bestreden besluit een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
In december 2025 heeft [derde belanghebbende] het perceel en de woning verkocht aan een derde. [derde belanghebbende] is in december 2025 verhuisd en de derde woont inmiddels in de woning. De omgevingsvergunningen staan nog op naam van [derde belanghebbende]. Het dakterras en de dakrandafscheiding zijn nog niet gerealiseerd.
Toetsingskader
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (hierna: de Ow) in werking getreden. Omdat de aanvraag is ingediend na die datum, is de Ow daarop van toepassing.
Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Hengelo (hierna: het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden (zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet).
Op het perceel waren – voor zover in deze zaak van belang – vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Hengelo Zuid - Berflo Es e.o.” (hierna: het bestemmingsplan) en het bestemmingsplan “Parapluplan afwijkingsregels” (hierna: het Parapluplan) van toepassing. Deze plannen maken dus deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Op grond van het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming “Wonen”. Op grond van artikel 14.2.1 van de planregels zijn op grond met de bestemming “Wonen” uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan die ten dienste staan van deze bestemming. Op grond van artikel 14.2.3, aanhef en onder g, van de planregels mogen binnen deze bestemming aan-/uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd met inachtneming van de regel dat de afstand van aan-/uitbouwen en bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter dient te bedragen, tenzij op de perceelsgrens wordt gebouwd of bij bouwgrens anders is bepaald.
De overige wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Had het college advies moeten vragen aan de gemeenteraad?
De rechtbank moet beoordelen of het college bevoegd was om een omgevingsvergunning te verlenen voor het aangevraagde project. Dat geldt ook als daarover geen beroepsgronden zijn ingediend. Daarbij is onder meer van belang of de raad van de gemeente Hengelo (hierna: de raad) in dit geval een bindend adviesrecht heeft. Als dat het geval is, is het college alleen bevoegd om de vergunning te verlenen na een positief advies van de raad. Zo’n advies is in dit geval niet gegeven. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen sprake is van een bindend adviesrecht. Het realiseren van een dakrandafscheiding voor een dakterras staat niet op de door de raad vastgestelde lijst van gevallen waarin advies moet worden gevraagd (dit volgt uit de artikelen 16.15a, aanhef en onder b, onderdeel 1, en artikel 16.15b van de Ow, artikel 4.21, eerste lid, van het Omgevingsbesluit en de “Regeling inzake het adviesrecht voor de gemeenteraad ten behoeve van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten” van 5 oktober 2022, gepubliceerd op de website van de gemeente Hengelo).
Is sprake van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid?
[eiser 1] e.a. stellen zich op het standpunt dat het omgevingsplan de mogelijkheid geeft om het bouwplan toe te staan door middel van een binnenplanse afwijking, mits is voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden. Volgens [eiser 1] e.a. valt het bouwplan onder de gevallen die zijn genoemd in de artikelen 4.1 en 4.2, aanhef en onder 4.2.2, onderdeel 1, van de planregels van het Parapluplan. Volgens hen is sprake van een “bestaande afstand” in de zin van die bepalingen, aangezien het dakterras wordt gerealiseerd op een bestaand gebouw. Daarom heeft het college volgens [eiser 1] e.a. ten onrechte een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet de mogelijkheid had om mee te werken aan het project door gebruik te maken van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Het project waarvoor de vergunning is verleend heeft betrekking op een nog te realiseren dakrandafscheiding. Dit is een nieuw bouwwerk. Er is dus geen sprake van een bestaand bouwwerk. Voor de terinzagelegging van het Parapluplan was ook nog geen omgevingsvergunning aangevraagd voor dit bouwwerk. Bovendien is de dakrandafscheiding geprojecteerd boven de binnenmuur van de bestaande aan- of uitbouw, waardoor de afstand tussen deze afscheiding en de erfgrens niet hetzelfde is als de afstand tussen de bestaande aan- of uitbouw en die erfgrens. Daarom is geen sprake van een “bestaande afstand” in de zin van het door [eiser 1] e.a. genoemde artikel 4.2, aanhef en onder 4.2.2, onderdeel 1, van de planregels. Daarnaast geldt dat de dakrandafscheiding ook niet op de perceelsgrens wordt gebouwd en de afstand tussen dit bouwwerk en de zijdelingse perceelsgrens minder zal zijn dan 1 meter. Daarom is de in deze bepaling gegeven binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in dit geval niet van toepassing. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank merkt overigens op dat – anders dan [eiser 1] e.a. menen – ook bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet worden beoordeeld of sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de omgeving. De rechtbank zal hier later in deze uitspraak op ingaan.
Is (nog) sprake van een bijbehorend bouwwerk?
[eiser 1] e.a. stellen zich op het standpunt dat door het realiseren van een dakterras geen sprake (meer) is van een bijbehorend bouwwerk. Nu het omgevingsplan niet voorziet in de mogelijkheid om een buitenruimte op een gebouw te realiseren, is het bouwplan volgens [eiser 1] e.a. ook op dit punt in strijd met het omgevingsplan. [eiser 1] e.a. zijn van mening dat het dakterras niet kan worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk, omdat het niet is voorzien van een dak. Dit wordt volgens hen niet anders als het wordt gerealiseerd op een gebouw. Volgens [eiser 1] e.a. blijkt uit de omstandigheid dat het dakterras als categorie is toegevoegd aan artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) dat de wetgever het realiseren van een dakterras niet ziet als het uitbreiden van een bijbehorend bouwwerk, maar als het bouwen op een gebouw.
Verder voeren zij aan dat de aanwezige oppervlakte aan aan-, uit- en bijgebouwen op het perceel veel groter is dan 50 m². [eiser 1] e.a. vragen zich af of het college er terecht van is uitgegaan dat sprake is van het uitbreiden van een aan- of uitbouw. Volgens [eiser 1] e.a. is mogelijk sprake van een uitbreiding van het hoofdgebouw. Als dat zo is, had ook getoetst moeten worden aan de maximale bouwdiepte van 11 meter.
De rechtbank is van oordeel dat het dakterras moet worden aangemerkt als een uitbreiding van het bestaande bijbehorende bouwwerk. Zij zal dit hierna uitleggen. Daarbij zal zij ook ingaan op wat [eiser 1] e.a. verder hebben aangevoerd in het kader van deze beroepsgrond.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat een dakterras geen afzonderlijk bouwwerk, geen gebouw zijnde, is, maar dient te worden aangemerkt als onderdeel van het bestaande gebouw (ABRvS 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1801). Deze rechtspraak is tot stand gekomen onder het oude recht dat was neergelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en het Bor. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om hier in het kader van de Omgevingswet anders over te oordelen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het dakterras moet worden aangemerkt als onderdeel van het bijbehorende bouwwerk waarop het wordt gerealiseerd. Dat het dakterras geen dak heeft, is daarbij niet van belang. Ook de omstandigheid dat in het Bor een regeling was opgenomen voor het vergunningsvrij realiseren van een dakterras is in dit geval niet relevant.
De rechtbank constateert dat in het omgevingsplan (en het daarvan deel uitmakende bestemmingsplan) geen verbod is opgenomen op het realiseren van dakterrassen op bestaande bouwwerken. Dat betekent dat voor het gebruik van het platte dak als dakterras op zichzelf geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is. Voor zover bij het realiseren van een dakterras bouwactiviteiten worden verricht, is wel sprake van een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit (dit volgt uit de artikelen 1.1, eerste lid, en 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow en artikel 22.26 van de planregels van het omgevingsplan). Daarnaast is voor het realiseren van een dakterras een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit nodig. Die vergunning is in dit geval verleend bij afzonderlijk besluit van 1 november 2024. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat dit vaststaat. Deze beroepsprocedure gaat ook niet over dat besluit.
Het college moest de aanvraag voor het dakterras en de dakrandafscheiding toetsen aan de in artikel 14.2.3 en 14.2.6 van de planregels neergelegde voorwaarden voor het bouwen van aan- en uitbouwen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde. Tussen partijen is niet in geschil dat de dakrandafscheiding voldoet aan al deze voorwaarden (onder meer voor wat betreft het bouwen binnen het bouwvlak, de afstand achter de voorgevel, de bouwhoogte en de goothoogte), behalve voor wat betreft de afstand tot de westelijke perceelsgrens. Naar aanleiding van die afwijking van het bestemmingsplan heeft het college een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend.
Door het realiseren van het dakterras wordt de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet vergroot. Voor de aan- of uitbouw waarop het dakterras zal worden gerealiseerd, is eerder al vergunning verleend. Daarom is in het kader van deze procedure niet relevant of die totale oppervlakte al dan niet groter is dan 50 m².
Het dakterras en de dakrandafscheiding worden gerealiseerd op een aan- of uitbouw van het hoofdgebouw. Voor die aan- of uitbouw is eerder al vergunning verleend. Door het realiseren van het dakterras en de dakrandafscheiding wordt de bouwdiepte van het gebouw niet vergroot.
Gelet op dit alles, slaagt deze beroepsgrond niet.
Heeft het college voldoende rekening gehouden met de belangen van [eiser 1] e.a.?
[eiser 1] e.a. stellen zich op het standpunt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Zij zijn van mening dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de situatie ter plaatse. Volgens hen leidt het bouwplan tot aantasting van privacy, omdat vanaf het dakterras van bovenaf en van heel dichtbij vrij zicht zal bestaan op hun tuinen en ook in de keuken, het toilet, de woonkamer en de slaapkamers van [eiser 1]. Ook vrezen zij door de geringe afstand tussen het dakterras en hun percelen voor (geluids)overlast. Daardoor heeft het bestreden besluit volgens [eiser 1] e.a. voor hen nadelige gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot het met dit besluit te dienen doel. Zij voeren aan dat op de hoorzitting is gezegd dat het dakterras is bedoeld om de was op te hangen. Zij stellen dat daarvoor voldoende alternatieven bestaan in de geheel verharde achtertuin en onder de overkapping. [eiser 1] e.a. zijn van mening dat ook een belangenafweging moet worden gemaakt voor zover het bestemmingsplan het dakterras toestaat en daardoor sprake is van een (deels) gebonden beschikking.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het dakterras niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [eiser 1] e.a. Daarom heeft het college de belangen van de bewoners van het perceel bij het dakterras zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van [eiser 1] e.a. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
De rechtbank constateert dat voor het veilig gebruik van het dakterras een balustrade (dakrandafscheiding) aanwezig moet zijn. Vaststaat dat de dakrandafscheiding in strijd is met het bestemmingsplan (en dus ook met het omgevingsplan), omdat deze wordt gerealiseerd op een afstand van minder dan 1 meter van de erfgrens. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het niet mogelijk om hiervoor een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen. Dit betekent dat de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (dit volgt uit de artikelen 1.1, eerste lid, en 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow en artikel 22.26 van de planregels van het omgevingsplan).
Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan alleen worden verleend als sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (dit volgt uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen (Rb. Rotterdam 16 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4689, r.o. 4.1, en Rb. Overijssel 21 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:232, r.o. 6.5).
De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat het realiseren van het dakterras (ter beveiliging waarvan de dakrandafscheiding dient) tot gevolg zal hebben dat de privacy van [eiser 1] e.a. zo sterk wordt aangetast, dat het college daaraan een groter gewicht had moeten toekennen dan het heeft gedaan. Daarbij is mede van belang dat de verleende vergunning alleen is verleend voor het afwijken van het omgevingsplan ten aanzien van de afstand tussen de dakrandafscheiding en de westelijke perceelsgrens. [eiser 1] e.a. wonen juist ten oosten van het perceel en de afstand tussen hun percelen en het dakterras is minimaal 2,5 meter. Voor het bestaande bijbehorende bouwwerk, waarop het dakterras zal worden gerealiseerd, is eerder al een vergunning verleend en die staat vast. Het college heeft er terecht rekening mee gehouden dat het realiseren van een dakterras op zichzelf niet in strijd is met het omgevingsplan en dat binnen de mogelijkheden van dat plan een dakterras kan worden gerealiseerd tot aan de perceelsgrens met het perceel van [eiser 1], wat zou hebben geleid tot grotere negatieve gevolgen voor [eiser 1] e.a (ABRvS 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1285). De rechtbank ziet in wat [eiser 1] e.a. hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het ontbreken van een verbod op het realiseren van dakterrassen in het omgevingsplan in dit geval evident leidt tot onevenredige gevolgen. Daarbij is mede van belang dat de percelen liggen in een stedelijke omgeving met smalle percelen en dicht op elkaar staande woningen. Enige inkijk in de woning en de tuin is inherent aan het wonen in zo’n omgeving (27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1285). [eiser 1] e.a. hebben terecht aangevoerd dat de omstandigheid dat de buren aan de westelijke zijde hebben ingestemd met het realiseren van het dakterras en de dakrandafscheiding niet zonder meer betekent dat het bouwplan aanvaardbaar is. Hieruit volgt echter wel dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Verder is van belang dat de afstand tussen het dakterras en de dakrandafscheiding en de percelen van [eiser 1] e.a. groter is dan de in het bestemmingsplan genoemde afstand van 1 meter en dat die afstand ook groter is dan de afstand van 2 meter die op grond van het burenrecht in het Burgerlijk Wetboek is vereist. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eiser 1] e.a. niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het dakterras zal leiden tot onaanvaardbare geluidshinder. Ook daarbij is van belang dat een dakterras op kortere afstand van hun percelen past binnen de mogelijkheden van het omgevingsplan.
[eiser 1] e.a. hebben op de zitting aangevoerd dat het college tot enkele jaren geleden geen omgevingsvergunningen verleende voor dakterrassen, onder meer vanwege de daardoor veroorzaakte inbreuk op de privacy van de buren. De rechtbank laat deze aanvulling op de beroepsgrond buiten beschouwing wegens strijd met een goede procesorde. [eiser 1] e.a. hadden deze aanvulling eerder naar voren kunnen brengen en het college heeft hier niet goed op kunnen reageren door het late moment waarop zij dit hebben gedaan.
Uit dit alles volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.
De rechtbank geeft [eiser 1] e.a. in overweging om in gesprek te gaan met de nieuwe bewoner(s) van het perceel en om te proberen afspraken te maken over de vormgeving van de dakrandafscheiding en het gebruik van het dakterras. Deze afspraken zouden bijvoorbeeld kunnen zien op het plaatsen van een zichtscherm, de activiteiten waar het dakterras voor wordt gebruikt en de tijdstippen waarop deze activiteiten plaatsvinden.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor de dakrandafscheiding in stand blijft. [eiser 1] e.a. krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen daarom ook geen vergoeding van hun proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.