Op 31 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1782, heeft de voorzieningenrechter van de ABRvS de inmiddels 12e uitspraak gedaan over een wijziging van het omgevingsplan. Dit keer over een TAM-Omgevingsplan. Bij besluit van 15 december 2025 heeft de raad van de gemeente Land van Cuijk het "TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Boxmeer, Zandkant 1 en 3, uitbreiding hoogspanningsstation" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk vastgesteld (het wijzigingsbesluit). Het wijzigingsbesluit voorziet in een uitbreiding van het bestaande hoogspanningsstation op de locatie Zandkant 1 en 3 in Boxmeer. Het bestaande 150 kV station zal worden uitgebreid en het bestaande 380 kV station zal worden gesloopt en vervangen door een nieuw 380 kV station. Ook zal er nog een 20 kV station worden gebouwd. Het wijzigingsbesluit gaat gepaard met een landschappelijke inpassing.

De locatiekeuze is door de raad onderbouwd met de "Notitie Locatieafweging uitbreiding 150-380 kV station Boxmeer" van Sweco van 25 april 2024. Er zijn zes locaties onderzocht en daaruit is een voorkeurslocatie ontstaan. De raad heeft toegelicht dat in de zoektocht naar locaties om het hoogspanningsnet te versterken, zoveel mogelijk wordt aangesloten bij bestaande hoogspanningslocaties om nieuwe ruimtelijke impact te beperken. De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op voormelde notitie heeft mogen baseren.
De voorzieningenrechter begrijpt dat een nieuwe houtwal tijd nodig heeft voor groei en niet direct het door [verzoeker] en anderen gewenste visuele effect heeft, maar ziet op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de door de raad gemaakte keuzes voor wat betreft de landschappelijke inpassing van het nieuwe hoogspanningsstation onzorgvuldig of onvoldoende onderbouwd zijn.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste eraan in de weg dat de beroepsgrond over stikstof tot vernietiging van het wijzigingsbesluit leidt. De bepalingen uit de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) waarop [verzoeker] en anderen zich beroepen strekken tot bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied. Dit zijn algemene belangen. Individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen zo verweven zijn met voormelde algemene belangen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Deze verwevenheid doet zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet voor. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Maasduinen" ligt op een afstand van 5,5 km ten oosten van de locatie waarop het wijzigingsbesluit ziet. De woningen van [verzoeker] en anderen liggen ten westen van de locatie en dus nog verder van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit betekent dat dit gebied geen deel uitmaakt van hun woon- en leefomgeving. De betreffende normen uit de Omgevingswet en het Bkl strekken daarom niet tot de bescherming van hun individuele belangen.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Bij besluit van 15 december 2025 heeft de raad van de gemeente Land van Cuijk het "TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Boxmeer, Zandkant 1 en 3, uitbreiding hoogspanningsstation" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk vastgesteld (het wijzigingsbesluit). Het wijzigingsbesluit voorziet in een uitbreiding van het bestaande hoogspanningsstation op de locatie Zandkant 1 en 3 in Boxmeer. Het bestaande 150 kV station zal worden uitgebreid en het bestaande 380 kV station zal worden gesloopt en vervangen door een nieuw 380 kV station. Ook zal er nog een 20 kV station worden gebouwd. Het wijzigingsbesluit gaat gepaard met een landschappelijke inpassing.
TenneT TSO B.V. is als netwerkbeheerder de initiatiefnemer van het project. [verzoeker] en anderen wonen in de nabije omgeving van de locatie waarop het wijzigingsbesluit ziet en vrezen voor nadelige gevolgen voor hun leefomgeving als gevolg van het wijzigingsbesluit.
De raad neemt een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt niet zelf of met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Locatiekeuze
[verzoeker] en anderen betogen dat de locatie van het project op voorhand al was bepaald en dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties.
De locatiekeuze is door de raad onderbouwd met de "Notitie Locatieafweging uitbreiding 150-380 kV station Boxmeer" van Sweco van 25 april 2024. Er zijn zes locaties onderzocht en daaruit is een voorkeurslocatie ontstaan. De raad heeft toegelicht dat in de zoektocht naar locaties om het hoogspanningsnet te versterken, zoveel mogelijk wordt aangesloten bij bestaande hoogspanningslocaties om nieuwe ruimtelijke impact te beperken. De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op voormelde notitie heeft mogen baseren.
Het betoog slaagt niet.
Landschappelijke inpassing
[verzoeker] en anderen betogen dat van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het nieuwe hoogspanningsstation geen sprake is. Volgens [verzoeker] en anderen ontbreekt de noodzaak voor de kap van de populieren die de bestaande houtwal vormen en het zicht op het nieuwe station voor een deel wegnemen.
De raad heeft op de zitting toegelicht waarom de populieren moeten worden gekapt. Een deel van de populieren moet worden gekapt voor de aanleg van een bovengrondse hoogspanningsverbinding naar het nieuwe station. Voor de kap van alle populieren in de houtwal is mede uit veiligheidsoverwegingen gekozen. De populieren zijn op leeftijd en een groot deel van de populieren heeft een matige conditie. Voorkomen moet worden dat door instabiliteit en/of dode takken schade wordt toegebracht aan het hoogspanningsstation. Bovendien vormen de populieren geen adequate visuele afscherming vanwege de hoogte van hun kroon. Het aanplanten van nieuwe bomen en struiken onder de kronen heeft vanwege het oppervlakkige wortelgestel van de populieren een beperkte slagingskans. Daarom is er gekozen voor de aanplant van een geheel nieuwe houtwal. In de landschappelijke inpassing van Sweco Nederland B.V. van 11 augustus 2025 staat hoe de nieuwe houtwal eruit komt te zien.
De voorzieningenrechter begrijpt dat een nieuwe houtwal tijd nodig heeft voor groei en niet direct het door [verzoeker] en anderen gewenste visuele effect heeft, maar ziet op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de door de raad gemaakte keuzes voor wat betreft de landschappelijke inpassing van het nieuwe hoogspanningsstation onzorgvuldig of onvoldoende onderbouwd zijn.
Het betoog slaagt niet.
Ophoging en waterberging
[verzoeker] en anderen betogen dat de noodzaak voor een ophoging van een deel van de locatie ontbreekt. Ook is volgens [verzoeker] en anderen niet onderzocht welke invloed de ophoging heeft op de waterberging in het gebied.
De raad heeft op de zitting toegelicht dat alleen het maaiveld van het deel van de locatie waarop het nieuwe 380 kV station is voorzien met 1,3 m zal worden opgehoogd. In overleg met Waterschap AA en Maas is gekozen voor de maaiveldophoging in verband met de grondwaterstanden in het gebied. In het rapport "Weging van het waterbelang hoogspanningsstation Boxmeer" van Sweco van 20 augustus 2025 is de waterbergingsopgave berekend, die nodig is voor de compensatie van de toename van verhard oppervlak. Daarbij is rekening gehouden met de gedeeltelijke ophoging van het maaiveld. Ook is beschreven op welke wijze invulling zal worden gegeven aan de waterberging. Met een nieuw te graven watergang/zaksloot (2.580 m³) en de aanleg van een rabattenbos (860 m³) zal worden voldaan aan de waterbergingsopgave van 3.420 m³.
De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd over de gevolgen van de ophoging van het maaiveld voor de waterhuishouding in het gebied op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich mogen baseren op voormeld rapport van Sweco van 20 augustus 2025. Of de relativiteit als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb in de weg zou staan aan de mogelijkheid van vernietiging van het wijzigingsbesluit, kan daarom in het midden worden gelaten.
Het betoog slaagt niet.
Stikstof
[verzoeker] en anderen betogen dat in de stikstofberekeningen ten onrechte geen rekening is gehouden met de extra vervoersbewegingen als gevolg van de ophoging van het maaiveld, zodat niet kan worden uitgesloten dat het wijzigingsbesluit leidt tot significant negatieve gevolgen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
In artikel 8:69a van de Awb staat dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste eraan in de weg dat de beroepsgrond over stikstof tot vernietiging van het wijzigingsbesluit leidt. De bepalingen uit de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) waarop [verzoeker] en anderen zich beroepen strekken tot bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied. Dit zijn algemene belangen. Individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen zo verweven zijn met voormelde algemene belangen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Deze verwevenheid doet zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet voor. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Maasduinen" ligt op een afstand van 5,5 km ten oosten van de locatie waarop het wijzigingsbesluit ziet. De woningen van [verzoeker] en anderen liggen ten westen van de locatie en dus nog verder van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit betekent dat dit gebied geen deel uitmaakt van hun woon- en leefomgeving. De betreffende normen uit de Omgevingswet en het Bkl strekken daarom niet tot de bescherming van hun individuele belangen.
Bever
[verzoeker] en anderen betogen dat recent een bever in de omgeving van de locatie is waargenomen. Met de aanwezigheid van de bever in de omgeving van de locatie is in het wijzigingsbesluit geen rekening gehouden, zodat daaraan een gebrek kleeft.
Aan het wijzigingsbesluit ligt het Aanvullend onderzoek Bever van Duvekot van 25 juni 2025 ten grondslag. Daaruit volgt dat vanwege de afwezigheid van voortplantings- en/of rustplaatsen of sporen van de bever in de omgeving van de locatie van het wijzigingsbesluit, deze habitatrichtlijnsoort niet wordt verwacht in de omgeving van de werkzaamheden op de locatie als functioneel leefgebied van de soort. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich op dit onderzoek mogen baseren. Dat er, naar niet in geschil is, recent een bever is gesignaleerd in de omgeving van de locatie waarop het wijzigingsbesluit ziet, leidt niet tot een ander oordeel. TenneT TSO B.V. heeft op de zitting toegelicht dat nader onderzoek naar de bever zal worden gedaan en dat, mocht blijken dat verdere vervolgstappen nodig zijn, deze zullen worden gezet.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in wat [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen reden om aan te nemen dat het wijzigingsbesluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening daarom afwijzen, waarbij ook het belang van TenneT TSO B.V. als netwerkbeheerder bij de uitvoering van het wijzigingsbesluit in aanmerking wordt genomen. De landelijke vraag naar elektriciteit stijgt, evenals de productie van elektriciteit. Om deze elektriciteit te kunnen transporteren moet het netwerk worden vergroot. Uitbreiding van het hoogspanningsstation draagt bij aan het oplossen van een bestaand transportcapaciteitsknelpunt in de regio’s Noordoost-Brabant en Noord-Limburg.
De raad heeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Deze 2-daagse cursus Erfgoed en Monumenten: wetgeving en beleid biedt inzicht in het nieuwe instrumentarium voor de omgang met cultureel erfgoed en monumenten, zowel beleidsmatig als juridisch als omgevingsplan, evenals de gevolgen voor ambtenaar, initiatiefnemers en adviseurs.