De rechtbank Limburg heeft op 8 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4500, de inmiddels 133e uitspraak gedaan over de BOPA. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van kademuren in Roermond. Met het bestreden besluit van 28 november 2025 heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend. Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Enkele interessante overwegingen:
Verzoekers voeren aan dat niet aan de participatieplicht onder de Ow is voldaan. Daartoe stellen verzoekers dat zij tijdens een participatiesessie op 1 april 2025 hun zorgen over de kademuren hebben geuit en dat zij ook alternatieven hebben voorgesteld die niet zijn onderzocht. In het bestreden besluit is niet ingegaan op de door hen gevoerde dialoog. Het uitgangspunt onder de Ow is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar dat de gemeenteraad gevallen kan aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is (de gemeenteraad heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Ow). Participatie door vergunninghoudster is in dit geval niet verplicht gesteld door de gemeenteraad, omdat dit initiatief niet voorkomt in de door de gemeenteraad opgestelde “Lijst met categorieën voor verplichte participatie/omgevingsdialoog”. Nu participatie voor deze aanvraag niet verplicht is, kan de gestelde omstandigheid dat de gevoerde participatie gebrekkig was, ook als dat inderdaad zo is, dus niet tot het oordeel leiden dat de omgevingsvergunning om die reden niet verleend had mogen worden. Aan het vereiste (artikel 16.55 van de Ow in combinatie met artikel 7.4 van de Omgevingsregeling) dat de aanvrager van een omgevingsvergunning bij de aanvraag moet aangeven of participatie heeft plaatsgevonden en zo ja, hoe dit is verlopen, is voldaan.
Over het aspect trillingshinder in de gebruiksfase overweegt de voorzieningenrechter dat geen onderzoek daarnaar is verricht. Omdat dit niet is onderzocht, is het onduidelijk wat het effect van de vergunde kademuren op de panden van verzoekers zal zijn. De voorzieningenrechter acht het niet onaannemelijk dat trillingshinder zal optreden. Het college moet dan ook bij de beslissing op bezwaar aandacht aan het aspect trillingshinder besteden en hierover een deskundige raadplegen die in dat kader een advies moet uitbrengen. Zoals ook op zitting door de voorzieningenrechter is aangegeven, hoeft een dergelijk advies niet op basis van metingen of berekeningen te worden opgesteld als dat niet mogelijk zou zijn. Een andere vorm van een deskundigenadvies over trillingshinder is ook mogelijk. De voorzieningenrechter ziet ook in dit gebrek in het bestreden besluit echter geen aanleiding om het besluit tot de beslissing op bezwaar te schorsen, omdat eventuele trillingshinder voornamelijk pas in de gebruiksfase en dus niet op korte termijn zal optreden en de voorzieningenrechter het niet op voorhand aannemelijk acht dat trillingshinder zodanig zal zijn dat de omgevingsvergunning onevenredige gevolgen voor verzoekers zal hebben.
Ten aanzien van flora en fauna overweegt de voorzieningenrechter dat het college in het kader van ETFAL ook moet motiveren waarom een flora- en fauna-activiteit niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat. De mogelijke gevolgen voor beschermde flora en fauna, als gevolg van de oprichting van de kademuren en de daarvoor noodzakelijke werkzaamheden, zijn onderzocht en dat onderzoek is aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd (Quickscans) Uit deze stukken blijkt dat voor het project als geheel een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is benodigd, omdat verstoring van een drietal soorten niet geheel kan worden uitgesloten. Dit betreft vleermuizen, de bever en de grote gele kwikstaart. Een omgevingsvergunning voor een flora-en fauna-activiteit voor de bever en grote gele kwikstaart is bij besluit van 13 april 2026 verleend. Uit een nader onderzoek is gebleken dat voor vleermuizen geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist is zoals volgt uit het Activiteitenplan van 15 december 2025. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een flora-en fauna-activiteit die aan de (uitvoerbaarheid van de) gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van kademuren in Roermond. Met het bestreden besluit van 28 november 2025 heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend. Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Op 25 april 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Daarin is aangegeven dat er sinds 2018 wordt gewerkt aan dijkverbetering voor het bedrijventerrein Willem-Alexander om de bedrijven op deze haven tegen hoogwater te beschermen. De gemeente Roermond, het Waterschap Limburg, de Provincie Limburg en vergunninghoudster, die uit diverse op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven bestaat, hebben in dat kader een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Zij willen een toekomstbestendige Willem-Alexanderhaven en de oplossing daarvoor is het realiseren van een nieuwe primaire waterkering (project van het Waterschap Limburg), en aansluitend daarop de versterking en ophoging van een aantal oevers tot kades, al dan niet met een logistieke functie (project van vergunninghoudster). De constructie van deze kades is zo ontworpen dat ze dezelfde hoogtes aanhouden als de primaire kering om de watergebonden bedrijven toch tegen hoogwater te beschermen. Het gehele traject inclusief de primaire keringen en kades heeft een totale lengte van ca. 3.090 meter en bestaat uit 21 secties. De aanvraag ziet op de secties zeven tot en met elf (de kades rondom de landtong) en dertien tot en met achttien (de kades langs het bedrijventerrein SIF Netherlands B.V. en Smurfit Westrock Roermond Papier B.V.).
In de huidige situatie is – voor zover relevant – volgens de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de aanvraag, sectie acht onverhard terrein met een natuurlijke oever met veel ruigte met bramen en enkele bomen. Rondom de gebouwen zijn betonnen platen en blokken aanwezig. Sectie negen is een onverhard terrein met een natuurlijke oever met ruigte en bomen. Op twee plekken op de oever was zand aanwezig. Bij sectie tien is sprake van een schrale bodem met grind en mos. Verder is er een natuurlijke oever met veel begroeiing en op sommige plaatsen is deze erg steil. Richting sectie negen is veel struweel en kleine bomen. Tussen sectie tien en elf is een betonnen oever. De voorgenomen ontwikkelingen betreffen het aanpassen van de huidige kades en de natuurlijke taluds naar nieuwe, hogere kades. De kades waar deze omgevingsvergunning op ziet, hebben een totale lengte van ca. 935 meter.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (hierna: Ow), te weten een omgevingsplanactiviteit voor bouwen en een omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan (ook wel buitenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd, afgekort tot ‘bopa’).
Omvang van het geding
De voorzieningenrechter overweegt dat de grond die verzoekers hebben aangevoerd over de (mogelijke) intensivering van de scheepsvaart als gevolg van de uitvoering van de omgevingsvergunning in deze procedure niet aan de orde kan komen nu dit geen (direct) gevolg is van de omgevingsvergunning. De gronden die daartegen zijn gericht, worden dan ook niet inhoudelijk besproken.
Toetsingskader
Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet beschikt elke gemeente automatisch (van rechtswege), op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang gelezen met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, over een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4, van de Ow met regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ten tijde van het bestreden besluit bestond het omgevingsplan uit een tijdelijk deel (als bedoeld in artikel 22.1, van de Ow), waarin onder meer alle bestemmingsplannen waren opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
Op de onderhavige locatie was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Willem Alexander’ (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Het bestemmingsplan maakt vanaf 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op deze locatie gelden de bestemmingen ‘Bedrijventerrein’, ‘Horeca’, ‘Water’, ‘Waarde – Archeologie’, ‘Waterstaat’ en ‘Waterstaat - Waterbergend rivierbed’. Uit het bestreden besluit blijkt dat de aanvraag in strijd met deze bestemmingen is (met uitzondering van de bestemming ‘Waterstaat’ voor wat betreft het beoogde gebruik).
Een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd (dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd). Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beoordeelt. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een bopa alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De vraag die in het kader van deze procedure dus moet worden beantwoord, is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Mocht het college de omgevingsvergunning verlenen?
Participatie
Verzoekers voeren aan dat niet aan de participatieplicht onder de Ow is voldaan. Daartoe stellen verzoekers dat zij tijdens een participatiesessie op 1 april 2025 hun zorgen over de kademuren hebben geuit en dat zij ook alternatieven hebben voorgesteld die niet zijn onderzocht. In het bestreden besluit is niet ingegaan op de door hen gevoerde dialoog.
Het uitgangspunt onder de Ow is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar dat de gemeenteraad gevallen kan aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is (de gemeenteraad heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Ow). Participatie door vergunninghoudster is in dit geval niet verplicht gesteld door de gemeenteraad, omdat dit initiatief niet voorkomt in de door de gemeenteraad opgestelde “Lijst met categorieën voor verplichte participatie/omgevingsdialoog” van 17 februari 2022. Nu participatie voor deze aanvraag niet verplicht is, kan de gestelde omstandigheid dat de gevoerde participatie gebrekkig was, ook als dat inderdaad zo is, dus niet tot het oordeel leiden dat de omgevingsvergunning om die reden niet verleend had mogen worden. Aan het vereiste (artikel 16.55 van de Ow in combinatie met artikel 7.4 van de Omgevingsregeling) dat de aanvrager van een omgevingsvergunning bij de aanvraag moet aangeven of participatie heeft plaatsgevonden en zo ja, hoe dit is verlopen, is voldaan.
Noodzaak kademuren
Verzoekers voeren aan dat in het bestreden besluit onvoldoende is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot het realiseren van de kademuren voor de secties acht tot en met tien. Door het Waterschap Limburg is in 2019 expliciet besloten dat het niet nodig was om het gehele bedrijventerrein aan de Willem-Alexanderhaven tegen hoogwater te beschermen.
De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit voldoende is uitgelegd waarom deze aanvraag is ingediend en dat is kort gezegd de bescherming van een aantal bedrijven tegen hoogwater. Het Waterschap Limburg is in dat kader een samenwerkingsovereenkomst met onder andere vergunninghoudster aangegaan en daaruit leidt de voorzieningenrechter af dat het Waterschap Limburg ook het belang inziet van hoogwaterbescherming.
Waterveiligheid
Verzoekers voeren aan dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat geen opstuwing zal ontstaan, maar dat dit is niet onderbouwd. Verzoekers zijn van mening dat er wel degelijk een opstuwing zal ontstaan, omdat de haven een doodlopende kom is waar het water wordt samengedrukt naar één punt zonder afvoermogelijkheid. Het grondoppervlak voor de bedrijven aan de haven wordt door de kademuren ook vergroot en dit gaat ten koste van het waterbergend vermogen. In dat verband voeren verzoekers aan dat in totaal 2.846 m³ aan waterbergend vermogen verdwijnt en dat dit gevolgen heeft voor de woning en het café van verzoekers. De woning ligt op 20 m NAP in plaats van de berekende waterpeilen van 21,7 m NAP (2075) en 22,1 m NAP (2125). Verzoekers vinden dan ook dat onvoldoende onderzoek naar de waterveiligheid is verricht.
De voorzieningenrechter overweegt dat in een schriftelijke reactie van vergunninghoudster in samenspraak met Arcadis is toegelicht dat geen onderzoek naar een eventuele opstuwing is verricht, omdat een eventuele opstuwing van de waterstanden in de huidige situatie al plaatsvindt en dat door het realiseren van de kademuren een eventuele opstuwing waarschijnlijk kleiner wordt. Er kan namelijk minder water de haven instromen, waardoor het volume water in de doodlopende kom kleiner is en het opstuwende effect van het samendrukken van water afneemt. De voorzieningenrechter kan deze redenering volgen en verzoekers hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de memo “Rivierkundige toetsing dijkversterking Roermond Willem-Alexanderhaven” van 4 juni 2025 van Arcadis onderdeel van het bestreden besluit uitmaakt. In die memo is onder andere geconcludeerd dat de realisatie van de kademuren tot een afname van het bergend vermogen van de rivier met 82 m³ leidt. Deze afname van het bergend vermogen is gecompenseerd met de dijkversterking bij Arcen waar een forse toename van het bergend vermogen van de rivier is. Dit volgt uit de memo “Verandering bergend vermogen dijkversterking Arcen” van 4 juli 2025 van Arcadis. In dat kader heeft vergunninghoudster in samenspraak met Arcadis in een schriftelijke reactie over de compensatie die verder stroomafwaarts plaatsvindt nog aangevuld dat minder water richting de haven tijdens een hoogwater kan stromen, waardoor er meer water verder stroomafwaarts stroomt. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat in de memo “Rivierkundige toetsing dijkversterking Roermond Willem-Alexanderhaven” ook is gekeken naar de potentiële waterstandseffecten naar aanleiding van veranderingen in het bergend vermogen. Daarin is opgenomen dat de afname van het bergend volume zal leiden tot een waterstandstijging van 1 á 2 mm tijdens maatgevende condities en in de praktijk zal het effect op de waterstand minder dan 1 mm bedragen. Het college acht een dergelijke waterstandsverhoging vanuit een ruimtelijk oogpunt verwaarloosbaar zoals volgt uit het bestreden besluit. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat verzoekers een dergelijke beperkte waterstandstijging niet onderbouwd hebben weersproken. Hoewel 1 mm extra er net toe kan leiden dat het water ‘over het randje’ stroomt, zoals verzoekers op zitting hebben betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college een dergelijke stijging verantwoord mag achten. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat een afname van het bergend vermogen door het realiseren van de kademuren voor de situatie van verzoekers zo goed als geen toename van de overstromingsrisico’s met zich meebrengt en dat voldoende onderzoek naar de waterveiligheid is verricht.
Trillingen en geluid
Verzoekers voeren aan dat de kademuren tot een significante en onaanvaardbare toename van hinder zullen leiden. Ter onderbouwing stellen zij dat de nieuwe stalen kademuren een versterkend effect hebben op de trillingen van scheepsmotoren en schroeven en wijzen zij op de golfslag die wordt weerkaatst tegen een harde wand, de bodeminjecties van trillingen richting omliggende bebouwing en de resonantie van laagfrequente geluidsgolven. Ook voeren verzoekers aan dat de kademuren in de Willem-Alexanderhaven leiden tot een opbouw van trillingen, een verergerde terugkaatsing van geluid richting de woningen en een versterking en vergroting van al bestaande akoestische problemen (het gebied wordt een grote klankkast). Volgens verzoekers is geen trillings- en laagfrequentie geluidsonderzoek (SBR-B normering) uitgevoerd, waardoor de gevolgen voor hun fundering en het woongenot niet zijn betrokken.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in het bestreden besluit de mogelijke trillings-en/of geluidshinder niet is betrokken. Vergunninghoudster heeft in het kader van de bezwaarprocedure een aanvullende akoestische analyse laten uitvoeren naar de mogelijke extra geluidhinder als gevolg van de scheepsvaartverkeer na de realisatie van de kademuren. In de notitie van 31 maart 2026 van LBP Sight is geconcludeerd dat door het plaatsen van de kademuren geen wezenlijke geluidtoenames in de omgeving van de weg [adres] optreden. Uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van de kademuren geen toename is vanwege het geluid van het gezoneerde industrieterrein. Vanwege de scheepvaart door de haven treedt er een kleine toename op van circa 0,3 dB. Dit verschil is niet waarneembaar. Een verschil in geluidssterkte is vanaf 3 dB pas hoorbaar voor het menselijk oor. Verzoekers hebben deze akoestische analyse niet onderbouwd weersproken. De voorzieningenrechter ziet in dit gebrek in het bestreden besluit, die bij de beslissing op bezwaar kan worden hersteld, geen aanleiding om het besluit tot de beslissing op bezwaar te schorsen.
Over het aspect trillingshinder in de gebruiksfase overweegt de voorzieningenrechter dat geen onderzoek daarnaar is verricht. Omdat dit niet is onderzocht, is het onduidelijk wat het effect van de vergunde kademuren op de panden van verzoekers zal zijn. De voorzieningenrechter acht het niet onaannemelijk dat trillingshinder zal optreden. Het college moet dan ook bij de beslissing op bezwaar aandacht aan het aspect trillingshinder besteden en hierover een deskundige raadplegen die in dat kader een advies moet uitbrengen. Zoals ook op zitting door de voorzieningenrechter is aangegeven, hoeft een dergelijk advies niet op basis van metingen of berekeningen te worden opgesteld als dat niet mogelijk zou zijn. Een andere vorm van een deskundigenadvies over trillingshinder is ook mogelijk. De voorzieningenrechter ziet ook in dit gebrek in het bestreden besluit echter geen aanleiding om het besluit tot de beslissing op bezwaar te schorsen, omdat eventuele trillingshinder voornamelijk pas in de gebruiksfase en dus niet op korte termijn zal optreden en de voorzieningenrechter het niet op voorhand aannemelijk acht dat trillingshinder zodanig zal zijn dat de omgevingsvergunning onevenredige gevolgen voor verzoekers zal hebben.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Verzoekers voeren aan dat in het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd hoe verschillende functies naast elkaar kunnen bestaan zonder dat onevenredige hinder voor elkaar ontstaat. Verzoekers hebben een alternatief plan aan vergunninghoudster voorgesteld waarmee een gelijkwaardig resultaat wordt behaald maar dan met aanmerkelijk minder bezwaren. Verder voeren verzoekers over de belangenafweging aan dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de belangen van het beschermen van de bedrijven aan de haven en het vergroten van hun bedrijventerrein zwaarder wegen dan de belangen van verzoekers en flora en fauna. Ten aanzien van flora en fauna geven verzoekers aan dat flora en fauna door het realiseren van de kademuren wordt aangetast.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het college over het bouwplan moet beslissen zoals dat is ingediend. Als een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (Zie de uitspraak ABRvS 13 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:78).
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat met het hun voorgestelde plan een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt. Vergunninghoudster heeft in een reactie van 13 april 2026 aangegeven dat er vanwege de waterveiligheid slechts beperkte ruimte bestaat voor een groene inrichting zoals verzoekers wensen en heeft dit ook met hen in een eerder stadium besproken.
Het uitzicht van verzoekers en de daarmee samenhangende bestaande groene uitstraling moet het college wel in de belangenafweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betrekken. In het verweerschrift heeft het college daar een standpunt over ingenomen en in de beslissing op bezwaar moet hier ook aandacht aan worden besteed. Andere belangen van verzoekers zoals geluidsoverlast en trillingshinder zullen ook bij de beslissing op bezwaar worden meegenomen zoals onder 21.1 en 21.2 al is overwogen. De voorzieningenrechter ziet hierin echter, gelet op het belang dat gediend is met uitvoering van de werkzaamheden, geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen.
Ten aanzien van flora en fauna overweegt de voorzieningenrechter dat het college in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook moet motiveren waarom een flora- en fauna-activiteit niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat.
De mogelijke gevolgen voor beschermde flora en fauna, als gevolg van de oprichting van de kademuren en de daarvoor noodzakelijke werkzaamheden, zijn onderzocht en dat onderzoek is aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Deze onderzoeken betreffen de Quickscan soortenbescherming van 16 januari 2025, de Verdiepingsslag Quickscan - soortenbescherming van 12 maart 2025 en het Activiteitenplan van 25 april 2025. Uit deze stukken blijkt dat voor het project als geheel een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is benodigd, omdat verstoring van een drietal soorten niet geheel kan worden uitgesloten. Dit betreft vleermuizen, de bever en de grote gele kwikstaart. Een omgevingsvergunning voor een flora-en fauna-activiteit voor de bever en grote gele kwikstaart is bij besluit van 13 april 2026 verleend. Uit een nader onderzoek is gebleken dat voor vleermuizen geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist is zoals volgt uit het Activiteitenplan van 15 december 2025. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een flora-en fauna-activiteit die aan de (uitvoerbaarheid van de) gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er geen grond om aan te nemen dat het college het realiseren van de kademuren in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties had moeten achten en de omgevingsvergunning om die reden had moeten weigeren.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.