De Rechtbank Den Haag heeft op 8 mei 2026 de inmiddels 131e en 132e uitspraken gedaan over de BOPA (ECLI:NL:RBDHA:2026:10143 + ECLI:NL:RBDHA:2026:10144).In de uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2026:10143 was de rechtbank van oordeel dat het college met het verkeersonderzoek voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) met betrekking tot het verschuiven van de ontsluiting naar de vergunde locatie. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning dan ook mogen verlenen.

De rechtbank volgt het standpunt van het college dat de verkeersaspecten in uitgebreide en uitputtende zin aan de orde dienen te komen bij de toekomstige uitwegvergunning. De aanvraag van vergunninghouder ziet op een omgevingsvergunning voor een BOPA. Bij de beoordeling van deze aanvraag staat centraal of sprake is van ETFAL. Dit vereist een brede planologische belangenafweging, waarin onder meer de verkeersveiligheid en ruimtelijke kwaliteit worden meegenomen. In deze fase wordt op hoofdlijnen beoordeeld of het verplaatsen van de ontsluiting op overwegende bezwaren stuit. Een gedetailleerde beoordeling van een veilig en doelmatig gebruik van de weg dient plaats te vinden bij de aanvraag van een uitwegvergunning op grond van artikel 2.12 van de APV.
In de uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2026:10144 was een weigering van een BOPA aan de orde. Op basis van het stedenbouwkundig advies heeft het college kunnen concluderen dat het bouwplan van eiser niet leidt tot ETFAL. Nu het bouwplan reeds om stedenbouwkundige redenen niet is toegestaan, was het college dan ook niet gehouden om het bouwplan aan de welstandscommissie voor te leggen. Het omgevingsplan is leidend voor de maatvoering van de uitbouw, zodat reeds hierom geen plaats is voor een standaardplan.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
BOPA UITSPRAAK ECLI:NL:RBDHA:2026:10144
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een dakkapel en uitbouw aan de voorzijde van de woning aan de [adres] in [plaats]. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse geldt het [bestemmingsplan] Dit bestemmingsplan maakt dan ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Alphen aan den Rijn.
De rechtbank stelt vast dat de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, voor zover relevant, de bestemming ‘Wonen’ hebben. Op grond van artikel 20.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden bestemd voor wonen.
Is sprake van strijd met het omgevingsplan?
Tussen partijen is niet in geschil dat de uitbouw van eiser in strijd is met het omgevingsplan, omdat deze 70 centimeter dieper is dan het in artikel 20.3, onder b, sub 1, van de planregels vastgestelde maximum van 1,5 meter. Verder is de uitbouw, in strijd met het voornoemde artikel, ongeveer 40 centimeter te dicht op de perceelgrens gerealiseerd.
Het stedenbouwkundig advies
Eiser voert aan dat het college het welstandstoetsingskader geeft gepasseerd door de besluitvorming te baseren op een extern stedenbouwkundig advies van Buro SRO. De welstandsadvisering is door de gemeenteraad opgedragen aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Alphen aan den Rijn (de welstandscommissie). De stedenbouwkundig adviseur van Buro SRO maakt hier geen deel van uit. Volgens eiser had uitsluitend de welstandscommissie advies mogen uitbrengen en moet het stedenbouwkundig advies daarom terzijde worden gelegd. Verder is hem onduidelijk op basis van welke criteria het stedenbouwkundig advies tot stand is gekomen.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen (ABRvS 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4624).
Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het college in beginsel mag afgaan op een deskundigenadvies, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als een andere partij een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht (ABRvS 20 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1155).
De rechtbank stelt vast dat Buro SRO op 19 maart 2025 op verzoek van het college een stedenbouwkundig advies heeft uitgebracht. Dit advies ligt aan het bestreden besluit ten grondslag. In dit advies wordt opgemerkt dat de woningen in de buurt van eiser een samenhangend bebouwingsbeeld vormen met eenzelfde bouwmassa. De bouwmassa van de aangevraagde uitbouw is volgens het advies niet passend, omdat de combinatie van de diepte en breedte leidt tot een forse toevoeging aan het bouwvolume, hetgeen een grote impact heeft op de herkenbaarheid van het hoofdgebouw. Buro SRO merkt verder op dat uit hoofdstuk 4 van de Welstandsnota volgt dat uitbouwen ondergeschikt moeten zijn aan het hoofdgebouw en dat zij moeten voldoen aan de in de planregels vastgestelde maatvoering. Deze vastgestelde maatvoering is afgestemd op het herkenbaar houden van de hoofdvolumes en beperkt de onderlinge verschillen tussen uitbouwen. De in de Welstandsnota opgenomen basiswelstandscriteria zien op de verschijningsvorm van de uitbouwen en bijgebouwen. De gebiedsgerichte welstandscriteria bepalen dat aandacht moet worden geschonken aan het behoud van het straatbeeld met herhaling in rooilijn en gevelindeling en dat ook in gebieden met een soepel welstandsniveau geen afbreuk mag worden gedaan aan het stadsbeeld. Het toestaan van uitbouwen zoals die van eiser doet volgens Buro SRO afbreuk aan deze aspecten.
De rechtbank is van oordeel dat het college met het overgelegde advies van Buro SRO van 19 maart 2025 voldoende heeft gemotiveerd waarom het geen medewerking wil verlenen aan de toepassing van een buitenplanse afwijkmogelijkheid. Op basis van dit advies heeft het college kunnen concluderen dat het bouwplan, gelet op de stedenbouwkundige bezwaren, niet leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Eiser heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd of anderszins aangetoond dat het stedenbouwkundig advies dusdanige gebreken vertoond dat het college dit advies niet aan bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college het bestreden besluit niet mocht baseren op het advies van 19 maart 2025.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de welstandscommissie wordt gepasseerd met het stedenbouwkundig advies. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, sub 5, van de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Alphen aan den Rijn adviseert de welstandscommissie op verzoek van het college over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit in geval het college een advies nodig acht met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Dit betekent dat er geen verplichting bestaat voor het college om advies in te winnen bij de welstandscommissie. Nu het bouwplan reeds om stedenbouwkundige redenen niet is toegestaan, was het college dan ook niet gehouden om het bouwplan aan de welstandscommissie voor te leggen.
Was een standaardplan nodig?
Eiser wenst dat het college een standaardplan opstelt voor aan- en/of uitbouwen aan de voorzijde van woningen uitgaande van de nu reeds aanwezige uitbouwen, zoals de zijne.
De rechtbank overweegt dat, gelet op de Welstandsnota, met een standaardplan een plan wordt bedoeld dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden voor de welstandsbeoordeling van een bouwblok, cluster of een groter gebied. Aan de welstandstoets hoefde het college in dit geval echter niet toe te komen, zoals overwogen onder 5.4 en 5.5. Bovendien bevat het omgevingsplan regels voor de maatvoering, zodat reeds hierom geen plaats is voor een standaardplan. Tot slot kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn betoog dat bij het op te stellen standaardplan uitgegaan zou moeten worden van illegaal gerealiseerde uitbouwen.
Het betoog van eiser slaagt niet.
Is er strijd met het gelijkheidsbeginsel?
Eiser acht het van belang dat aan zijn woonblok reeds meerdere uitbouwen zijn gerealiseerd met vergelijkbare dieptematen. Het college is daar ten onrechte niet op ingegaan.
De rechtbank neemt aan dat eiser hiermee beoogt om een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een (in feitelijke en juridische zin) gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelswijze (ABRvS 27 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16311). Door eiser is ter zitting erkend dat de door hem aangehaalde uitbouwen in zijn straat zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd. Van de overigens door eiser genoemde situaties, waaronder de uitbouw in de Krammer, is niet gebleken dat zij vergelijkbaar zijn in die zin dat het daar eenzelfde overschrijding van de toegestane maatvoering in een soortgelijke omgeving betreft. Het betoog slaagt niet.
Het beroep is ongegrond.
BOPA UITSPRAAK ECLI:NL:RBDHA:2026:10143
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het verschuiven van de in- en uitrit van een parkeergarage en het realiseren van een deel van een fietsenstalling buiten het bouwvlak. Eiseres is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Beatrixkwartier (Monarch).’ Dit bestemmingsplan maakt dan ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag.
De rechtbank stelt vast dat de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, de bestemming ‘Gemengd’ hebben.
Ingevolge artikel 3.1, onder d, e en g, van het omgevingsplan zijn de voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden bestemd voor kantoren, ondergrondse gebouwde parkeervoorzieningen en (openbaar toegankelijke) tuinen, één en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, wegen, ontsluitingen, groen, water en overige voorzieningen en met inachtneming van de bepalingen in artikel 3.5 van het omgevingsplan.
Juridisch kader
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ingevolge artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Ingevolge artikel 3.2.1, onder j, van het omgevingsplan zijn in- en uitritten van een parkeergarage ten behoeve van werknemers en bezoekers uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’, gelegen aan de zijde van de Jan Pieterszoon Coenstraat (J.P. Coenstraat).
Ingevolge artikel 2.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Den Haag (APV) geldt, voor zover relevant, het volgende:
1. Het is verboden zonder vergunning van het college:
a. een uitweg te maken naar de weg;
b. van de wet gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
[…]
De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a. de bruikbaarheid van de weg;
b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
Feitelijke situatie
Vergunninghouder is de eigenaar van het perceel op de hoek van de Prinses Beatrixlaan en de J.P. Coenstraat in Den Haag. Hij is voornemens om op deze locatie het rijkskantoor Monarch IV te realiseren. De huidige ontsluiting van de aanwezige parkeergarage is tijdelijk geplaatst aan de Prinses Beatrixlaan en wordt na de realisatie van het kantoorgebouw verplaatst naar de J.P. Coenstraat. Aan de J.P. Coenstraat is in het omgevingsplan een locatie bestemd voor de ontsluiting van een parkeergarage. Deze locatie draagt de functieaanduiding ‘ontsluiting.’ De aanvraag ziet op de verplaatsing van de ontsluiting van de te realiseren parkeergarage met 22 meter ten opzichte van de daartoe bestemde locatie, hetgeen in strijd is met artikel 3.2.1, onder j, van het omgevingsplan.
Omvang van het geding
Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het omgevingsplan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht verlenen voor het afwijken van de ontsluitingslocatie zoals deze in het omgevingsplan is vastgelegd.
Mocht het college de gevraagde omgevingsvergunning verlenen?
Standpunten van partijen
Eiseres betoogt dat het verkeersonderzoek van Antea – dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt – berust op feitelijke onjuistheden. Eiseres meent dat het verkeersonderzoek geen adequate afweging van de drie mogelijke locaties van de ontsluiting van de parkeergarage bevat. Het verkeersonderzoek heeft bevestigd dat de huidige ontsluiting aan de Prinses Beatrixlaan de voorkeursvariant is. Zij stelt dan ook dat deze ontsluiting moet worden gehandhaafd. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de gekozen variant vanuit verkeerskundig perspectief de voorkeur geniet boven de huidige variant. De inbreng van de aanwezigen op de informatieavond van 28 augustus 2024 die daarvoor pleitten is volgens eiseres niet in de besluitvorming meegenomen. Tot slot stelt eiseres dat het college de noodzakelijke verkeersmaatregelen ten onrechte heeft gekwalificeerd als uitvoeringsaspecten die bij de uitwegvergunning aan de orde komen. Volgens haar hadden deze verkeersmaatregelen moeten worden meegenomen in de voorliggende besluitvorming.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit volgt volgens het college uit het verkeersonderzoek van Antea, waarin is ingegaan op de alternatieve locaties voor de in- en uitrit en de verkeersveiligheid ter plaatse. Alle drie de onderzochte varianten zijn verkeersveilig bevonden. De nu vergunde variant geniet echter de voorkeur, omdat deze past in de uitgangspunten in het Masterplan en het omgevingsplan en een verbetering oplevert van het straatbeeld. Een onderzoek naar alternatieve locaties is volgens het college niet vereist, omdat de aangevraagde locatie op zichzelf acceptabel is bevonden. Hoewel het verkeersonderzoek van Antea enkele aanbevelingen doet om de verkeersveiligheid te verbeteren, zijn deze aanbevolen maatregelen niet noodzakelijk om de in- en uitrit op een veilige wijze te realiseren. Volgens het college zullen de noodzakelijke verkeersmaatregelen bij de aanvraag om een uitwegvergunning uitvoerig worden getoetst.
Het omgevingsplan
Voor zover eiseres betoogt dat de tijdelijke ontsluiting aan de Prinses Beatrixlaan moet worden gehandhaafd, overweegt de rechtbank het volgende. In het Masterplan voor het Beatrixkwartier is opgenomen dat in- en uitritten uitsluitend zijn toegestaan aan de zijstraten van de Prinses Beatrixlaan, en niet aan de Prinses Beatrixlaan zelf. De planwetgever heeft dit uitgangspunt vastgelegd in artikel 3.2.1, onder j, van het omgevingsplan. De gevraagde afwijking van het omgevingsplan betreft alleen de verschuiving van 22 meter ten opzichte van de daartoe bestemde locatie aan de J.P. Coenstraat en niet de locatie aan de J.P. Coenstraat op zichzelf, omdat deze locatie in overeenstemming is met het omgevingsplan. Dit betekent dat de toevoeging van een extra conflictpunt als gevolg van een ontsluiting aan de J.P. Coenstraat al planologisch is vastgelegd in het omgevingsplan. Omdat het bestemmingplan Beatrixkwartier (Monarch), dat nu deel uitmaakt van het omgevingsplan, reeds onherroepelijk is, kunnen gronden gericht tegen dit plan niet slagen. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Het verkeersonderzoek
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen (ABRvS 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4624).
Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het college in beginsel mag afgaan op een deskundigenadvies, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als een andere partij een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht (ABRvS 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1155).
De rechtbank stelt vast dat Antea op verzoek van het college op 5 juni 2024 een verkeersonderzoek heeft uitgebracht. Dit verkeersonderzoek ligt aan het bestreden besluit ten grondslag. In het onderzoek zijn drie locaties onderzocht die als ontsluiting kunnen dienen. De eerste variant is de huidige ontsluiting aan de Prinses Beatrixlaan (variant 1). De tweede variant is de locatie aan de J.P. Coenstraat zoals deze is vastgelegd in het omgevingsplan (variant 2a). De derde variant is de locatie van het bouwplan, die eveneens is gesitueerd aan de J.P. Coenstraat, maar 22 meter verderop is gelegen ten opzichte van de omgevingsplanlocatie (variant 2b). In het onderzoek wordt geconcludeerd dat met variant 2b de meeste parkeerplekken gerealiseerd kunnen worden, waardoor deze variant wat betreft intern ruimtegebruik de voorkeur heeft. Nu de toegang tot de ontsluiting bij alle genoemde varianten plaatsvindt over een fiets- en voetpad, is eveneens een veiligheidsonderzoek uitgevoerd. Gezien de functie en het gebruik van variant 1 is het, in combinatie met de maximumsnelheid en de aanwezigheid van een dode hoek, aannemelijk dat de impact van een ongeval groter is dan bij de andere varianten. De verkeersintensiteit bij variant 1 is echter aanzienlijk lager dan bij de varianten aan de J.P. Coenstraat. Voor variant 2a geldt dat sprake is van een lagere maximumsnelheid, maar dat desondanks in combinatie met de hoge verkeersintensiteit een grote kans op een ongeval bestaat. Verkeersdeelnemers zijn hier echter beter zichtbaar dan bij variant 1. De kans op een ongeval is bij variant 2b kleiner dan bij variant 2a, omdat sprake is van minder verkeersuitwisseling en – menging. Ook is de zichtbaarheid van de ontsluiting bij variant 2b het grootst. Met betrekking tot de verkeersdoorstroming is gebleken dat alle varianten het verkeer kunnen verwerken gedurende de spitsmomenten, maar dat de opstellengte tussen de verkeersregelinstallaties en de ontsluiting bij variant 2a en 2b kort is. Ten aanzien van de verkeersveiligheid wordt in het verkeersonderzoek geconcludeerd dat, hoewel variant 1 de voorkeursvariant is op het gebied van verkeersveiligheid, er zich geen significante knelpunten voordoen bij variant 2b. Hiernaast worden enkele aanbevelingen gedaan om de verkeersveiligheid en de verkeersdoorstroming voor variant 2b in de toekomst te vergroten.
De rechtbank overweegt dat eiseres geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd. Het betoog van eiseres geeft verder ook geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van het verkeersonderzoek van Antea. Ter zitting heeft eiseres verduidelijkt dat volgens haar de door Antea weergegeven verkeersstromen niet overeenkomen met de situatie in de praktijk. Daarbij gaat het erom dat de fietspaden in de J.P. Coenstraat regelmatig worden geblokkeerd door foutparkerend laad- en losverkeer en dat er fietsers zijn die tegen de rijrichting in rijden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiseres beschreven gedragingen betrekking hebben op feitelijk handelen in strijd met de verkeersregels, waarmee in de besluitvorming geen rekening hoeft te worden gehouden. Van een onvolkomenheid in het verkeersonderzoek is derhalve geen sprake. Evenmin is gebleken dat Antea, zoals door eiseres betoogd, een te beperkt gedeelte van de J.P. Coenstraat heeft onderzocht. Het bouwplan heeft betrekking op een specifieke locatie. Deze locatie en de directe omgeving zijn door Antea is onderzocht. De rest van de straat betreft doorgaand verkeer en hoefde daarom niet te worden meegenomen in het verkeersonderzoek. Ook in dit opzicht is geen sprake van een gebrek in het verkeersonderzoek. Het college heeft het verkeersonderzoek van Antea dan ook aan zijn besluitvorming ten gronde mogen leggen. De grond slaagt niet.
Voor zover eiseres betoogt dat de kritische inbreng van aanwezigen op de informatieavond van 28 augustus 2024 over de nu gekozen locatie voor de ontsluiting, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling betekent het bestaan van alternatieven niet dat de gemaakte keuze van het college de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Daarvan is alleen sprake als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de aangedragen alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.3 Daarvan is hier geen sprake, gelet op de resultaten van het verkeersonderzoek. De grond slaagt niet.
Verkeersmaatregelen
De rechtbank volgt het standpunt van het college dat de verkeersaspecten in uitgebreide en uitputtende zin aan de orde dienen te komen bij de toekomstige uitwegvergunning. De aanvraag van vergunninghouder ziet op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij de beoordeling van deze aanvraag staat centraal of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit vereist een brede planologische belangenafweging, waarin onder meer de verkeersveiligheid en ruimtelijke kwaliteit worden meegenomen. In deze fase wordt op hoofdlijnen beoordeeld of het verplaatsen van de ontsluiting op overwegende bezwaren stuit. Een gedetailleerde beoordeling van een veilig en doelmatig gebruik van de weg dient plaats te vinden bij de aanvraag van een uitwegvergunning op grond van artikel 2.12 van de APV. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, maakt dit niet anders (ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1299). Deze uitspraak ziet namelijk op een uitwegvergunning die wel is getoetst aan de APV. Deze situatie doet zich in het voorliggende geval niet voor. De grond slaagt niet.
Slotsom
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college met het verkeersonderzoek van Antea voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot het verschuiven van de ontsluiting naar de vergunde locatie. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning dan ook mogen verlenen.
Het beroep is ongegrond.