Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

122e + 123e uitspraken bopa: twee uitspraken over geweigerde bopa’s op een dag

Op 29 april 2026 hebben zowel de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2026:3614) als de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2026:1424) uitspraken gedaan over weigeringen om een BOPA te verlenen.

29 April 2026

De uitspraak van de rechtbank Limburg betrof de weigering tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een BOPA ten behoeve van een zorgboerderij. De rechtbank is van oordeel dat de zorgboerderij niet past binnen de agrarische bestemmingen van het bestemmingsplan en niet onder het overgangsrecht valt of anderszins is vergund. Vanwege zijn maatschappelijke functie past het ook niet binnen de gemeentelijke structuurvisie en het omgevingsplan. Volgens de rechtbank heeft verweerder gelet op de belangenafweging de omgevingsplanactiviteit mogen weigeren, ook al zijn de precieze ruimtelijke ontwikkelingen nog onduidelijk. Het zwaarder laten wegen van het algemeen belang is niet onevenredig.

De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland betrof een weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel aan de voor- en achterkant van de woning. De rechtbank oordeelt dat het bouwplan getoetst moet worden aan zowel de bouwregels van hoofdgebouwen als die van bijbehorende bouwwerken uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Het bouwplan is daarmee in strijd. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet in overeenstemming is met ETFAL, omdat het bouwplan stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

UITSPRAAK RECHTBANK LIMBURG (ECLI:NL:RBLIM:2026:3614)

Deze uitspraak gaat over de aangevraagde omgevingsvergunning voor het wijzigen van het bestaande ketelhuis in een opslagruimte, een pantry en een technische ruimte en het uitdiepen van kassen voor een rijbak ten behoeve van een zorgboerderij op het perceel van eisers. Zij zijn het niet eens met die weigering en de ongegrondverklaring van hun bezwaar daartegen bij het bestreden besluit. Eisers hebben daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank vindt dat de aangevraagde (buitenplanse) omgevings-planactiviteit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, omdat de zorgboerderij niet is aan te merken als ‘agrarisch’ maar als ‘maatschappelijk’ gebruik en niet onder het overgangsrecht valt of anderszins is vergund. Volgens de rechtbank heeft verweerder gelet op de belangafweging deze omgevingsplanactiviteit mogen weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en hun beroep is dus ongegrond.

Omvang van het geschil

De rechtbank moet beoordelen of verweerder de aangevraagde omgevings-vergunning mocht weigeren. Die beoordeling doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden in het licht van de wettelijke bepalingen die gelden voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

Tussen partijen is (met name) in geschil of de zorgboerderij is aan te merken als ‘agrarisch gebruik’ en daarmee volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Als dat niet zo is, is voorts in geschil of verweerder al dan niet een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit had moeten verlenen (voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat hier niet de technische bouwactiviteit aan de orde is.).

Juridisch kader

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (hierna: de Ow) in werking getreden. Die is hier van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Venlo’ (hierna: het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden (zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Ow). Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Océ en omgeving’ (hierna: het bestemmingsplan) - de rechtbank verwijst ook naar 3.3 - van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Venlo.

Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

Blijkens artikel 4.1 van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor ‘Agrarisch – onbebouwd’ aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik, agrarische bedrijfsuitoefening, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen.

Uit artikel 4.2 van het bestemmingsplan blijkt dat op grond van de bestemming ‘Agrarisch – onbebouwd’ uitsluitend schuilgelegenheden voor dieren mogen worden gebouwd onder bepaalde voorwaarden.

In artikel 4.3 van het bestemmingsplan is bepaald dat voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de hoogte niet meer dan 2,5 meter en de oppervlakte niet meer dan 6 m2 mag bedragen.

Uit artikel 5.1 van het bestemmingsplan volgt dat de op de plankaart voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsuitoefening en de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een glastuinbouwbedrijf, indien de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding ‘glastuinbouwbedrijf’.

In artikel 1.8 van het bestemmingsplan is ‘agrarisch volwaardig bedrijf’ als volgt omschreven: een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 5.2.1, sub a, van het bestemmingsplan mogen er uitsluitend gebouwen worden gebouwd ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven.

Blijkens artikel 5.2.2, onder c, van het bestemmingsplan geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat, behoudens silo’s en erf- en terreinafscheidingen, de hoogte van een bouwwerk niet meer dan 2,5 meter mag bedragen.

Uit artikel 35.3 van het bestemmingsplan blijkt dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan, mogen worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van het gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen van dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

In artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Beoordeling

Is de omgevingsplanactiviteit in strijd met het bestemmingsplan?

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld - zie onder 6.1. - of de zorgboerderij van eisers op het perceel al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan.

Op het perceel liggen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch – ongebouwd’. Op grond van artikel 4.1, sub a, van het bestemmingsplan is het perceel bestemd voor agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening. Op grond van artikel 5.1, sub a, van het bestemmingsplan is het perceel tevens bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Volgens eisers is sprake van het houden van paarden met zorg. Tussen partijen is in geschil of dit als agrarisch gebruik kan worden aangemerkt. In het bestemmingsplan is agrarisch gebruik niet letterlijk gedefinieerd. Wel is het begrip ‘agrarisch volwaardig bedrijf’ gedefinieerd in artikel 1.8 van het bestemmingsplan. Daaruit volgt dat in ieder geval een vereiste is dat het bedrijf gericht moet zijn op het voortbrengen van producten en/of dieren.

De rechtbank is van oordeel dat de zorgboerderij van eisers hieraan niet voldoet. Dit bedrijf is niet gericht op het voortbrengen van producten, maar op het leveren van zorg met paarden. De omvang van de zorg toont dit ook aan. Eisers hebben aangegeven dat de zorgboerderij op het moment tussen de 25 tot 30 cliënten heeft en er 6 fte werk is. De activiteiten die op het perceel plaatsvinden zien op dagbesteding, verzorging en onderhoud van de locatie en paardeninterventie. Er worden voor de zorgboerderij 6 paarden ingezet en er staan 2 paarden privé.

Blijkens de aanvraag is de opslag, de pantry, de technische ruimte en de rijbak in de kassen bedoeld ten behoeve van de zorgboerderij, zodat dit volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan.

Met betrekking tot het overdekt terras en de gang tussen het ketelhuis en de opslagruimte overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 1 van het bestemmingsplan is bepaald dat onder gebouw wordt verstaan: ‘elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt’. De rechtbank is van oordeel dat het overdekt terras en de gang als een ‘gebouw’ kunnen worden aangemerkt, omdat het terras overdekt is en aan twee zijdes een wand heeft en de gang eveneens overdekt is en met wanden omkleed. Ingevolge artikel 4.2 van het bestemmingsplan kan er alleen een gebouw worden gebouwd dat een schuilgelegenheid voor dieren betreft. Daar is in onderhavig geval geen sprake van. Ingevolge artikel 5.2.1, onder a, van het bestemmingsplan mogen er alleen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven. Zoals hiervoor overwogen is hier geen sprake van.

Gelet op het voorgaande kunnen eisers geen geslaagd beroep doen op het overgangsrecht van artikel 35.3 van het bestemmingsplan, omdat de zorgboerderij niet als paardenhouderij kan worden aangemerkt. Tevens vonden de eerste activiteiten met een zorgcomponent pas vanaf 2010 plaats terwijl het bestemmingsplan is vastgesteld op 17 december 2008.

Eisers hebben zich ter zitting nog op het standpunt gesteld dat het gedeelte tussen het ketelhuis en de opslag/werkruimte al overdekt was voordat het perceel werd gekocht en slechts vernieuwd is in het kader van sanering. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat uit de bouwtekeningen blijkt dat het eerst niet overdekt was. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht uitgaan van de bouwtekeningen die eisers zelf bij de aanvraag hebben aangeleverd.

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat het overdekt terras en de gang tussen het ketelhuis en de opslag/werkruimte ook vanwege de hoogte en de oppervlakte ingevolge de artikelen 4.3 en 5.2.2, onder c, van het bestemmingsplan niet zijn toegestaan.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat zowel het gebruik als zorgboerderij alsook de voormelde gebouwen niet zijn toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder (ter zitting) dat de zorgboerderij van eisers als maatschappelijk en niet als een agrarisch gebruik dient te worden aangemerkt. De desbetreffende beroepsgronden slagen niet. De rechtbank vindt met verweerder dat een rijbak in het kader van een paardenhouderij wel is toegestaan.

Kunnen eisers een beroep doen op de in 2016 van rechtswege verleende omgevingsvergunning?

Eisers vinden dat met de in 2016 van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de natuurgeneeskunde praktijk ook de zorgboerderij is toegestaan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dat niet zo is.

De rechtbank is van oordeel dat uit de in 2016 van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor een natuurgeneeskundige praktijk niet blijkt dat de huidige zorg(verlening) met paarden is vergund. De rechtbank is het met verweerder eens dat een natuurgeneeskundige praktijk niet gelijk staat aan het hebben van een zorgboerderij met paarden zoals die door eisers plaatsvindt. Daarmee heeft de omgevingsvergunning uit 2016 dus geen legaliserend effect in dit verband. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Had verweerder de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten verlenen?

Eisers vinden dat verweerder de omgevingsvergunning had moeten verlenen. Verweerder vindt dat hij de omgevingsvergunning mocht weigeren.

Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt een omgevings-vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Het bestuursorgaan komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevings-vergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het voldoende is gemotiveerd. Daarbij kan aan de orde komen en of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Evenredigheidsbeginsel

Volgens eisers is het onredelijk dat verweerder andere belangen zwaarder heeft laten wegen dan hun belang.

De rechtbank overweegt allereerst dat voor de belangenafweging de door eisers gemaakte vergelijking tussen het exploiteren van glastuinbouw en het hebben van een zorgboerderij niet opgaat, omdat op het perceel, zoals ter zitting vastgesteld, volgens het bestemmingsplan geen aanduiding glastuinbouw ligt. De rechtbank gaat daarom verder niet in op het standpunt van eisers dat de huidige activiteiten minder belastend zijn dan het exploiteren van glastuinbouw.

Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat een maatschappelijke functie op het perceel niet in overeenstemming is met de agrarische bestemming die op het perceel rust en niet past in de gemeentelijke structuurvisie en omgevingsvisie. Ook gelet op de ruimtelijke ontwikkelingen van onder andere de doorontwikkeling van het Canonterrein, het realiseren van woningbouw in Venlo-Noord en het project Vierwaarden acht verweerder een maatschappelijke functie op het perceel (vooralsnog) niet wenselijk.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging de vergelijking tussen een agrarische en maatschappelijke functie mocht maken. Op het perceel rust namelijk een agrarische bestemming en de activiteiten rondom de zorgboerderij hebben een maatschappelijke functie. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat de aangevraagde activiteiten vrijwel allemaal inpandige activiteiten betreffen en er dus geen sprake is van meer massa aan gebouwen. Wat daarvan zij, dat doet niet af aan het maatschappelijke gebruik van de zorgboerderij en dat past niet in het bestemmingsplan en sluit, zoals (ter zitting) ook niet is weersproken door eisers, niet aan bij de gemeentelijke structuurvisie en omgevingsvisie. Gelet op het feit dat het dus om een wezenlijk andere functie gaat, mocht verweerder volgens de rechtbank hier meer gewicht aan toekennen dan aan het belang van eisers.

In dit verband overweegt de rechtbank nog dat het niet van (doorslaggevend) belang is dat er nog onduidelijkheid bestaat over de precieze ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse. Het is volgens de rechtbank voldoende, mede gelet op de voormelde visies, dat verweerder vanwege de daarin opgenomen ruimtelijke uitgangspunten/voorgenomen ontwikkelingen niet met het initiatief van eisers meegaat, ook al weet verweerder nog niet zeker hoe de ruimtelijke ontwikkelingen er uiteindelijk precies zullen uitzien.

Uit het voorgaande volgt dat de weigering van de gevraagde omgevings-vergunning gelet op de door verweerder gemaakte belangenafweging niet onevenredig is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren en het bestreden besluit daarom in stand kan blijven.

UITSPRAAK RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND (ECLI:NL:RBMNE:2026:1424)

Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel aan de voor- en achterkant van de woning [adres 1] in [plaats] . Eisers wonen in deze woning en zijn het niet eens met de weigering van de omgevingsvergunning.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft beoordeeld dat het bouwplan in strijd is met de regels uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Verder oordeelt de rechtbank dat het standpunt van het college dat het bouwplan stedenbouwkundig niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet onredelijk is. Daarom heeft het college de omgevingsvergunning mogen weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het bouwplan

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel aan de voor- en achterkant van hun woning. Aan de achterkant van de woning zit een originele kleine dakkapel. Samen met de buren aan de [adres 2] en [adres 3] hebben eisers de wens om aan de achterkant een grote dakkapel te realiseren. Met de maatvoering en materiaalkeuze hebben zij aansluiting gezocht bij aanwezige dakkapellen aan de [adres 4] en [adres 5] .

Procesverloop

Het college heeft de aanvraag met het besluit van 5 juni 2024 geweigerd.

Beoordeling van de aanvraag door het college

De aanvraag ziet op een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.1 Het college heeft getoetst of de aanvraag voldoet aan de regels uit het Omgevingsplan van de gemeente Utrecht. In het bestemmingsplan Cartesiusweg e.o., dat op grond van art. 22.1 van de Omgevingswet van rechtswege deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan, heeft het perceel [adres 1] de bestemming “Wonen” en de aanduiding “maximum aantal bouwlagen: 2”. Artikel 12, lid 12.2.1 bevat bouwregels voor hoofdgebouwen. Het college vindt dat het bouwplan in strijd is met de onderdelen c en e uit dit artikellid. Op grond van onderdeel c mag het aantal bouwlagen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding “maximum aantal bouwlagen” is aangegeven. In onderdeel e is bepaald dat de bestaande dakvorm niet mag worden gewijzigd.

Omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met het omgevingsplan is de aanvraag getoetst aan het beoordelingskader uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van een negatief stedenbouwkundige advies heeft het college gesteld dat hiervan geen sprake is en de omgevingsvergunning geweigerd.

Aan welke bouwregels moet het bouwplan getoetst worden?

Eisers betogen dat het bouwplan ten onrechte is getoetst aan artikel 12, lid 12.2.1, omdat het bouwplan niet ziet op een hoofdgebouw, maar op een bijbehorende bouwwerk.

Artikel 12, lid 12.2.2 van de planregels bevat bouwregels voor bijbehorende bouwwerken. In artikel 1.29 (en 1.30) van de planregels is bijbehorend bouwwerk als volgt gedefinieerd: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

De rechtbank stelt voorop dat de woning het hoofdgebouw is. Als gevolg van het bouwplan zal het hoofdgebouw wijzigen. Tussen partijen is in geschil of het bouwplan getoetst moet worden aan de bouwregels van hoofdgebouwen of van bijbehorende bouwwerken. Het college heeft de aanvraag getoetst aan de bouwregels voor hoofdgebouwen. De rechtbank is het met eisers eens dat de dakkapellen ook voldoen aan de definitiebepaling van een bijbehorend bouwwerk. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling): Uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4650. Vervolgens is de vraag of dit betekent dat het bouwplan alleen getoetst moet worden aan de bouwregels van bijbehorende bouwwerken, zoals eisers betogen, of (ook) aan de bouwregels van een hoofdgebouw. De rechtbank volgt eisers op dit punt niet. Naar het oordeel van de rechtbank moet het bouwplan getoetst worden aan zowel de bouwregels van hoofdgebouwen als die van bijbehorende bouwwerken. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:626), oordeelt de rechtbank dat het toetsen aan beide regels verenigbaar is met het onderscheid dat de planwetgever in dit omgevingsplan heeft gemaakt tussen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Gelet op de definitie van hoofdgebouw in artikel 1.50 van de planregels, is het bouwplan in dit geval aan te merken als een bijbehorende bouwwerk zijnde een uitbreiding van het hoofdgebouw. Dat maakt dat de uitbreiding naar het oordeel van de rechtbank ook getoetst moet worden aan de bouwregels voor hoofdgebouwen. Bouwen ziet gelet de definitie uit artikel 1.31 van de planregels niet alleen op het oprichten van een bouwwerk, maar ook op het veranderen of vergroten van een bouwwerk.

Omdat het college het bouwplan in het bestreden besluit niet heeft getoetst aan de planregels voor bijbehorende bouwwerken is sprake van een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, omdat niet aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld. Het college heeft immers op de zitting alsnog een inhoudelijk standpunt ingenomen over de vraag of het bouwplan aan deze bouwregels voldoet en eisers hebben hierop kunnen reageren.

Is het bouwplan in strijd met de bouwregels voor hoofdgebouwen of de regels voor bijbehorende bouwwerken?

Hoofdgebouw

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met de onderdelen c en e van artikel 12, lid 12.2.1 van de bouwregels voor hoofdgebouwen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers bevestigd dat daartegen geen beroepsgronden zijn aangevoerd, omdat hun standpunt is dat sowieso niet aan deze regels getoetst hoeft te worden. De rechtbank zal zich daarover dan ook niet uitlaten.

Bijbehorende bouwwerken

Eisers voeren aan dat de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken niet van toepassing zijn, omdat deze regels zich beperken tot op de grond staande bijbehorende bouwwerken. Het bouwplan is dus niet in strijd met deze bouwregels of andere planregels. Daarom had de aanvraag volgens eisers getoetst moeten worden aan artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl en had het bouwplan vergund moeten worden.

De omstandigheid dat de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken niet expliciet zijn geschreven met het oog op dakkapellen, zoals het college op de zitting heeft toegelicht, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat het bouwplan daaraan niet getoetst hoeft te worden. Uit artikel 12, lid 12.2.2, van de regels valt geen beperking af te leiden dat de bouwregels alleen van toepassing zijn op bijbehorende bouwwerken die op de grond staan. Een aangebouwd bijbehorend bouwwerk hoeft niet per definitie op de grond te staan. Het college heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat het bouwplan niet aan het bepaalde in artikel 12, lid 12.2.2, van de regels voldoet. De rechtbank volgt het college dat het bouwplan in strijd is met onderdeel d van lid 12.2.2. waarin is bepaald dat de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,30 meter.

De conclusie van de rechtbank is dat het college terecht heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met de planregels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het college heeft de aanvraag daarom terecht getoetst aan het beoordelingskader uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.

Is het bouwplan stedenbouwkundig onaanvaardbaar?

Eisers voeren aan dat het bouwplan geen inbreuk maakt op de stedenbouwkundige waarde, omdat aan de achterzijde van de woning al sprake is van een verstoord daklandschap. Eisers wijzen erop dat zij met het bouwplan aansluiting hebben gezocht bij de dakkapellen aan de achterkant van de woningen [adres 4] en [adres 5] , zodat juist meer eenheid ontstaat.

Het college heeft advies gevraagd aan de afdeling Stedenbouw. In dit advies staat dat Stedenbouw hecht aan het behouden van het schuine dakvlak om de eenheid van de stedenbouwkundige opzet van de rij, het blok en de buurt leesbaar te houden. Met het oog op de ruimtelijke eenheid van een rij woningen, hanteert Stedenbouw het gelijkheidsbeginsel per rij. Dat houdt in dat per rij woningen gekeken wordt wat onder de gelding van het huidige bestemmingsplan, dat nu onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, in afwijking daarvan is vergund. De woning van eisers maakt deel uit van een lange aaneengesloten rij met soortelijke woningen (nummers [nummer] tot en met [nummer] ). In een aanvullende stedenbouwkundig advies is uiteengezet dat het grootste deel van deze rij een ondergeschikte dakkapel aan de achterzijde heeft. Daardoor is er een nieuw daklandschap ontstaan, waarmee de oorspronkelijke hoofdgebouwen nog goed herkenbaar blijven. Omdat in deze rij woningen geen dakopbouwen zijn vergund onder de gelding, maar in afwijking van het huidige bestemmingsplan, is Stedenbouw niet akkoord met de aanvraag.

Volgens eisers is geen sprake van een dakopbouw. Zij brengen naar voren dat in het stedenbouwkundig advies onderscheid wordt gemaakt tussen een dakkapel en een dakopbouw zonder dat duidelijk is waar dit op is gebaseerd.

In de bestreden besluit is vermeld dat Stedenbouw de term dakopbouw heeft gehanteerd omdat het bouwplan niet voldoet aan de door Stedenbouw gehanteerde richtlijn voor een ondergeschikte dakkapel. Het college heeft verder toegelicht dat bij stedenbouwkundige beoordeling naar het bouwplan als zodanig gekeken, waardoor de definities niet direct van belang zijn. De rechtbank overweegt dat het voor eisers duidelijker geweest zou zijn als de begrippen in het stedenbouwkundig advies waren toegelicht, maar dat maakt niet dat het college de besluitvorming niet op dit stedenbouwkundig advies heeft mogen baseren.

De beroepsgrond dat geen sprake is van een te behouden stedenbouwkundige waarde, omdat het daklandschap al in verregaande mate is verstoord, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom het zo veel mogelijk willen behouden van het daklandschap met de bestaande schuine dakvlakken geen stedenbouwkundige waarde vertegenwoordigt. De stedenbouwkundige opzet van de rij woningen met twee woonlagen en een kap vormt immers een ruimtelijke eenheid. Het stedenbouwkundig uitgangspunt om het daklandschap met de bestaande schuine dakvlakken zo veel mogelijk in stand te laten acht de rechtbank niet onredelijk.

In het verleden zijn verschillende typen dakkappelen vergund en gerealiseerd, wat ten koste is gegaan van de eenheid. Om verdere verrommeling tegen te gaan is ervoor gekozen om een knip te maken bij het huidige bestemmingsplan, waarmee de in het verleden toegestane situaties worden afgesloten en voor de toekomst alleen vergunningsvrije dakkapellen worden toegestaan of dakkapellen die aansluiten bij dakkapellen in de rij woningen die onder het huidige planologische regime maar in afwijking daarvan zijn vergund. Gelet op het doel om verdere verrommeling tegen te gaan, beoordeelt de rechtbank dit uitgangspunt als niet onredelijk. Dat eisers met hun bouwplan juist aansluiting hebben gezocht bij naastgelegen dakkapellen aan de achterkant, maakt niet dat het college dit uitgangspunt in navolging van Stedenbouw niet heeft mogen hanteren.

De dakkappelen aan de achterkant van de woningen [adres 4] en [adres 5] zijn volgens eisers in 2000 gerealiseerd. Niet in geschil is dat op dat moment een ander planologische regime gold. Verder heeft het college gesteld dat in de rij woningen van eisers onder het huidige planologische regime geen dakkappellen aan de voorkant zijn vergund. Eisers hebben dit niet bestreden.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank oordeelt dat het college gevolgd kan worden in het standpunt dat het bouwplan niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de omgevingsvergunning in stand blijft.

Artikel delen